Alfons Dölle
Nu is het weer de Nederlandse Taalunie die over de verengelsing van onze taal begint. Het Nederlands, in grootte de 35ste taal in de wereld, loopt in Europa ver voorop op dit punt, zegt de unie. De commissie cultureel verdrag Vlaanderen-Nederland heeft deze ontwikkeling ook wetenschappelijk vastgesteld in een recent onderzoek.
De meeste masterstudies, het woord op zich is al een teken van dit proces, aan de universiteiten worden al in het Engels gegeven. Hbo-instellingen (‘professional universities’, jawel) lopen zich de benen uit het lijf om deze grote broers ook op dit punt na te volgen. Oud-minister Jo Ritzen heeft overigens al eerder bepleit het hoger onderwijs in het Engels te geven. Hij werd toen op dit punt afgeserveerd, maar zijn wensdroom lijkt via de achterdeur werkelijkheid te worden.
Veel middelbare scholen, maar ook basisscholen, vooral in de Randstad, trappelen van ongeduld om het Engels als voertaal in te voeren. Voorlopig, nu de wet dit nog eist, naast de landstaal. Wie naar het journaal kijkt, zal het opvallen dat ook daar allerlei plaats- en landennamen die we voorheen op zijn Nederlands uitspraken, nu in het Engels de monden van de presentatoren verlaten. Historicus Kossmann sr. merkt op dat wanneer je in een Nederlandse winkelstraat wandelt, je je in een Engelstalig land waant.
Wie de huidige jeugdbladen, vrijwel allemaal met een Engelse titel, doorbladert, staat verstelt van het rappe tempo waarin kennelijk de jeugdcultuur verengelst. Maar het Engelse taalvirus woekert overal. De computerbranche draagt ook haar steentje bij aan het verschijnsel. De tenenkrommende haast waarmee het bedrijfsleven zijn handel in het Engels uitvent, is wellicht begrijpelijk, maar soms ook gênant.
Ook in het dagelijks leven communiceren mensen steeds meer in verbrokkeld Nederlands/Engels. Advertenties, internetdiscussies maar ook de trouw- en rouwkaarten wemelen van overzeese zegswijzen en jargon. Ik heb op deze plaats al enkele keren aandacht gevraagd voor deze semantische tsunami, om er ook maar eens twee uitheemse termen tegen aan te gooien.
Wat me altijd is bijgebleven, is een discussie die ik als gemeenteraadslid meemaakte. Het vliegveld Eelde moest worden omgedoopt tot airport Groningen-Eelde. Buitenlanders zouden hert woord ‘vliegveld’ niet begrijpen. Ik zag het al voor me: wanhopige buitenlanders dwalend door de Gronings-Drentse grensstreken op zoek naar een airport, daarbij herhaalde malen het voor hun [= hen] onbegrijpelijke bordje ‘vliegveld’ passerend. Onzin natuurlijk. Alsof diezelfde passagiers in bijvoorbeeld Duitsland het woord Flughafen niet zouden begrijpen.
Die lust om in cultureel opzicht zo snel en volledig mogelijk de Angelsaksische, vooral Amerikaanse cultuur te imiteren, blijft me verbazen. Delen van de politieke en culturele elite noemen dit land graag het New York aan de Noordzee. Buitenlanders zien het wel als de 51e staat van Uncle Sam. In alles, behalve de politiek en de religie, kopiëren we dat model: in het bedrijfsleven, in kleding en leefstijl. In de celebrity(!)cultuur, in de media, in consumptie en kunst, in onderwijs en sport, in ‘lifestyle’ en vrijetijdskleding.
We lijken in dit opzicht soms op motten die rond het grote lichtbaken van over de oceaan fladderen. Nederland dat op allerlei terreinen door schade en schande zijn gidsfunctie heeft verloren, lijkt hier een nieuwe missie te vinden. Natuurlijk moeten we met culturele ontwikkelingen met zo’n enorme kracht als de verengelsing ontspannen omgaan.
Terug naar de taal. We hoeven niet de Don Quichotte te gaan uithangen door achter het vaandel van taalpurisme ten strijde te trekken tegen de bierkaai. Onze nationale identiteit is nu eenmaal vergeleken met de meeste andere Europese landen vrij laat en vrij zwak ontwikkeld. We zijn bovendien een handelsland dat ook taalkundig snel de tering naar de nering zet.
Daar komt bij dat de Nederlanders zeer bezorgd zijn over hun imago. Ben ik cultureel wel hip en correct genoeg? Maar toch! Men moet bereid blijven de Nederlandse taal (en ook het Fries) actief te verdedigen tegen een ontwikkeling die de landstaal degradeert tot een huis-, tuin- en keukentaal doorspekt met ‘newspeak’ en ander Engels.
Tenzij we dit deel van onze identiteit ook wel aan de straat willen zetten en ons verder met graagte cultureel willen laten koloniseren. Een realistische en niet geforceerde verdediging van de taal is echter heel goed mogelijk. Behoorlijk taalonderwijs. Een grondwettelijke erkenning van die taal. Een vrijwillige taalcode waarbij maatschappelijke organisaties, bedrijven, media afspreken om het niet al te bont te maken. Grotere zorgvuldigheid in stukken die van de overheid uitgaan. Handhaving van het Nederlands naast het Engels in het hoger onderwijs. Het zijn maar enkele voorbeelden van wat in redelijkheid mogelijk is. Maar voor alles is natuurlijk een beetje taaltrots nodig.
Boarne: Leeuwarder Courant, 01-12-2007
FFU:Set oeral dêr’t ‘Nederlands’ stiet ek ris ‘Frysk’, dan wurdt ús taal ek as lykberjochtige en lykweardich beskôge.