Friese taal is ook Haagse zaak, 17-07-2008 (P-FD)

Friesch Dagblad - De Raad van Europa was deze week fel in zijn driejaarlijkse rapportage over de wijze waarop Nederland zijn minderheidstalen beschermt en stimuleert. De regering laat het afweten en houdt zich niet aan de afspraken uit het Handvest voor Europese Minderheidstalen dat sinds 1998 van kracht is. De overheid moet bijvoorbeeld zelf periodiek verslag doen van de maatregelen die genomen zijn naar aanleiding van eerdere aanbevelingen die de raad deed na onderzoek in Nederland. De regering deed dat nogal laks – vijftien maanden te laat en krijgt allereerst daarvoor een stevige berisping. Het trage handelen belemmert het monitoren door de EU van het taalbeleid in Nederland en, wat erger is, het is illustratief voor de houding van het kabinet ten aanzien van minderheidstalen, zegt de Raad. De landoverheid is over het algemeen te weinig geïnteresseerd en te weinig stimulerend. Er is geen nationaal beleid ten aanzien van het Nedersaksisch (de varianten daarvan worden gesproken door 1,8 miljoen Nederlanders) of het Limburgs (zes dialecten, 770.000 sprekers) en over het Roma wéét de overheid zelfs nauwelijks iets.

Ook merkt de Raad nauwelijks dat Den Haag het Fries (474.000 sprekers) serieus neemt als tweede rijkstaal. Het lesgeven in en over het Fries schiet op alle niveaus van het onderwijs te kort, en de taal wordt veel te weinig gebruikt door (semi-)overheidsorganen en instituties in Fryslân. Den Haag zegt dan graag dat het die verantwoordelijkheid gedelegeerd heeft aan de provincie en gemeenten, maar daar komt de regering niet mee weg. Het zijn nátionale regeringen die ervoor zorg moeten dragen dat afspraken uit internationale verdragen worden nagekomen; Den Haag is en blijft eindverantwoordelijke. Het ontbreken van een actief nationaal taalbeleid is een barrière voor de bescherming en promotie van het Fries en de andere minderheidstalen in Nederland, aldus de Raad.

Het is de vraag of het kabinet de kritiek van de Raad ter harte  neemt – daarvan is in het verleden niet vaak iets gebleken. Staatssecretaris Timmermans zei bijvoorbeeld in april nog, tijdens een bezoek aan Fryslân, dat het een zaak van de lokale overheden en de scholen zelf is om ervoor te zorgen dat er volgens de EU-norm Fries wordt lesgegeven (zes uur per week; het praktijkgemiddelde is minder dan een uur).

Is een ongeïnteresseerde, verantwoordelijkheden afschuivende landsoverheid reden tot ongerustheid? Niet helemaal. Het gaat tamelijk goed met het Fries. Het is een van de levendigste minderheidstalen van Europa, erkend als rijkstaal, met een levendige schriftelijke, literaire en wetenschappelijke cultuur. Fries is een verplicht vak in basis- en voortgezet onderwijs, er kan eindexamen in worden gedaan en het is een universitaire studierichting. Er is een hele reeks Friestalige peuterspeelzalen geopend. Veel nieuwkomers volgen spreek- en schrijfcursussen Fries, en er wordt doorlopend nieuw onderwijsmateriaal geproduceerd, tot en met een online zelfstudie. Ouders krijgen bij de geboorte van een kind een Fries ‘taaltaske’, het is geen enkel probleem om beroemdheden te verwerven als Friese taalambassadeurs – enzovoorts, enzovoorts.

Maar er zijn ook andere geluiden. Het elan van het Fries in de maatschappij is een stuk minder dan in de jaren veertig tot en met zestig van de vorige eeuw, constateerde hoogleraar Friese letterkunde Goffe Jensma een paar dagen geleden nog in deze krant. Friese boeken worden weinig geschreven, bij het invoeren van Friese plaatsnamen zijn er onmiddellijk protesterende ondernemers ( “niemand weet wat Drylts is!”) en de watersportscholen zijn vervuld van afschuw over de overstap naar Friese waternamen. Dat zijn allemaal illustraties van het feit dat het levend houden van een taal voortdurende stimulansen behoeft. Als dat gebeurt, is resultaat mogelijk: krachtig beleid met een fikse nationale overheidssubsidie heeft het aantal jeugdige Welsh-sprekers sinds 1991 doen groeien met 13 procent.

En waarom was dat allemaal ook weer zo belangrijk? In de eerste plaats draagt een zo divers mogelijk palet aan talen bij aan Europa’s culturele rijksdom en traditie. Dialecten zijn de taal van het volk, de taal van het hart, de taal van de geschiedenis. Het kan fungeren als smeerolie in het maatschappelijk en zakelijk verkeer. In de tweede plaats maakt het van jongs af beheersen van meer dan één taal het later veel makkelijker om later andere talen te leren. Dat is zeker in een tijd van globalisering geen kleinigheid.

Nederland was in 1992 een van de eerste landen die het handvest ondertekende en ratificeerde. Het is jammer dat het vooral een symbolische handeling is gebleken en dat meer dan tien jaar na het van kracht worden van dat verdrag nog steeds vastgesteld wordt dat het rijk in de praktische uitvoering faalt. Het wordt tijd dat Den Haag oog krijgt voor de culturele en praktische waarde van een levendige streektaal naast het ABN.

Boarne: Friesch Dagblad, 17-07-2008, s. 5

FFU: Sjoch ek by ‘Brieven, ynkommen 2008’: Konsultatyf Orgaan:  It tredde rapport fan de Ried fan Europa  oer it nimmen fan maatregels foar it Frysk, de konklúzjes en oanbefellings en Keamerfragen dêroer.

Fierders moat Ried fan Europa net ferwiksele wurde mei de Europeeske Uny (EU). Dat lêste orgaan ‘monitoart’ it Fryske taalbelied net en der is ek gjin EU-noarm fan seis oeren Frysk ûnderwiis wyks. Dat binne oant no ta saken fan de Ried fan Europa.

<< Werom nei 'Poadium 2008'