HANS VANDERSMISSEN
Vorig jaar werd door de commissie-Van Oostrom de Canon der vaderlandse geschiedenis gepubliceerd. De canon zou de feiten en personen bevatten die ons land bijzonder hebben gemaakt. Tegen die achtergrond bevreemdde de bizarre belangstelling voor vreemde heersers: de Karels de Grote en de Vijfde, Napoleon, alleen Hitler ontbrak nog. Een inheemse vorst, zoals Radboud, de legendarische koning der Friezen (679-719), de dappere bestrijder van veroverings- en bekeringsbeluste opdringers, wordt niet eens genoemd. Der verraderlijke zendeling Willibrord haalt de canon wel. De commissie heeft afgezaagde schoolplaatkeuzes gemaakt; een eeuw voortschrijdend inzicht in historisch onderzoek lijkt aan Van Oostrom voorbijgegaan.
De vrije Friezen kregen reeds in 57 VC last van veroveringsbeluste krijgsheren: Romeinen. Daarna volgende Franken, vikingen, Hollandse graven en Spanjaarden. Desondanks domineerden de Friezen in de vroege middeleeuwen de handel rond de Noordzee, die van de 7e tot de 11e eeuw ‘Friese Zee’ heette. De Duitse Hanze – dat wel de canon haalt – kon in het bed ploffen dat Friese kooplieden hadden gespreid, wat de canonniers niet noemen. De vage zin ‘hebban olla vogala’ haalt de canon als het begin van het Nederlands: de Lex Frisionum, het oude Friese stamrecht dat van de Wezer tot het Zwin eenheid van recht verschafte, blijft onvermeld.
In het duister over de Verlichting
Koopman Eise Eisinga is met zijn planetarium voor de canoncommissie het summum van de Verlichting in Nederland. Het belang van internationaal beroemde wetenschappers zoals Anthonie van Leeuwenhoek en Christiaen Huygens is de commissie geheel ontgaan. De Verlichting begon wèl in Friesland, met de wiskundige en astronoom Gemma Frisius (Dokkum 1508-Leuven 1555). Leermeester van de grote cartograaf Gerardus Mercator, die de canon evenmin vermeldt, terwijl zijn kaartprojectie nog altijd voor zeekaarten wordt gebruikt. Maar literatuurhistoricus Van Oostrom heeft natuurlijke geen notie van wat een ‘wassende breedte kaart’ zo bijzonder maakt. Evenmin als van Frisius’ briljante vondsten om de geografische lengte te vinden.
De oorsprong van zeehandel
De Friezen zijn er in de canon zeer bekaaid van afgekomen door gebrek aan kennis, ook in Friesland zelf, over het belang van de Friese handel in de middeleeuwen.
De Friezen zijn in het kielzog van de Grote Volksverhuizing in zeehandel betrokken geraakt, toen aan weerszijden van de Noordzee volkeren terecht waren gekomen die dezelfde taal spraken – een schril contrast met de positie van het Fries in de moderne wereld. Dit vroege Germaans had de functie die nu Engels vervuld: de ‘lingua franca’ waarin handelslieden en politici elkaar begrijpen. Vanaf de 6e eeuw kreeg deze Noordzeecultuur de kans te bloeien. Utgong, bij het huidige Berlikum, aan de mond van de Middelzee die Friesland in Oostergo en Westergo verdeelde, werd in 606 reeds als handelshaven beschreven. De Friezen exporteerden wol, laken, leer en huiden, en voeren als tussenhandelaren voor anderen. Door inpolderingen groeiden terpen aan elkaar, zoals bij Leeuwarden en het handelscentrum Wijnaldum, waar Byzantijnse munten en handelswaar uit Gallië, Rome en Engeland zijn opgegraven.
Proselitisme aan de poort
De 8e en 9e eeuw stonden in het teken van zinloos geweld. Zendeling Willibrord, in 695 gewijd tot aartsbisschop der Friezen, vond geen gehoor: ‘zijn kudde’ moest eerst worden veroverd, wat aansloot bij de plannen van de Frankische hofmeier Karel Martel. In 734 versloeg hij de Friezen onder hertog Bubo bloedig bij de Boorne en plunderde wreed. De ‘leer van de liefde’ werd daarna in Friesland nog steeds niet helemaal begrepen, zeker niet toen ene Bonifatius met 50 volgelingen, heilige bomen omhakkend en heiligdommen verbrandend, in 754 optrok naar Dokkum voor een massaal doopfeest. Wat de Friezen zich als ‘wrede moord’ hebben laten aanpraten, was een terechtstelling uit begrijpelijke verontwaardiging!
Met de Friese vrijheid was het echter gedaan en binnen een eeuw hadden lieden zoals Liudger ze toch gekerstend. Zo werden de heidense vikingen vijanden en vanaf 834 werd Dorestad regelmatig geplunderd. In de hoop hem te paaien kreeg Godfried de Zeekoning in 882 Friesland in leen. Hij gedroeg zich echter als vos in het kippenhok en werd vermoord door Gerulf, afstammeling van koning Radboud, vader van Dirk I, eerste graaf van Holland. Daaruit bloeiden aanspraken van de Hollandse graven op Friesland voort, met alle gedonder van dien.
Friese Hanzebasis
Toch kon binnen het Frankisch rijk de handel bloeien, zelfs met joodse en Syrische handelslieden. Naar hun voorbeeld vestigden veel Friezen zich, met gezin en al, in verre handelsposten, in hun geval Mainz, Sigtuna (Bij Stockholm), Hamwic (Southhampton), York, London, Birka en Straszburg.. Als expats avant la lettre leefden zij in compounds met kooplieden uit heel Europa. Een verbazingwekkend kosmopolitisch milieu, gegeven de transportmiddelen: goeddeels open scheepjes van hooguit 10 ton waterverplaatsing. Aan de Middelzee kwamen Bolsward, Sneek en Leeuwarden tot bloei. Lijfeigenschap kwam op de terpen niet voor, terwijl dat in heel Europa de feodale regel was. Europa zuchtte onder de gesloten domeinhuishouding en de oppermacht van landheren, terwijl de Friezen een geldeconomie genoten. De bevolkingsdichtheid in Westergo was vijf keer zo hoog als elders in Europa (20 tegen 4 per km2). Met hun netwerk van handelsposten legden de Friezen de basis voor de latere Noordduitse Hanze, dat hen in de late middeleeuwen overvleugelde. Stavoren en Hindeloopen wisten daarin mee te liften. Verzanding van de Middelzee, Hollandse veroveringsdriften en de Schieringer en Vetkoper twisten frustreerde uiteindelijk de Friese Gouden Eeuwen.
Vanaf de 16e eeuw bloeide Friesland weer, vooral de Oostzeevaart vanuit Harlingen, Workum en Hindeloopen. Het zwaartepunt van de economie lag echter in Holland, met name Amsterdam. Tot 1811 had Franeker een eigen universiteit en het is jammer dat zo’n centrum van geleerdheid Friesland is ontvallen. Dat zou het besef van het grote belang van de Friese economische historie in de middeleeuwen misschien beter levend hebben gehouden, zowel bij de canoncommissie als in Friesland zelf.
Boarne: de Moanne, nû. 2, jannewaris 2007, s. 29-30
FFU: Sjoch ek Kerst Huisman syn bydrage oer de Fryske kanon by ‘Poadium 2007’: Wy sille wol net mear oan dy kanon ûntkomme kinne, jannewaris 2007 (P-DM).