Nieuwe leren levert geen motivatie op, 28-02-2007 (P-FD)

De kwaliteit van het middelbaar beroepsonderwijs daalt zienderogen, scholieren weten niet waar ze aan toe zijn en docenten zijn niet betrokken genoeg. Volgens Greetje van der Werf, hoogleraar ‘Onderwijzen en leren’, zijn de gevolgen van het ‘nieuwe leren’ nu al pijnlijk zichtbaar.

Opinie
GREETJE VAN DER WERF

Het ‘nieuwe leren’ schrijft voor dat scholieren zelfstandig hun kennis leren vergaren. Daarbij ligt de nadruk op ‘competenties’, vaardigheden. Het maken van een werkstuk of verslag is belangruikers dan het vergaren van de kennis die als basis van de inhoud moet dienen. Dat kun je immers altijd opzoeken, vaardigheden moet je bezitten.

De docent is hierbij niet langer verstrekker van kennis, maar begeleidt als coach de zoektocht van de leerling. Een taak waarvoor de meeste docenten niet zijn opgeleid.  Dat veel docenten maar weinig interesse tonen in de individuele leerling, is dan ook niet verwonderlijk. Ineens komt er van boven een nieuwe concept waaraan ze zich dienen te houden en intussen worden ze ook nog afgerekend op hun prestatie. Of liever gezegd, de cijfers van hun leerlingen.

Door het ‘nieuwe leren’ ontstaan enorme hiaten in de (basis)kennis van scholieren. Zo zijn veel leerlingen prima in staat de oplossing voor een natuurkundig probleem te vinden, maar het waarom, daarvan weten ze niets. Toekomstige studenten van een bètaopleiding aan de universiteit moeten tegenwoordig een bijspijkercursus natuurkunde volgen om het niveau daar aan te kunnen. En studenten die voor een studie geneeskunde uitwijken naar België slagen niet eens voor het toelatingsexamen.

Dit is pas het topje van de ijsberg van de problemen die het ‘nieuwe leren’met zich meebrengt. Zo zullen in de toekomst bijvoorbeeld steeds meer scholieren problemen krijgen bij het kiezen van een vervolgopleiding. Want om ter weten waarover je graag meer wilt leren, moet je een basis hebben waarop je kunt verder bouwen. Een basis die nu ontbreekt.

Niet in staat
Ik vrees dat deze omslag in onderwijsland een verandering is die puur om de verandering doorgevoerd is. Scholen merkten dat ze hun leerlingen niet meer konden bereiken en gingen op zoek naar een oplossing. Als vervolgens een legertje pedagogische instellingen beweert dat het ‘nieuwe leren’ dé oplossing is voor dit probleem, nemen onderwijsinstellingen dat maar al te graag van ze aan. Dat er onderzoeken zijn waaruit blijkt dat jongeren tot 21 jaar niet eens in staat zijn volledig zelfstandig te leren, doet blijkbaar niet ter zake.

Motivatie is altijd een probleem geweest bij leerlingen in de puberteit. Kinderen van die leeftijd houden zich veel liever met andere dingen bezig dan school. Toch zijn er legio manieren om scholieren wél te interesseren voor de lesstof. Maar daarbij hebben ze wel voldoende begeleiding nodig: iemand die ze vertelt wát ze precies moeten leren, en wanneer ze dat moeten doen. Niet iemand die dat allemaal maar een beetje aan de leerling zelf overlaat.

Prof. dr. M.P.C. van der Werf is hoogleraar Onderwijzen en leren aan de Rijksuniversiteit Groningen, en deed uitgebreid onderzoek naar achterstanden in het onderwijs die te maken hebben met sekse, sociaal milieu en etniciteit.

Boarne: Friesch Dagblad, 28-02-2007

 

Vaardigheden halen het niet bij basiskennis, 15-12-2006 (P-TR)

Competentiegericht leren leidt tot oppervlakkige kennis

Bij het nieuwe onderwijssysteem staat het maken van opdrachten voorop in plaats van het vergaren van kennis. Zo kweek je nooit Einsteins.

door Jan Bouwens

Binnen hbo’s, mbo’s en vmbo’s is het zogeheten competentiegericht onderwijs massaal ingevoerd. Dit is een onderwijssysteem waarbij de studente geen kennis wordt aangereikt, maar waarbinnen deze zelf kennis moet vergaren door deze op te zoeken, zoals gisteren te lezen was in Trouw (de Verdieping).

Deze methode is echter aantoonbaar ongeschikt om studenten tot leren te bewegen, omdat [het] deze studenten beweegt te zoeken naar de eerste oplossing, niet de beste en alleen de innerlijke motivatie van studenten aanpreekt. Er is ook overtuigend bewijs voor de ongeschiktheid van deze methode.

De scholen hadden er beter aan gedaan de basiskennis van de docenten te vergroten. Het kostte de mensheid duizenden jaren om de wiskunde te ontwikkeling, die nodig is om het draagvermogen van een opvangsysteem van een brug te berekenen. Hoe kan men dan aannemen dat een gemiddelde hbo-student in staat is deze kennis zelfstandig via ervaring op te doen? Dat kan alleen als de hbo-student slimmer is dan bijvoorbeeld Einstein.

Onder het cognitief gericht systeem leert de student eerst de wiskunde die hij nodig zal hebben om het draagvermogen te berekenen. Hij leert ook hoe de verschillende wiskundeonderwerpen met elkaar in verband staan. Onder het competentiegericht leersysteem moet de  student opdrachten uitvoeren. Een ervan zou kunnen luiden: bereken het draagvermogen dat voor een bepaalde brug nodig is. In cognitief gericht leren zal de student beschikken over een arsenaal aan mogelijkheden om de opdracht op te lossen. Hij heeft alle wiskunde gehad en kan de beste oplossing selecteren. Onder het competentieleersysteem zoekt de student de oplossing die het eerste in hem opkomt. Immers, hij kent geen alternatieven, want die zijn nooit aangedragen. Hier toont zich de makke: competentiegericht leren leidt tot oppervlakkigheid.

Maar er zijn meer problemen. Binnen het systeem worden instructie en toetsen vervangen door opdrachten. Deze opdrachten zijn in eerste aanleg vaag, en worden in veel gevallen uitgevoerd door een team van studenten. Op hbo’s worden de taken verdeeld door het team zelf op basis van aanleg van de verschillende leden van het team. Hierdoor worden de talenten waarover de student nu juist onvoldoende beschikt, verder verwaarloosd tijdens de schoolcarrière. De vakdocent heeft weinig zicht op wie wat doet en al helemaal geen zicht op wie wat leert. Competentieonderwijs concentreert zich op het maken van de opdrachten en niet op de inhoud.

De afschaffing van de toetsen heeft echter nog verderstrekkende gevolgen. Deze hebben te maken met waarom mensen overgaan tot hard werken. Mensen gaan om drie redenen over tot hard werken. Ze gaan aan het werk als ze de onderliggende  activiteit aangenaam vinden, bijvoorbeeld ‘gamen’. Daarnaast waarderen ze een prestatie afgezet tegen een norm die ze zichzelf hebben opgelegd, maar welke wordt gebaseerd op een universele norm: het persoonlijke record. Ten derde hechten ze belang aan externe waardering: de olympisch kampioen die wordt geëerd in zijn woonplaats. Binnen competentiegericht leren worden toetsen bij voorkeur afgeschaft ten gunste van leertrajecten die vooral bestaan uit een reeks van opdrachten die wanneer de leerling deze aantoonbaar aflegt, om worden gezet in een ‘opdracht-voldaan-kwalificatie’.

Als we de balans opmaken, zien we dat competentiegericht leren over alle niveaus tot oppervlakkige kennis zal leiden. De student weet niet waar hij moet zoeken, omdat hij basiskennis ontbeert en hij wordt door de gebruikte toetsmethoden alleen gestimuleerd tot marginale prestaties.

Deze nadelen bestaan niet alleen in theorie. De gemeenschappelijke bewijzen hiervoor stapelen zich op. Het is dan ook onbegrijpelijk dat minister Van der Hoeven aangaf dat zij die opponeren tegen competentiegericht onderwijs, niets begrijpen van hoe mensen thans leren. De empirische bewijzen voor het failliet van competentiegericht onderwijs liggen voor het oprapen. Wellicht dat onze wetenschapsminister deze kennis om financiële redenen negeert.

Afschaffen van instructie door een vakdocent, oefening en deugdelijke toetsing van kennis is fnuikend voor de vakinhoudelijke kennis van studenten die ons onderwijssysteem met een diploma verlaten. Sterker, doordat we bekwame leerlingen ook niet zullen identificeren, lijden zij, die wel goed presteren, ook. Het is waar dat de student niet wordt gemotiveerd met alleen droge theorie. Maar met de invoering van het competentiegericht onderwijs is het kind met het badwater weggegooid. Wat had moeten gebeuren is de vakinhoudelijke kennis van de leraar vergroten opdat deze vanuit een ruimere voorraad kennis de toepassingsmogelijkheden kan aanreiken van door hem aangedragen kennis. Het helpt echt als je niet alleen kunt zeggen hoe je een correlatiecoëfficiënt kunt uitrekenen, maar ook als je vertelt wat je er wel en niet mee kunt doen, ermee kunt spelen. Wist u overigens dat de beste wiskundigen ook uitmunten in creativiteit?

Jan Bouwens is hoogleraar accounting aan de Universiteit Tilburg.

Boarne: Trouw [deVerdieping/Podium], 15-12-2006

Neiskrift FFU:
Sjoch ek by ‘Poadium 2007’: Vraagt het ‘zelfstandige kind’ om andere onderwijsvormen?, 11/17-02-2007 (P-DVK). En ek by ‘Poadium 2006’: 30/31-12-2006, Ziehe: jongeren willen dat de school anders is dan hun ‘zelfwereld’; 30/31-12-2006, Nieuwe leren; 07-12-2006, Het was het Nieuwe Leren in een notendop: ik weet wat jij niet weet, maar jij zoekt het zelf maar uit; Desimber 2006, Het gewone leren; 07-11-2006, Het failliet van het nieuwe leren (Pier Bergsma) en foar mear oer de sekte-ideology fan it ‘Nije Learen’: 18-02-2006, Modieuze ideeën over leren ‘ongefundeerd’.

Foar it ûnderwiis yn de Fryske taal en kultuer soe it ‘nije learen’ ek in ramp betsjutte. Wy binne dêr poer op tsjin. Krekt no’t it plak fan it Frysk yn it ûnderwiis de kommende jierren grutter wurde kin, moat dat net opkeard wurde troch in temin oan kennisoerdracht en it ferfangen fan ynstruksje en toetsen troch opdrachten en in systeem wêrby’t learlingen sels harren kennis opdwaan moatte troch dy op te sykjen.

Wat wichtich is, is it fergrutsjen fan de basiskennis fan learkrêften/dosinten fan de Fryske taal, kultuer en skiednis. Dêr falt noch in protte te winnen. Learkrêften hearre geef Frysk prate en skriuwe te kinnen - en sille dus de taalregels treflik behearskje moatte - en hearre in folslein oersjoch fan en ynsjoch yn de Fryske skiednis te hawwen. Dan kinne se de learlingen korrizjearje as se (noch) min Frysk prate en skriuwe en harren goed ynliede yn taal, skiednis en kultuer. Dat hat alles mei in heech nivo oan kennis te krijen. Stypje ús yn dy striid om dat te berikken en wurdt lid fan de FFU (2007: € 10,- jiers).

<< Werom nei 'Poadium 2007'