Friezen mogen van Vlamingen wel wat strijdbaarder, 30-03-2007 (P-LC)

Door Asing Walthaus
Het is niet alle dagen dat men zich in Brussel buigt over de vraag of het Fries toekomst heeft. Gisteren was het zover, in een forumgesprek met poëzie. “Als dat militante er niet is, schat ik de kansen voor het Fries niet hoog in.”

Brussel – De Vlaamssprekenden in de Belgische hoofdstad Brussel weten wat taalstrijd is. Na lang aandringen is wettelijke vastgelegd dat de hoofdstad tweetalig is. Dat zijn alle straatnaamborden en in de trein worden stations in twee talen aangekondigd, wat in het omnringende Wallonië niet hoeft.

“Zo moet je dat regelen”, vindt Luc Devoltere, directeur van stichting Ons Erfdeel. Hij had kort daarvoor in De Buren, een debathuis in Brussel gewijd aan Nederlandse en Vlaamse onderwerpen, een gesprek geleid over het Fries. En zich erover verbaasd dat Friesland niet op zo’n manier bij wet tot tweetalig gebied is verklaard, zodat het gebruik van het Fries in het openbaar kan worden afgedwongen.

De avond over de toekomst van het Fries was eerder informatief dan dat het een uitwisseling van tips werd, over hoe je om moet gaan met een minderheidstaal. De bezoekers (een dikke veertig, met opvallend veel Friezen om utens) luisterden naar gedichten van Tsjêbbe Hettinga en Albertina Soepboer en een lezing van Durk Gorter van de Fryske Akademy over het Fries, “qua minderheidstalen een middenmoter”, dat bij 55 procent van de Friezen vooral thuis gesproken wordt.

Van grote bevlogenheid voor de taal was in het gesprek niet zoveel te merken. Voor Hettinga is het vanzelfsprekend, dat hij in het Fries dicht, Soepboer dicht in het Fries en het Nederlands. Gorter meent dat de taal in elk geval nog tachtig jaar bestaat, omdat er gisteren in deze krant nog Friestalige geboorteadvertenties stonden. “En die mensen worden gemiddeld tachtig.” Devoltere probeerde de sprekers tot krachtige uitspraken te prikkelen, maar die kwamen niet. Ja, het onderwijs in het Fries zou betere kunnen, werd er gezegd. Want het is jammer dat maar een op de tien Friezen het kan schrijven. Maar voor de sprekers van het Fries lijkt het geen handicap te zijn, relativeerde Gorter meteen.

Na afloop wist de gespreksleider daarom nog steeds niet wat hij van het Fries en de inzet daarvoor moest denken. “Mijn intuïtie is wel: als dat militante er niet is, dan schat ik de kansen voor het Fries niet hoog in. Als het Fries inderdaad vooral een thuistaal is, die in het gezin gesproken wordt, maar verder niet, dan vraag ik me af of er toekomst in zit.”

Boarne: Leeuwarder Courant, 30-03-2007

Neiskrift FFU:
Wy woene de Friezen graach ek militanter hawwe om it Frysk, fierwei de moaiste taal fan de ierde, in goede takomst te jaan. As jo dat ek tinke, dan soene jo dochs stiper fan ús feriening wurde moatte (2007: € 10 jiers). En jo soene boppedat ek kloklieder en meistrider wurde kinne om mei ús it tekoart oan goed ûnderwiis yn de Fryske taal en kultuer te ferhelpen. Oppenearje jo!

Wy stride, lykas de Flamingen, foar in bettere taalwetjouwing, benammen foar it ûnderwiis. En dêr hearre ek de nedige twangmiddels by. Underwiis, al hoe wichtich ek, stiet net los fan de maatskippij. Dêrom sille de taalmachtsferhâldings yn Fryslân yn gâns maatskiplike domeinen feroarje moatte. It Frysk praten en skriuwen sil as beneamings- en funksje-eask yn ûnderskate fan dy sektoaren gewoan wurde moatte. Dus net allinnich yn it ûnderwiis.

<< Werom nei 'Poadium 2007'