Vraagtekens bij succes ‘nieuwe leren’, 26-11-2007 (P-PvdN)

Het ‘nieuwe leren’zorgt in het middelbaar beroepsonderwijs voor een spectaculaire daling van de schooluitval. Is hier sprake van een eclatant succes van een omstreden onderwijsmethode?

PETER NIEUWENHUIJSEN
docent Hoger Onderwijs

Staatssecretaris Sharon Dijksma (Onderwijs) reageerde in elke geval verheugd (LC 7 november) op het feit dat op sommige scholen het aantal voortijdige schoolverlaters met 50 procent is gedaald. Maar misschien is dit de Pavlov-reactie van iemand die niet verder kijkt dan de cijfertjes. Om te weten of het goed gaat in het onderwijs, zul je ook moeten weten hoe die er komen.

Het probleem was duidelijk: te veel mbo-leerlingen verlieten het onderwijs zonder diploma. Wat men zich te weinig realiseert, is dat er voor dat probleem niet één, maar twee oplossingen bestaan. Je kunt werken aan de leerlingen, en proberen ze tot grootse prestaties te bewegen. Maar je kunt ook werken aan de diploma’s en zorgen dat een leerling die gemakkelijk binnenhaalt.

Van de twee manieren om het ‘rendement’ te verhogen, is er één moeilijk, de andere is simpel. De moeilijke manier: geen veranderingen in het onderwijsprogramma, in de diploma-eisen, in het niveau, wél veranderingen in de manier waarop leerlingen worden gestimuleerd aan die eisen te voldoen.

Als je een betere manier vindt om de leerlingen naar een niveau te tillen zonder dat niveau te verlagen, stijgt je rendement. Deze methode is niet gekozen in het mbo, anders zou de term ‘het nieuwe leren’ nooit zijn bedacht.

Men gaat er in Nederland nog altijd heel gemakkelijk van uit dat de gemakkelijke methode (je legt de lat gewoon wat lager) geen serieuze optie is, omdat in het onderwijs lieden de dienst uitmaken met hoge ethische opvattingen. Een van de veranderingen die de komst van onderwijsmanagers heeft teweeggebracht, is echter dat er op dit punt nu heel anders wordt gedacht dan enkele decennia geleden.

Terug naar de credits die het nieuwe leren krijgt voor de verbetering van het rendement. Er is al veel kritiek geleverd op dat nieuwe leren en die betrof onder meer de nadruk op vaardigheden, de achterstelling van kennis, en het verlies aan kwaliteit. Laten die zaken nu net naadloos aansluiten bij wat ik zo-even de gemakkelijke methode heb genoemd. Nogal wiedes, zal een tegenstander van het nieuwe leren zeggen, dat er meer diploma’s worden gehaald: er worden nauwelijks meer eisen gesteld.

Mogen we voorzichtig concluderen dat een hoger aantal diploma’s niet automatisch betekent dat het nieuwe leren een punt heeft gescoord?

Nu wil ik in dit speciale geval wel oog hebben voor het gegeven dat de daling van het aantal uitvallers zich in het bijzonder voordoet op het laagste niveau van het mbo.

Je kunt je voorstellen dat het beter is de theoretische lessen op een zacht pitje te zetten voor leerlingen die een diploma op niveau 1 gaan halen, en daarmee assistent worden, zo heb ik gelezen, in bijvoorbeeld een fietsenzaak, een lunchroom of een wasserij.

Als het nieuwe leren inhoudt dat het onderwijs op dit niveau meer gericht wordt op de praktijk, dan zal ik mijn stem daartegen niet verheffen, al moeten we ook bedenken dat deze leerlingen straks heel gewoon stemmen, kinderen grootbrengen, elftalleider worden, enzovoort.

Interessant blijkt nu ook de vraag wat er eigenlijk overblijft van het nieuwe leren. De term is zijn betekenis alweer aan het verliezen. Ook in Zeeland daalde het aantal schoolverlaters en wat zegt daar een ROC-voorzitster?

“Vaak gaat competentiegericht leren gepaard met een flink deel onbegeleide zelfstudie. Dat is wat ons betreft niet aan de orde, daar hebben wij slechte ervaringen mee. De leerlingen vinden het onprettig en de resultaten tonen ook aan dat ze er niet klaar voor zijn.De begeleiding moet strak zijn, heel strak.”

Hiermee wordt een angel uit de kritiek op het nieuwe leren getrokken, maar dan wel door er gewoon voor 100 procent aan tegemoet te komen.

Zo blijft het nieuwe leren slechts als kenmerk over dat het onderwijs sterk op praktijk gericht is en niet op theorie. De eisen worden dus zichtbaar aangepast en we belanden bij wat hierboven de gemakkelijke methode is genoemd.

Voor niveau 1 klinkt dat niet heel verkeerd en daar is vast ook het duidelijkst wat er wordt bedoeld met ‘competentiegericht’. Het mbo kent echter nog drie niveaus en daarna is er nog het hbo. Ergens op die ladder zal een omslagpunt moeten worden aangewezen.

Boarne: Leeuwarder Courant, 16-11-2007

Neiskrift FFU:
Yn it mbû wurdt fan 2010 ôf it Hollânsk (‘Nederlands’) in selsstannich op it fak rjochte fak yn in nije ‘kompetinsjestruktuer’. Foar it Frysk heart dat ek it gefal te wêzen op grûn fan lykweardigens en lykberjochtiging oan it Hollânsk.

Sjoch foar de lekken en brekken fan it saneamde ‘nije learen’ ek by ‘Poadium 2006 en 2007’: Onderwijs en opvoeding: herhaling van zetten, 15-10-2007 (P-LC); 30/31-12-2006, Ziehe: jongeren willen dat de school anders is dan hun ‘zelfwereld’; 30/31-12-2006, Nieuwe leren; 07-12-2006, Het was het Nieuwe Leren in een notendop: ik weet wat jij niet weet, maar jij zoekt het zelf maar uit; Desimber 2006, Het gewone leren; 07-11-2006, Het failliet van het nieuwe leren (Pier Bergsma) en foar mear oer de sekte-ideology fan it ‘Nije Learen’: 18-02-2006, Modieuze ideeën over leren ‘ongefundeerd’; 18-02-2006, De oerdracht fan de Fryske taal en kultuer, it learplan en it ‘nije learen’.

<< Werom nei 'Poadium 2007'