Aktueel, 01-12-2005
Nederlandstalige lekenpraatjes van Van der Bij en Valk bij hun promotie op 1 des. 2005 over Fries in het voortgezet onderwijs, een Echternachse processie

1. Lekenpraatje van Jaap van der Bij
In het begin van de jaren negentig was het aantal leerlingen dat Fries als examenvak koos in het havo en het vwo tot een minimum gezakt. En dat terwijl in de jaren tachtig er tientallen leerlingen wel Fries kozen. Het provinciebestuur vond dat daaraan iets moest veranderen en stelde daarom een platform in om haar te adviseren om verbetering te brengen in deze ongewenste situatie. Zeven rectoren kregen zitting in het platform. In 1997 stelde het provinciebestuur ƒ 180.000 beschikbaar voor een project. Het project werd uitgevoerd van 1997 tot 2002.

Bij de start van het project werd aan Renze en mij gevraagd een evaluatie-onderzoek te doen naar de effecten van het project. Een zogenaamde productevaluatie. Uit de opsomming van de producten of doelstellingen van het project is de redenering van het platform te reconstrueren.

Het begin lag bij het vergroten van het aantal leerlingen dat Fries zou kiezen (de oorspronkelijke doelstelling). Een middel daartoe zag het platform in een attitudeverbetering ten opzichte van het Fries (de tweede doelstelling maar eigenlijk een middel). De eerste doelstelling werd nog verder opgerekt toen het definitieve projectplan een algehele positieverbetering van Fries in de scholen beoogde (de derde en misschien wel de belangrijkste doelstelling). Er werd mee bedoeld dat er vaker Fries als voertaal zou worden gebruikt in de andere lessen, vergaderingen en ouderavonden, zowel mondeling als schriftelijk.

Tegelijk wilde het provinciebestuur graag geïnformeerd worden over het proces van de veranderingen door het project. Kortweg: wat was succesvol, wat niet en wat zou er verbeterd moeten worden. Ons onderzoek omvat daardoor naast de productevaluatie tevens een procesevaluatie.

In onze dissertatie doen wij verslag van onze bevindingen. Het boek is opgedeeld in drie delen:

Deel 1 is een beschrijving van de positie van het Fries in de afgelopen eeuwen. In het bijzonder in het onderwijs met de nadruk op het voortgezet onderwijs.

Deel 2 geeft een beschrijving en analyse van het projectplan, de onderzoeksopzet en de resultaten van het project.

Deel 3 is een reflectie op de resultaten waarbij wij ons hebben afgevraagd welke omstandigheden er toe geleid hebben dat het project meer of minder succesvol is geweest. Dit deel wordt afgesloten met een dertiental aanbevelingen aan het provinciebestuur als opdrachtgever en aan de scholen voor voortgezet onderwijs in Fryslân.

Methodologie
Om het effect van het project te meten, hebben we een vergelijking gemaakt met twee controlescholen. Simpel gezegd: wanneer de veranderingen op de vier doelstellingen zich alleen voordoen op de projectscholen en niet op de controlescholen, mag worden aangenomen dat de veranderingen aan het project mogen worden toegeschreven.

Aan het begin van het project (in 1997) is op de project- en controlescholen een zogenaamde nulmeting uitgevoerd. Dezelfde meting is gedaan aan het eind van het project (2002). Door een vergelijking van de twee meetmomenten kon worden vastgesteld of er zich op de project- en controlescholen veranderingen hebben voorgedaan.

Voor de eerste doelstelling is meten niet moeilijk. Een kwestie van tellen van het aantal examenkandidaten voor en aan het eind van het project. Met de opdrachtgever (de provincie) zijn de streefgetallen vastgesteld.

Om de effecten op de tweede doelstelling te kunnen meten, hebben we eerst een attitudeschaal ontworpen en uitgeprobeerd op twee scholen voor voortgezet onderwijs, niet zijnde project- dan wel controlescholen. De attitudeschaal is met behulp van het computerprogramma SPSS gestandaardiseerd. Voor de leerlingen en leraren zijn twee afzonderlijke attitudeschalen gemaakt.

Voor de derde doelstelling is gebruik gemaakt van vragenlijsten voor de leraren.

Resultaten
1. Meer leerlingen kiezen Fries als examenvak
Deze doelstelling is voor 89% gehaald. Op de projectscholen hebben 142 leerlingen Fries als examenvak gekozen. Op de controlescholen en ook op de andere scholen voor voortgezet onderwijs in de provincie waren geen leerlingen met Fries in hun pakket. De scholen lieten onderling grote verschillen in percentage zien.

2. Het ontwikkelen van een positievere attitude ten opzichte van het Fries bij leerlingen en leraren
Bij de leraren stelden we vast dat er aan het eind van het project een significant positievere attitude was in vergelijking tot het begin van het project. Dit positieve resultaat werd veroorzaakt door de positievere attitude van de leraren op één van de projectscholen. Bij de leerlingen heeft zich tijdens het project geen attitudeverandering voorgedaan. Op de controlescholen was noch bij de leraren noch bij de leerlingen een verandering in attitude vast te stellen.

3. De positie van het Fries op de scholen is als gevolg van het project verbeterd
Uit de vergelijking tussen het begin en het eind van het project blijkt dat er geen significant verschil is met betrekking tot de positie van het Fries op de projectscholen en de controlescholen. Er werd op de projectscholen niet vaker Fries gebruikt dan op de controlescholen. Hoewel een verandering niet blijkt uit de toetsing, geven de projectcoördinatoren op de scholen aan dat zij wel verschillen waarnemen in het taalgedrag van de leraren ten gunste van het Fries.

De resultaten gewogen
Naast het meten van de effecten van het project was onze opdrachtgever geïnteresseerd in de factoren die tijdens het project meer of minder succesvol bleken te zijn. Het derde deel van onze dissertatie is aan deze procesevaluatie gewijd.

In deze zitting ga ik op een tweetal zaken kort in.

1. De Friese scholen kennen een lange 'Hollandstalige' traditie. Sinds de Middeleeuwen is het Fries steeds meer verdrongen uit de officiële domeinen. Voor het Fries was in de kerk, school en bestuur steeds minder ruimte. Voor de inwoners van Fryslân ontstond daardoor een ongeschreven wet voor de plaatsen waar je Hollands dan wel Fries gebruikte. Door de eeuwen heen is er daardoor een situatie gegroeid waarbij men zou kunnen spreken van een verborgen leerplan. Wij gebruiken daartoe ook de term impliciet leerplan. Het belangrijkste kenmerk van een impliciet leerplan is dat het in dit geval de taligheid bepaalt zonder dat de gebruikers zich bewust zijn van de gevolgen van dit gedrag. Om daarin verandering te brengen vraagt een heel specifieke aanpak.

2. Het project meende door een attitudeverandering de positie van het Fries in de scholen te verbeteren. Het project beoogde een attitudeverandering: directies, leraren en leerlingen zouden vaker Fries moeten gebruiken. Uit de literatuur is echter bekend dat niet elke attitudeverandering gevolgd wordt door een gedragsverandering. Er is wel een wisselwerking tussen gedrag en attitude maar er bestaat geen causaal verband tussen deze twee. Uit ons onderzoek blijkt nogmaals, zoals ook op andere plaatsen is vastgesteld, dat de attitude ten opzichte van het Fries niet bijzonder negatief is. Wij zouden daarom in een vervolgproject aanbevelen minder de klemtoon te leggen op attitudeverandering, maar meer op taalgedragsverandering. Ook op dit punt zijn de scholen zich onvoldoende bewust geweest van de specifieke aanpak die daarvoor vereist is.

Wij hopen dat wij met ons onderzoek een bijdrage geleverd hebben aan het onderkennen van de valkuilen die een fundamentele taalgedragsverandering op de scholen met zich meebrengt. Tegelijk hopen we een aantal bouwstenen voor een bewuster taalbeleid te hebben aangedragen.

2. Lekenpraatje van Renze Valk
In het begin van de jaren negentig was het aantal leerlingen dat Fries als examenvak koos in het havo en het vwo tot het nulpunt gezakt. En dat terwijl in de tachtiger jaren tientallen leerlingen Fries wel kozen. De provincie vond dat daar verandering in moest komen en stelde een platform in om haar te adviseren om verbetering in die situatie te brengen. Zeven rectoren kregen zitting in dat platform. In 1997 stelde het provinciebestuur ƒ180.000 beschikbaar om de plannen van het platform uit te voeren in een project. Het project werd uitgevoerd van 1997 tot 2002.

Aan het begin van het project werd aan Jaap en mij gevraagd een evaluatieonderzoek te doen naar de effecten van het project. Een zogenaamde productevaluatie . Tegelijk wilde het provinciebestuur graag geïnformeerd worden over het proces van de veranderingen door het project. Kortweg: wat was succesvol en wat niet en wat zou er verbeterd moeten worden. Het onderzoek omvat daardoor naast de product evaluatie tevens een proces evaluatie.

Uit de opsomming van de producten of doelstellingen van het project is de redenering van het platform te volgen. Het begin was dat er meer leerlingen Fries zouden kiezen (de eerste doelstelling). Een middel daarvoor zou een attitudeverbetering ten opzichte van het Fries moeten zijn (tweede doelstelling maar eigenlijk een middel). De oorspronkelijke doelstelling werd nog verder opgerekt toen het definitieve projectplan de algehele positieverbetering van het Fries in de scholen op het oog had (de derde en misschien wel belangrijkste doelstelling). Er is ook nog een vierde doelstelling namelijk het maken van een opzet voor een programma voor de jaren waarin na het eerste leerjaar geen lessen Fries worden gegeven (de tussenliggende jaren).

In onze dissertatie doen wij verslag van de uitkomsten van het project. De afsluiting vormen 13 aanbevelingen aan het provinciebestuur als opdrachtgever en aan de scholen voor voortgezet onderwijs in Fryslân.

Methodologie
Om het effect van het project te meten, hebben we een vergelijking gemaakt met twee controlescholen. Simpel gezegd: wanneer de veranderingen op de doelstellingen zich alleen voordoen op de projectscholen en niet op de controlescholen, mag worden aangenomen dat de veranderingen aan het project zijn toe te schrijven.

Aan het begin van het project (in 1997) is op de project- en controlescholen een nulmeting uitgevoerd. Dezelfde meting is gedaan aan het eind van het project (2002). Door een vergelijking van de twee meetmomenten kon worden vastgesteld of er zich op de project- en controlescholen veranderingen hebben voorgedaan.

Voor de eerste doelstelling is meten niet moeilijk. Een kwestie van tellen van het aantal examenkandidaten voor en aan het eind van het project. Met de opdrachtgever (de provincie) zijn de streefdoelen vastgesteld.

Om de effecten op de tweede doelstelling te kunnen meten, hebben we eerst een attitudeschaal ontworpen en uitgeprobeerd op twee scholen voor voortgezet onderwijs, niet zijnde project- dan wel controlescholen. De attitudeschaal is met behulp van het computerprogramma SPSS gestandaardiseerd. Voor de leerlingen en leraren zijn twee afzonderlijke attitudeschalen gemaakt.

Voor de derde doelstelling is gebruik gemaakt van vragenlijsten voor de leraren en voor de v ierde doelstelling hoefde alleen vastgesteld te worden of er wel of niet een opzet voor een programma was ontwikkeld.

Resultaten
1. Meer leerlingen kiezen Fries als examenvak
Deze doelstelling is voor 89% gehaald. Op de projectscholen hebben 148 leerlingen Fries als examenvak gekozen. Op de controlescholen en ook op de andere scholen voor voortgezet onderwijs waren geen leerlingen met Fries in hun pakket.

2. Een positievere attitude ten opzichte van het Fries bij leerlingen en leraren
Bij de leraren stelden we vast dat er aan het eind van het project een significant positievere attitude was in vergelijking tot het begin van het project. Dit positieve resultaat werd vooral veroorzaakt door de positievere attitude van de leraren op één van de projectscholen. Bij de leerlingen heeft zich tijdens het project geen attitudeverandering voorgedaan. Op de controlescholen was noch bij de leraren noch bij de leerlingen een verandering in attitude vast te stellen.

3. De positie van het Fries op de scholen is als gevolg van het project verbeterd
Uit de vergelijking tussen het begin en het eind van het project blijkt dat er geen significant verschil is met betrekking tot de positie van het Fries op de projectscholen en de controlescholen. Hoewel een verandering niet blijkt uit de toetsing, geven de projectcoördinatoren op de scholen aan dat zij wel verschillen waarnemen in het taalgedrag van de leraren ten gunste van het Fries.

4. Een aanzet ontwikkelen voor een programma Fries voor de tussenliggende leerjaren van de onderbouw havo en vwo
Na de evaluatie van de basisvorming zouden er nieuwe kerndoelen Fries worden vastgesteld. Helaas kwamen die kerndoelen niet binnen de projectperiode met als gevolg dat er niet een aanzet voor een programma is gemaakt.

De resultaten gewogen
Naast het meten van de effecten van het project was onze opdrachtgever geïnteresseerd in de factoren die tijdens het project meer of minder succesvol bleken te zijn. Het laatste deel van onze dissertatie is aan deze procesevaluatie gewijd.

Het project zou door een attitudeverandering de positie van het Fries in de scholen verbeteren. Het project beoogde door een taalgedragsverandering bij directies, leraren en leerlingen er voor te zorgen dat er vaker Fries in de scholen zou worden gebruikt. Uit de literatuur is bekend dat niet elke attitudeverandering gevolgd wordt een gedragsverandering. Er is wel een wisselwerking tussen gedrag en attitude, maar er bestaat geen causaal verband tussen deze twee. Uit ons onderzoek blijkt, zoals ook op andere plaatsen is vastgesteld, dat de attitude ten opzichte van het Fries niet erg negatief is.

Het impliciete leerplan
In zijn lekenpraatje is Jaap ingegaan op de invloed van het ‘Hollands' in Fryslân en het impliciete leerplan. Ik ga nu ook nog even in op dat impliciete leerplan in relatie tot het project. Het is van belang dat het team van de school zich bewust is van dat impliciete leerplan. In het project is dat niet aan de orde geweest, omdat het project zich afspeelde in de marge van de schoolorganisatie. Het bleek dat het project bij velen niet bekend was en was het dat wel, dan werd het vaak gezien als een project van het vak Fries. Het bleek dat de scholen zich bij het aangaan van het project niet goed bewust zijn geweest van de consequenties die het project voor de hele schoolorganisatie en dus voor de individuele leraar zou moeten hebben. Tegen die achtergrond is dan ook onze conclusie dat in een vervolgproject voor het verbeteren van de positie van het Fries in de scholen de directie zich volledig achter het project dient te stellen en er ook sturing aan dient te geven. Bij voorbeeld om bij de leraar het impliciete leerplan bewust te maken.

In een vervolgproject zal het accent dienen te liggen op het taalgedrag en niet op de attitudeverandering. Gezien de voor het grootste deel niet bewuste overheersende positie van het Nederlands in de scholen voor voortgezet onderwijs in Fryslân zal in een vervolgproject ook aan de bewustwording van de taalverhoudingen in de cultuur van de eigen school zeer expliciet aandacht dienen te worden besteed. In relatie daarmee zal een taalactieplan dienen te worden uitgewerkt. Om deze hele exercitie tot een goed einde te brengen, bevelen wij ten aanzien van de begeleiding aan om de activiteiten in een vervolgproject niet alleen te richten op productontwikkeling, maar met name ook op de ondersteuning van het proces.

Omdat leerlingen voor de keuze van een vak in het examenpakket ook vaak kijken naar de waarde van zo'n vak in de maatschappij, is het van belang dat ook uit de maatschappij de vraag naar Fries groter wordt. Wij geven het provinciaal bestuur dan ook de aanbeveling om naar instellingen en bedrijven toe te bevorderen dat die vraag er meer komt .