Staatssecretaris Dijksma slaat met haar nieuwe adviseur de verkeerde weg in
Sieneke Goorhuis-Brouwer
Hoogleraar orthopedagogie UMCG
Staatssecretaris Sharon Dijksma heeft een hot shot binnengehaald om het taalonderwijs in Nederland te verbeteren. De Canadese socioloog Michael Fullan ziet in een goede taalontwikkeling de motor voor de economie. Door een betere samenwerking tussen overheid, bestuur en school moet dit gerealiseerd worden. Op de werkvloer dienen vervolgens toetsen te worden uitgevoerd [= afgenomen] om de leerlingen vooruit te helpen, om zo zijn economische waarde te vergroten. Fullan richt zich vooral op de organisatie van het onderwijssysteem.
Met deze adviseurkeuze maakt de staatssecretaris duidelijk dat zij maar ten dele in het onderwijs is geïnteresseerd. De economie staat voorop. Het onderwijs moet de economie dienen. Onderwijs heeft niets meer te maken met de persoonlijke ontplooiing van kinderen.
De gedachte dat onderwijs kennis overdraagt, kinderen invoert in het culturele erfgoed, en uit is op een leeraanbod dat aangepast is aan de ontwikkelingsfase waarin kinderen verkeren, is volstrekt niet aan de orde. De gedachte dat de relatie leerkracht-leerling van bepalend belang is bij de overdracht, al evenmin.
De bestuurders laten zich leiden door mythen. De mythe van het maakbare kind. Daar wordt al heel vroeg mee begonnen. Op peuters en kleuters is de druk van het schoolse leren door de vroeg- en voorschoolse educatie al zo groot, dat het sociaal-emotionele welbevinden van de kinderen hieraan onderdoor lijkt te gaan. Steeds meer kinderen ‘zijn’ ADHD, PDD-NOS, autistiform en vertonen leerachterstanden. Niemand stelt de vraag of de onderwijskundig gehanteerde definitie van het ‘normale’ kind niet te verengd is.
Er is ook de mythe van de kennisveroudering: de wereld verandert zo snel dat de leerkracht geen kennis meer hoeft over te dragen. Hij hoeft alleen maar het proces van de eigen leerweg van het kind te begeleiden. Het kind leert niets van de leerkracht, maar van Google.
Dan is er de mythe van de sterke benen: kinderen krijgen verantwoordelijkheid toegeschoven die ze nauwelijks kunnen dragen. De vraag onder welke condities kinderen welke verantwoordelijkheden aankunnen, wordt niet gesteld.
Doordat bij de beleidsmakers de kennis van ontwikkelingsfasen in het kinderleven volkomen verdwenen is, lijkt de aanpak binnen het onderwijs ook precies verkeerd om te zijn: peuters en kleuters worden programmatisch aangepakt en kinderen vanaf groep drie worden steeds vrijer gelaten om competentiegericht te kunnen leren.
Echter: het competentiegericht leren hoort bij peuters en kleuters thuis. Die leren namelijk spelenderwijs. Bij hen heeft de leerkracht een functie op de achtergrond. Peuters en kleuters horen niet aan de top van de leerfabriek, maar aan het begin. Hun drijfvermogen om aan de top te kunnen komen, dienen we nog op te bouwen, waarbij het sociaal-emotionele welbevinden een belangrijke rol, speelt.
Naarmate kinderen ouder worden, krijgt de leerkracht een steeds belangrijker rol in het leren van vaardigheden als lezen, rekenen en schrijven en bij de overdracht van culturele waarden. Een leerkracht die aanspreekt, geduld heeft en aanmoedigt, heeft goede leerlingen. Om dat te begrijpen hebben we geen goeroe uit Canada nodig.
Waar blijft het protest van al die leerkrachten die door de actie van de staatssecretaris impliciet als ondeskundig zijn bestempeld?
Boarne: Trouw, 15-09-2007
FFU: Lês ek Dirk Huizinga syn ‘Te Gast’ (Leeuwarder Courant) by ‘Poadium 2007’: Onderwijs en Opvoeding: herhaling van zetten, 15-10-2007 (P-LC) en ek Groningse plattelandspeuters krijgen extra taalstimulans, 09-10-2007 (A-TR).