Harje
Pieter de Groot
Vandaag honderd jaar geleden namen Provinciale Staten een historische beslissing. Met 39 tegen 8 stemmen besloten ze het Selskip for Fryske Tael en Skriftekennisse voor het ‘winterskoft’ 1907-’08 vijfhonderd gulden subsidie toe te kennen voor onderwijs in het Fries op school, toen nog buiten de schooluren. Het was het begin van overheidsbemoeienis.
Een van de aanstichters was Pieter de Clercq, een bankier uit Amsterdam, die grootgrondbezitter was in Friesland en op zijn vijftigste tot de genereuze slotsom kwam dat hij zijn verdiende geld hier dan ook maar uit moest geven. Hij liet in 1898 een villa bouwen in Veenwouden. Door zijn moeder, een Friezin, was hij ‘om utens’ al jong net het Fries in aanraking gekomen en eenmaal op Fries grondgebied werd hij roomser dan de paus.
Het Selskip for Fryske tael en Skriftekennisse belastte een commissie met de voorbereiding, met De Clercq als voortrekker. Op zijn initiatief, en met een forse bijdrage uit zijn portemonnee, werd een prijsvraag uitgeschreven voor een leer- en lesboekje. Piter Sipma sleepte de eerste prijs van honderd gulden in de wacht. De Clercq zelf zorgde met hulp van oud-onderwijzers Gerben Postma voor een ‘Lytse Fryske Spraekleare’, “opdroegen oan skoalmasters, dy’t it Frysk troch har ûnderwiis yn dy tael stypje wolle”.
In het voorjaar van 1907 riep de commissie-De Clercq deze onderwijzers op voor een vergadering in Leeuwarden. Er kwamen er dertien opdagen, minder dan waarop was gehoopt, maar voldoende om alles in ‘kalk en semint’ te gieten. Lessen en leermiddelen zouden worden verstrekt, het Selskip zou ervoor zorgen dat er na schooltijd leslokalen beschikbaar waren, de cursus zou twee jaar gaan duren, elk ‘winterhalfjaar’ zou uit vijftig lessen bestaan en de onderwijzers gingen 75 cent per uur verdienen. Omdat er een Fries belang mee gemoeid was, vroeg het Selskip de provincie om subsidie.
De antirevolutionair Nauta was tegen. Terwijl er alom werd gepleit voor inkrimping van de lessen en meer vrije tijd voor de kinderen, wilde het Selskip de kinderen met meer lessen opzadelen, stelde hij. Waarom wel het Fries steunen en indertijd niet de drankbestrijding, vroeg de socialist Jansonius zich af. Dat ging maar om honderd gulden en was toch ook een Fries belang?
Zijn partijgenoot Geert Lourens van der Zwaag had eerst ook zijn bedenkingen. Hij was ervan uitgegaan dat de lessen binnen schooltijd vielen. Maar nu hem was gebleken dat dit niet zo was, moest het maar wezen. Friese les betekende zo immers ontspanning, het zou kinderen “afhouden van dingen die tot kwaad voeren”.
Het eerste ‘winterskoft’ was een succes. Bijna driehonderd leerlingen op zeventien scholen kregen Friese les. Maar een jaar later waren er al vijftig leerlingen minder, terwijl het aantal scholen ook terugliep. Uiteindelijk waren er in het schooljaar 1913-’14 nog maar vier over. De oorzaak was geen geldgebrek, maar gebrek aan belangstelling bij ouders en onderwijzers.
De Clercq, lange tijd filantroop voor de Friese zaak, bedankte in 1918 als bestuurslid van het Selskip, toen dit bij het rijk aanklopte voor de bevordering van het Fries in het onderwijs. Daar moest je het rijk niet mee lastigvallen, het moest een zaak van Friesland blijven. De Hollander was teleurgesteld in de Friezen, die zo weinig voor hun taal over hadden. Toen daarna de gemeente Dantumadeel het belastingstelsel in progressieve zin hervormde, waardoor grootgrondbezitters meer belasting moesten betalen, nam hij de wijk naar Zeist.
Pas in de jaren tachtig werd het Fries met moeite, want vederlicht, verplicht opgenomen in het lesrooster, en nog steeds is de praktijk weerbarstiger dan de wet. Daarbij dient het adagium van het Selskip onveranderd als leidraad:”Hoeden en bedaard foarút, dan hoecht men gjin stappen tebek te dwaan.”
Boarne: Leeuwarder Courant, 27-11-2007