De afgelopen weken verschenen er in deze krant vier bijdragen over het voor en tegen van de Friese historische canon. Als Commissie Canon zijn we uiteraard blij met zoveel aandacht, maar maken we ook graag gebruikt van de geboden gelegenheid om een slotreactie te geven. Door Goffe Jensma.
Opinie
Een canon leent zich uitstekend voor een vruchtbare verbinding tussen de leersituatie op school en de samenleving
Het begrip canon werd tot een paar jaar geleden veel meer gebruikt in de literatuur dan in de geschiedenis. In de literatuurtheorie geldt het begrip als ‘een verzameling van literaire werken, die door alle bij de literatuur betrokken partijen – lezers, schrijver, uitgevers, critici, leraren enzovoort – als waardevol erkend worden en die dienen als referentiepunt in de literaire beschouwing en in het onderwijs’. Deze, gedeeltelijk aan Van Dale ontleende definitie wijst op een paar essentiële eigenschappen. In de eerste plaats berust een canon op overeenstemming. Deze consensus moet vervolgens worden bereikt tussen alle partijen die bij het onderwerp van de canon betrokken zijn. De canon fungeert dus met andere woorden binnen een bepaalde groep van belanghebbenden die het met elkaar eens zijn.
Een implicatie hiervan is dat een comité van wijze mannen en vrouwen niet zomaar, geheel naar eigen inzicht en smaak, een canon kan vaststellen. Zo’n commissie beslist niet wat de canon zal zijn, maar probeert eerder te verwoorden wat zij denkt dat de canon is, dus waarover al overeenstemming bestond.
Ook ons rapport over de historische canon van Friesland heeft deze status. Het is een poging om te verwoorden wat vooral in Friesland de gemiddelde mening is over de Friese geschiedenis is en om deze vervolgens zo te presenteren dat ze geschikt is voor het onderwijs. Ik denk dat we in beide opzichten, in ieder geval voorlopig, redelijk zijn geslaagd.
Toen we als commissie de onderwerpen begonnen vast te stellen, bleek na één of twee vergaderingen dat we het over 70 tot 80 procent van de vensters eens waren. Het bleek daarna dat veruit het grootste deel van deze onderwerpen ook voorkwam in oudere canonachtige literatuur of in vergelijkbare recente lijstjes, zoals bijvoorbeeld het door het Friesch Dagblad en de Fryske Akademy samengestelde boek Het verleden van Friesland. In dat laatste werk zijn misschien soms iets andere blikvangers gekozen, maar de verschijnselen en ontwikkelingen waarvoor deze figuren representatief worden geacht, zijn grotendeels gelijk. Conclusie: er bestaat eigenlijk veel meer overeenstemming dan verschil van mening over wat in de geschiedenis van Friesland belangrijk is.
Natuurlijk ontstaat er achteraf wel degelijk discussie. Dat is ook prima. Een canon is immers voortdurend in ontwikkeling en moet ook voortdurend ter discussie staan. Om deze redenen hebben wij, net als de landelijke commissie Van Oostrom, de provincie aanbevolen om over vijf jaar op grond van alles suggesties, kritiek en commentaar de canon te herijken en bij te stellen. In de tussenliggende jaren zullen we bovendien allerlei suggesties vooral vanuit het onderwijs al op de website www.11en30.nu verwerken. De soms kritische beoordeling van onze canon in het Friesch Dagblad hoort kortom bij het proces van canonvorming zelf. Achtereenvolgens verschenen artikelen van de hand van Douwe Kooistra, Pieter Anko de Vries, Erik Betten (die de Vlaamse pedagogisch consulente Anne Crivits interviewde) en de didacticus Arie Wilschut. Alleen De Vries is het niet eens met de keuze van de onderwerpen. Vervolgens heeft ook een aantal van de critici moeite met de achterliggende motieven van de commissie en ook met de opvattingen die de canoncommissie er over (Friese) geschiedenis op nahoudt. Ten slotte bestaan er twijfels over de waarde van de canon voor het onderwijs.
Betekenis
De enige die expliciet kritiek heeft op onze keuze van onderwerpen is Pieter Anko de Vries. Zijn recensie draagt de titel Partijdig en onvolledig. Het is een vreemd stuk. Ik heb niet vaak een pot gezien die zo zwart naar een ketel keek. Eerlijk gezegd, als er iets partijdig en onvolledig is, dan is het wel De Vries’ eigen stuk. Dat komt omdat De Vries heeft nagelaten om te doen wat recensenten horen te doen, namelijk goed lezen voordat ze gaan schrijven.
Zo merkt De Vries bijvoorbeeld op dat de canoncommissie onduidelijke selectiecriteria heeft gehanteerd. ‘Neem het venster over Mata Hari’, schrijft hij, ‘Waarom is haar levensverhaal een onderdeel van de canon geworden? De samenstellers laten ons daarover in het duister tasten. Sterker nog, ze betwijfelen zelf of Margaretha Zelle wel als een echte Friezin mag worden beschouwd.’
Maar dat staat er helemaal niet. Wat er wel staat is dit: ‘Mata Hari is de beroemdste Friezin aller tijden, maar hoe Fries was zij eigenlijk?’ In dat ene zinnetje – de beginzin van het stukje – is het motief gegeven. Een canon zonder daarin de beroemdste Friezin aller tijden is ondenkbaar, zoals iedereen zal beamen. Vervolgens problematiseren we dat begrip ‘Friezin’. We laten zien dat het niet toevallig was dat Mata Hari haar carrière buiten Friesland koos. Dat kwam mede doordat langzamerhand voor ambitieuze types als zij in het steeds provincialere Leeuwarden niets meer te halen viel. Dat De Vries die samenhang niet ziet of niet wil begrijpen, ligt aan hem, niet aan onze tekst. Hetzelfde gaat op voor de andere voorbeelden die hij noemt.
In zijn stuk bestrijdt De Vries ook andere opvattingen die in onze canon helemaal niet voorkomen. Als ik me niet vergis, dan wordt zijn standpunt trouwens ook gedeeld door Erik Betten en in mindere mate door Douwe Kooistra. Wat namelijk in alle drie stukken opvalt, is de kritiek dat wij – omwille van de duidelijkheid formuleer ik het wat scherper dan het er staat – alle Friese schoolkinderen verplicht een ouderwets, Fries nationalistisch beeld over geschiedenis door de strot willen drukken en dat wij het schoolkind een eenduidig Friese identiteit willen opdringen.
Omdat De Vries het meest uitgesproken is, beperkt ik me tot zijn stuk. De samenstellers maken zich schuldig, schrijft hij, aan ‘het zien van betekenislagen in de geschiedenis’. Maar betekenis is geen eigenschap van de geschiedenis zelf, zo weet hij, het is de schrijver van een historisch verhaal die betekenis toekent aan wat vroeger gebeurd is.
Ik ben het daarmee hartgrondig eens; zo denkt men tegenwoordig over geschiedenis, zo denk ik en zo dacht de canoncommissie ook. In het boek hebben wij, op een voor het onderwijs bevattelijke manier, dan ook juist proberen te laten zien dat geschiedenis inderdaad niet iets vaststaands is – een betekenislaag buiten de mens om –, maar dat mensen voortdurend opnieuw en op verschillende manieren betekenis geven aan hun verleden en ook steeds opnieuw hun eigen (Friese) identiteit uitvinden. Bijvoorbeeld op bladzijde 10 van ons canonboek wordt dit uitgebreid uitgelegd: ‘Door de tijd heen hebben mensen naar hun geschiedenis gekeken en er betekenis aan gehecht. Onder die betekenistoekenning is er geen geschiedenis, kunnen historische feiten niet worden gekend of beleefd. Daarbij doet zich het verschijnsel voor dat wat door de geschiedenis heen hetzelfde heet, niet ook steeds hetzelfde hoeft te betekenis. Woorden als ‘Fries’of ‘vrijheid’ zijn door de hele Friese geschiedenis heen ontelbare malen gebruikt. De betekenis die mensen aan deze woorden toekennen, verschilt echter door de tijd heen’. De insteek van de canon als geheel is nu juist om de leerling aan het nadenken en aan het discussiëren te krijgen.
Maar de Vries heeft blijkbaar een andere tekst gelezen. Langzamerhand werkt hij naar zijn eindconclusie toe. Hij meent dat in de canon een soort nationalistisch en socialistisch ideaalbeeld van de Friese geschiedenis als norm wordt gehanteerd. Alleen al uit de bovenstaande citaten blijkt dat daarvan natuurlijk geen sprake is.
Nut voor het onderwijs
De didacticus Arie Wilschut heeft in zijn bijdrage tenslotte andere kritiek, namelijk op de canon als onderwijsmiddel. Het Nederlandse geschiedenisonderwijs is nog niet zo lang geleden opnieuw gestructureerd in tien algemeen-historische tijdvakken, waarin ‘kenmerkende aspecten’ van het verleden verplicht geleerd moeten worden. Waarom dan nu al weer een andere indeling invoeren? Beide systemen, dat van de canon en dat van de tijdvakken, kunnen volgens hem slecht in el;kaar worden geschoven. Ik zie dat bezwaar niet zo; Wilschut verkijkt zich mijns inziens op de kracht van het gebruik van vensters, van highlights die representatief [zijn] voor grotere ontwikkelingen. Mits de docenten voldoende kwalitatief hoogstaande informatie krijgen aangereikt – en het is de bedoeling om de canonwebsite ook in deze zin te gaan gebruiken – en mits ze deze informatie met de nodige flexibiliteit kunnen gebruiken bij hun lessen, zijn die vensters juist een uitstekend middel om bredere ontwikkelingen te laten zien. Een extra argument voor gebruik van de canon met zijn vensters is dat deze betere mogelijkheden biedt tot multimediale presentatie dan een meer op tekst gerichte aanpak. Bovendien leent een canon zich uitstekend voor een vruchtbare verbinding tussen de leersituatie op school en de samenleving (in de directe omgeving, maar ook in musea).
Want daar draait het toch uiteindelijk allemaal om. De geschiedenis moet op fietsafstand worden gebracht, voelbaar worden gemaakt. Daar ligt het begin van historisch denken. Juist de Friese geschiedenis biedt voor schoolkinderen in Friesland de mogelijkheid om datzelfde historische besef kritisch te kunnen inzetten en om de eigen identiteit in het spanningsveld tussen het lokale en het globale stap voor stap te ontdekken.
Goffe Jensma is bijzonder hoogleraar Friese taal- en letterkunde en een van de samenstellers van de canon
Boarne: Friesch Dagblad, 27-02-2009, s. 5
FFU:De FFU hat der jierrenlang foar krewearre om ta in Fryske kanon te kommen en dy is der no. Treflik! No de ymplemintearje yn it ûnderwiis noch. Sjoch foar ús aksjes by ‘Brieven 2006, útgien’, mei ûnderskate oanklikmooglikheden (bgl. 11-12-2006: FFU-In eigen Fryske kanonkommisje II.pdf; 03-06-2006: FFU-In eigen Fryske kanonkommisje.pdf). Yn de parse is wiidweidich omtinken jûn oan it ferskinen fan de Fryske kanon (sjoch bgl. by ‘Aktueel’, 11/12-11-2008). Jo kinne ús yn ús wurk stypje troch lid of stiper te wurden.