Sarah Blom
Tussen oud en nieuw
Volgens pedagoog Thomas Ziehe moeten jongeren tegenwoordig al zoveel kiezen dat ze op school juist structuur nodig hebben.
Op 14 NOVEMBER [2006] hield de Duitse hoogleraar pedagogiek Thomas Ziehe een lezing aan het Amstelinstituut van de Universiteit van Amsterdam. Het was zijn eerste optreden in Nederland. In diverse Europese landen is hij een gewild spreker vanwege zijn aansprekende analyse van wat jongeren beweegt en wat dat betekent voor de school. Ziehe is historicus, psycholoog en socioloog en was leraar geschiedenis en dans. Nu werkt hij aan de universitaire lerarenopleiding in Hannover.
Volgens Zieke hebben twee culturele veranderingen diep ingegrepen in de leefwereld van jongeren en in hun verhouding tot school. De eerste verandering is dat de populaire cultuur de leidende cultuur is geworden. De tweede is dat de ‘hoge’ cultuur niet meer normatief is. Leerlingen van tegenwoordig hebben hun eigen ‘zelfwereld’, die wordt beïnvloed door leeftijdgenoten, internet, markt, media, en vooral door muziek – niet meer door normen uit de ‘hogere’ cultuur. Jongeren kijken op een andere manier naar school dan vorige generaties.
Zitten leerlingen nu meer in een ‘zelfwereld’ dan in de jaren zestig en zeventig?
“De zelfwereld werkt als een filter. Jongeren moeten in deze tijd heel veel zelf kiezen. Vragen als ‘accepteer ik dit?’, ‘is dat wel handig voor mij?’, ‘vind ik dit wel oké?’ zoemen door hun hoofd. In vorige generaties bestond de zelfwereld ook, maar die was eerder een eiland. Je hield vroeger je zelfwereld geheim. Zeker je ouders en leraren mochten er niets van weten. De moderne zelfwereld is meer openbaar. Jongeren nemen hun zelfwereld overal mee, naar de sportclub en disco, en ook naar school. De zelfwereld is het middelpunt van het wereldbeeld van jongeren geworden. Dat heeft een goede, bevrijdende kant. De keerzijde is dat de afstand tot de officiële taken van de school is vergroot.”
Geldt deze verandering wel voor alle jongeren?
“Ja, maar het maakt uit of je bent opgegroeid in zo’n vrije en geïndividualiseerde samenleving, of dat je er pas later intreedt. Mensen uit de middelbare leeftijdsgroep hebben zich wel aangepast. Zij hebben ook hun zelfwereld. Maar die staat in contrast met hun eigen opvoeding. Zij kunnen de culturele veranderingen als een bevrijding beleven, óf juist als iets waar je bang voor bent. Bij migranten zie je ook beide reacties. Het verschil met de beleving van de huidige jongeren is, dat die geen contrast hebben ervaren. Vrijheid en eigen keuzes maken is er met de paplepel ingegoten. De populaire dj Bobo vergeleek zichzelf laatst met Mick Jagger: ‘Waarom zou ik een hotelkamer in puin slaan als ik daarvoor niet in de stemming ben?’ Bobo begreep Jaggers drijfveer niet. Zijn generatie ziet elk gedrag als een individuele keuze die voortvloeit uit de stemming, voorkeur of (on)vermogen. De paradox is dat het jongeren onzeker maakt en bij hen een verlangen naar stabiliteit oproept. Het punt is ook dat het de pedagogen van de generaties ’68 zijn die de pedagogische concepten hebben bedacht die nu gelden. Zij denken dat meer vrijheid bij het leren leerlingen zal motiveren: een ochtend lang bezig zijn met Frans, bijvoorbeeld. Maar leerlingen willen liever een 45-minutenrooster. Zij hebben behoefte aan structuur, juist omdat ze er niet mee zijn grootgebracht.”
In Nederland woedt het debat over het nieuwe leren. Voorstanders denken dat traditionele didactiek niet meer werkt en willen leerlingen meer verantwoordelijkheid geven voor hun eigen leren. Een goede oplossing?
“Nee, al begrijp ik deze reactie goed. Als de school meer vrijheid en keuze aan de leerling geeft, dan verdubbelt ze de zelfwereld van de jongeren. De impliciete boodschap van de jongeren is juist: maak de school anders dan mijn zelfwereld. Geef me structuur want dat ervaar ik als een opluchting. De meeste leerlingen worden onrustig van te grote openheid en individualisering: ‘anders moet ik nog meer kiezen’. Openheid en individualisering maken het moeilijk een sfeer te scheppen die leerlingen omarmt en vasthoudt.”
Tegenstanders van het nieuwe leren willen terug naar de traditionele kennisoverdracht en toetsen. Kunt u zich dan eerder in hun standpunt vinden?
“Nee, met hen ben ik het evenmin eens. Mijn idee is dat het ‘verpakken’ van de inhoud essentieel is. ‘Verpakking’ is een nieuwe metafoor die duidelijk maakt dat in het leerklimaat en in de stijl van de leraar de sociale kant heel belangrijk is geworden. Streng zijn in de traditionele zin hoort daar niet bij. Leerlingen hebben een bijna onlesbare dorst naar gezien en erkend worden. In een klas met dertig leerlingen is dat niet te bedienen en dat moet ook niet.”
Maar een leraar zou niet denigrerend moeten doen over de onwetendheid van zijn leerlingen en ook niet voortdurend moeten willen beoordelen. Wanneer hij zijn vak zo verabsoluteert, wordt leren voor leerlingen een onneembare berg waarop de leraar staat te roepen: ‘je komt er toch nooit!’ Het is wél goed dat een leraar enthousiast is voor zijn vak. Maar in deze tijd moet een leraar begrijpen dat zijn vak voor een leerling een vreemde wereld is en dat een leerling zich daartegenover onzeker voelt.”
Hoe overbrugt de school de afstand van jongeren tot kennis?
“Ten eerste zou de school haar taak in kennisoverdracht kunnen herdefiniëren. Waar onderwijsvernieuwers als reactie op de ‘stoffige boekenwereld’ steeds de ‘ramen willen opengooien’ zou ik zeggen: hou die maar eens dicht zo nu en dan. Neem leerlingen mee op reis naar vreemde werelden van symbolen, fictie en wetenschappelijke voorstellingen. Oefen met teksten lezen en met argumenteren, want daarmee hebben ze meer moeite dan vorige generaties. En over deze taak moet de school niet verontschuldigend doen, maar zelfverzekerd. De leraar zie ik als een reisleider naar vreemde gebieden. Hij haalt de leerlingen tijdelijk uit hun zelfwereld zonder die in de schaduw te stellen van de vreemde gebieden. Dat kan niet meer en zou ook fnuikend zijn voor hun vertrouwen in wat ze kunnen leren.
“Verder gaat het om de verpakking. Die moet de afstand overbruggen. Dat kan door een sociale orde te scheppen waarin leerlingen zich gesteund voelen, maar die hen tegelijkertijd in staat stelt los te komen uit hun zelfwereld. Kleine rituelen zijn belangrijk. Vroeger stonden de leerlingen op als de leraar binnen kwam. Nu moet hij iets anders bedenken. Er is een documentaire Rhythm is it!, die in Duitsland diepe indruk heeft gemaakt. De Berliner Philharmoniker en een choreograaf bedachten een sociaal project met leerlingen van een praktijkschool. De jongeren zullen een dans maken en instuderen op de Sacre du Printemps van Strawinsky. Aan het begin laat de choreograaf ze vijf minuten doodstil staan voor de witte wand van het gymlokaal. Dat vinden de jongeren heel moeilijk en ‘niet leuk’. Ze haken af en er ontstaat een discussie met de choreograaf. Die wijst hen op het verschil tussen iets dat ‘leuk’ is en iets dat een dieper gevoel van tevredenheid geeft. Voor dat laatste moet je moeite doen. Hij houdt ze voor dat het de moeite waard kan zijn met hem door te zetten, omdat ze dan trots op zichzelf kunnen zijn. Dat helpt, want de meesten zullen doorgaan tot de eindprestatie voor een enthousiast publiek van tweeduizend mensen. Die vijf minuten stilstaan kun je zien als een ritueel om deze jongeren in een andere wereld te krijgen. Zoiets, maar dan wat minder extreem, lijkt me voor een gewone klas ook haalbaar. Ik denk aan een hoffelijke en omarmende sfeer. Op een bepaalde manier intiem, maar niet zoals in een gezin. Gestructureerd, maar niet streng.
“Tenslotte vind ik dat leraren leerlingen op een andere manier zouden kunnen motiveren. Uit de klassieke motivatietheorie komt het beeld dat de leraar de leerling motiveert door bij diens behoeften en belevingswereld aan te sluiten. De leerling van tegenwoordig leeft in een staat van innerlijke motivatieconflicten. In zijn heeft hoofd is bij wijze van spreken het licht de hele tijd aan om zijn voorkeuren af te tasten. Het risico om in jezelf vast te lopen is groter dan bij vorige generaties. Besluiteloosheid, of het niet realiseren van genomen beslissingen zijn er signalen van. Net als de choreograaf helpt de leraar leerlingen afstand te nemen van die innerlijke conflicten door met hen voorstellingen te maken van tevredenheid en trots op langere termijn, nadat de nodige inspanning is geleverd. De school zou de leerlingen zo meer innerlijke vrijheid kunnen geven.”
Boarne: NRC Handelsblad (W&O), 30/31-12-2006, s. 45
Neiskrift FFU:
Wy tinke dat Ziehe it goed sjocht en ûnderskriuwe syn analyze. Dat djippe gefoel fan tefredenheid dat goed ûnderwiis jaan kin, is wat oars as ûnderwiis dat útgiet fan it sterk naturalistyske ‘fun’- of ‘lust’-prinsipe. Dêr moat ek by it ûnderwiis yn it Frysk tige foar oppast wurde. It ‘het-moet-leuk-zijn’-prinsipe as útgongspunt sil op ’en doer earslings, bgl. statusferleegjend, foar de Fryske taal en kultuer wurkje.
Yn dat ferbân wize wy ek de naturalistyske pedagogyk fan it ‘nije learen’ fan Luc Stevens folslein ôf. Stevens hat se net (mear?) goed op in rychje en soe net serieus nommen wurde moatte. Struktuer en neo-klassikaal ûnderrjocht, mei in sintrale, learstofoerdragende rol foar de learkrêft, bliuwe altiten fan bûtenwenstich grut belang.
De FFU stiet in kultuerpedagogyske ûnderwiisfilosofy foar foar it ûnderwiis yn de Fryske taal en kultuer. It giet dêrby benammen om it ynlieden yn betsjuttings (kultuer). Reislieder nei frjemde gebieten wêze (Ziehe) dus. Us kultuerpedagogyske opfettings slute hiel goed oan by dy fan Thomas Ziehe.
Sjoch fierders by ‘Poadium’: 30/31-12-2006, Nieuwe leren; 07-12-2006, Het was het Nieuwe Leren in een notendop: ik weet wat jij niet weet, maar jij zoekt het zelf maar uit; Desimber 2006, Het gewone leren; 07-11-2006, Het failliet van het nieuwe leren (Pier Bergsma) en foar mear oer de sekte-ideology fan it ‘Nije Learen’: 18-02-2006, Modieuze ideeën over leren ‘ongefundeerd’.In het nieuwe leren staat de natuurlijke behoefte van de leerling zich te ontwikkelen centraal, stelt Luc Stevens (W&O, 25 november). De basis van dit leren ligt voor Stevens in de wijze waarop een kind de moedertaal leert.
Klinkt mooi. Het slaat alleen nergens op- en geeft een vals beeld van leren, leerlingen en docenten. Voor schools leren is een andere motivatie en een andere benadering nodig.
Stevens omschrijft vraaggestuurde onderwijs als onderwijs waarbij de leerlingen zelf bepaalt wanneer hij wat wil leren en hoe en waarom. Daarbij reageert de docent slechts op de stappen in leerprocessen die het kind wenst te zetten.
Als een leerlingen echter alleen onderwijs krijgt op grond van zijn eigen vragen, hoe kan hij zich dan ooit op een gestructureerde manier ontwikkelen? Waar moet hij in vredesnaam beginnen? Hoe komt hij erachter wat hij wil weten? Hoe stelt hij zichzelf de juiste leervragen? Wat mist hij allemaal omdat niemand hem er ooit op wees? Die Rousseauïstische insteek van Stevens gruwt me tegen. Wat buitengewoon naïef gedacht van deze geachte hoogleraar in ruste.
Stevens omschrijft het moderne onderwijs als een “gestandaardiseerd systeem” waarin “alles is voorgeprogrammeerd”, een “schoolsysteem waarin leerlingen zich stierlijk vervelen”. Dat zal vast voor sommige leerlingen gelden. Natuurlijk hebben zwakke leerlingen een andere benadering nodig dan sterke leerlingen. Ik ril dan ook van zijn stereotyperingen.
Alsof docenten rustig doorwauwelen terwijl de halve klas verveeld achterover hangt. Kom nou toch!
Een goede docent handelt vanuit zijn vakkennis, zijn enthousiasme en zijn liefde voor leerlingen. Hij structureert de leerstof, biedt deze gevarieerd aan en houdt daarbij rekening met de snelle, de gemiddelde en de langzame leerling. Allen zijn op hetzelfde moment klaar voor dezelfde toets, wat voor de sociale cohesie in een groep wenselijk is.
Dat daarbij duidelijk is dat bijvoorbeeld havo-leerlingen een andere aandacht van de docenten behoeven dan gymnasiumleerlingen, dat weet ik maar al te goed, gezien mijn ervaring met lessen Frans op de havo en lessen klassieke talen op het gymnasium. Graag blijf ik dan ook verschoond van theorieën vanaf de zijlijn.
drs. Anneke de Vries, docent klassieke talen en Frans [rubryk ‘brieven’]
Boarne: NRC Handelsblad (W&O, s. 42), 30/31-12-2006
Nieuwe leren
Het lijkt zo mooi, hoe onderwijsadviseur Luc Stevens het beschrijft: de leerlingen maakt zich zorgen over zijn eigen vaardigheden, gaat daar een middag aan werken, en ziet vervolgens het licht (Dat eeuwige wachten, W&O 25 november). Lessen van vijftig minuten zijn uit den boze; het moet anders, de leerlingen gaan blijmoedig en geconcentreerd, hongerig naar zelfontdekte kennis, aan het werk. Als de leraar ‘een punt’ wil maken, roept hij de klas even bij elkaar, en klaar is Kees. Ik weet niet of Stevens wel eens pak ’m beet dertig pubers bij elkaar heeft gezien die hun eigen verantwoordelijkheid nemen: ik wel, er wordt inderdaad veel informatie uitgewisseld en veel geleerd van elkaar … over politiek, over het laatste type mobiel, ontwikkelingen in tv-programma’s, nieuwe oorbellen etcetera. Een enkeling is aan het werk, de nerd meestal, en de rest laat hem of haar vredig zijn gang gaan. Ik heb laatst noch zo’n les zelfontdekkend leren bijgewoond. Het schoot niet op en deed tekort aan het intellect van de leerlingen (en leraren). Onze ontwikkeling staat op zo’n hoog peil omdat wij ‘na-apen’, omdat wij kennis begrijpelijk aan elkaar kunnen overdragen. Als alle generaties alles opnieuw hadden moeten uitvinden, zou de zogenaamde beschaving op een veel lager peil zijn gebleven. Als een timmerman zijn vaak leert, hoeft hij toch ook niet eerst zijn eigen gereedschap te ontwerpen? Waarom zouden kinderen wel zelfstandig bijvoorbeeld de Griekse grammatica moeten ‘ontdekken’?
Gelukkig zijn er experts die hen heel goed kunnen helpen, waardoor er een echte wereld voor hen opengaat, in plaats van een zelfontdekt schemergebied. Laten wij de jeugd recht doen en hun kennis bijbrengen waar ze wat aan hebben en waar ze wat mee kunnen. Nu, voordat hun brein de jeugdige elasticiteit en een hele generatie zijn enige kans op goede scholing verloren heeft.
Annechien Steendijk, docent klassieke talen Amersfoort
Boarne: NRC Handelsblad (W&O, s. 45), 30/31-12-2006
FFU: Sjoch fierders by ‘Poadium’: 30/31-12-2006, Ziehe: jongeren willen dat de school anders is dan hun ‘zelfwereld’; 07-12-2006, Het was het Nieuwe Leren in een notendop: ik weet wat jij niet weet, maar jij zoekt het zelf maar uit; Desimber 2006, Het gewone leren; 07-11-2006, Het failliet van het nieuwe leren (Pier Bergsma). En foar mear oer de sekte-ideology fan it ‘Nije Learen’: 18-02-2006, Modieuze ideeën over leren ‘ongefundeerd’.Alle herstructurering ten spijt wil het maar niet lukken om het onderwijs op een effectieve manier af te stemmen op moderne omstandigheden. […] Integendeel, als men het erop aangelegd had het omgekeerde te bereiken, had men het haast niet betere kunnen doen: het vakinhoudelijk niveau van vele opleidingen is in de afgelopen decennia ernstig verschraald. Universiteiten klagen over een gebrek aan basisvaardigheden onder studenten (variërend van discipline en taalbeheersing tot wiskunde). De ‘algemene vaardigheden’ die leerlingen en studenten ter compensatie daarvan hadden moeten verwerven, blijken veelal minder ontwikkeld dan in de tijd dat er geen specifieke aandacht aan werd geschonken.
Ad Verbrugge, 3 juni
De onvrede met het Nieuwe Leren vindt zijn grond in het feit dat vrijwel alle nieuwe leervormen in de praktijk neerkomen op een stelselmatige reductie van de inhoud en in het verlengde daarvan: minder tijd voor direct contact met docenten. Die reductie is niet toevallig, maar door het onderwijsmanagement gewenst.
Jan Drentje, 19 juni
Vanaf het moment waarop universitaire managers ‘hun’ universiteit als ‘hun’bedrijf zijn gaan beschouwen, wordt elke boodschap niet meer primair op haar informatieve, maar op haar reclamewaarde beoordeeld. Niet de vraag of een bewerking waar of waardevol is, staat voorop, maar de vraag welk effect deze sorteert.
Chris Lorenz, 23 juni
Schoolleiders hebben geld om academici te werven, maar doen het niet en zijn dat voorlopig ook niet van plan. Hun opdracht luidt: houd de hand op de knip, eerst moet de organisatie beter. Het opleidingsniveau van de docenten is een sluitpost.
Ton van Haperen, 6 september
Het plan om alle scholen verplicht open te stellen voor alle kinderen, ook met een handicap, is uitgedacht door lieden, die geen enkel oorzakelijk verband zien tussen maatschappij en school. Die absoluut geen weet hebben van wat er nu al speelt. Bij de huidige basisschoolpopulatie kunnen niet nog eens gehandicapte en moeilijk opvoedbare kinderen worden toegevoegd.
Ronald Lamping, 23 oktober
Kijk naar het Belgische onderwijs, waar orde, discipline, kennis en tucht centraal staan, in samenspraak met respect. Het is niet voor niets dat veel Nederlanders die in de grensstreek wonen, hun kinderen massaal in België naar school laten gaan, hoe ver ze daarvoor ook moeten reizen. Ook is het niveau van onder zuiderburen wat betreft het praktijkonderwijs hoger dan onze ROC-opleidingen.
Naima El Bezaz, 25 november
Boarne: NRC Handelsblad, Jaaroverzicht 2006, 30-12-2006
FFU: Sjoch ek by ‘Poadium’: 30/31-12-2006, Nieuwe leren en it FFU-neiskrift dêrby.Op 4 jannewaris 2006 krige boargemaster Middel yn Drachten it fersyk om syn boargerjierferslach tenei dûbeltalich (Frysk én Hollânsk) te skriuwen. It kolleezje hat de saak fan dat ferslach amper foar tinken nommen. Syn ‘arguminten’ wiene net mear fan dizze tiid.
1. ‘De wetjouwer soe gjin Frysktalich boargerjierferslach foarskriuwe.’ It is mar de iene helte fan de wierheid. De oare is, dat de wetjouwer likemin in Hollânsk ferslach easket. De wetstekst giet sá: de burgemeester brengt (...) een burgerjaarverslag uit (...). Boargemaster Middel hie sadwaande wol kar-út.
2. ‘De oersetting fan de Hollânsktalige tekst soe sinten kostje.’ It is in triviale opmerking. Smellingerlân is in meartalige gemeente en bestjoerders hearre dêrmei te rekkenjen. It is ek in beskamsume opmerking yn in gemeente dy’t koartby noch 12,5 miljoen euro fansiden lein hat (Friesch Dagblad, 13 oktober 2006). Yn Wommels en Ferwert lizze se oersetkosten blierhertich en bliermoedich op it kleed, mar yn de Drachtster b.- en w.-keamer leit it lân oars, hiel oars. Dêr lykje wat euro’s te gean boppe it fûnemintele rjocht fan ús folk op syn eigen taal, ek yn it boargerjierferslach. It kolleezje rûsde de oersetkosten op wol 9.000 euro. En dat soe de kommisje ek wol tefolle fine, moatte b. en w. tocht hawwe. De Burgumer boargemaster koe better rekkenje: syn dûbeltalich ferslach foar noch gjin 4.500 euro.
3. ‘Minsken soene sa goed as net om in Frysktalich ferslach freegje.’ Dat is alwer de iene helte fan de wierheid. De oare is, dat der likemin belangstelling is foar it ientalich Hollânske ferslach. Boppedat, hoe soene no ús lânslju yn it a-kulturele gemeentehûs om in eigentalich ferslach freegje, as it der dóchs net is?
It pièce de résistance fan alle ferwar tsjin út sprake soe in taaloardering wurde moatte. Dêrneffens soe de kolleezjeskriuwerij twatalich (Frysk óf Hollânsk) wurde, en dêrmei soene b. en w. alle Frysk wol keare. Har deafûnis oer myn fersyk om in dûbeltalich ferslach lei al op 9 novimber klear.
It kommisje-oardiel fan 18 desimber waard in djippe teloarstelling foar b. en w.: Middel moet het verslag ook in het Fries schrijven (Friesch Dagblad, 19 desimber).
Bitgummole, B.J. Postma
Boarne: Friesch Dagblad, 29-12-2006 [ynstjoerd]
FFU: Sjoch ek by ‘Aktueel’: 19-12-2006, Middel moet ook in het Fries schrijven en by 'Aktueel 2007': Smallingerland wil jaarverslag voortaan in Fries, 10-01-2007 (A-FD).De docenten Nederlands zijn niet meer de trotse cultuurdragers die zij moeten zijn. Waarom luiden zij de noodklok niet?
RIENTS FABER [‘TE GAST’]
Cultuurhistoricus
Met veel belangstelling neem ik kennis van de argumenten waarmee de betekenis van de Nederlandse taal voor de Nederlandse cultuur wordt verdedigd. Als Friese bewoner van een der Nederlanden, en met als gevolg daarvan een dubbele culturele betrokkenheid, bespeur ik in deze discussie het belang van een bewuster cultuurstreven.
Helaas is gelijk hebben iets anders dan gelijk krijgen. De neerlandici zullen dit zeer zeker ook ervaren nu zij in toenemende mate ontdekken dat de institutionele vanzelfsprekendheid van het onderwijs in de Nederlandse taal teloor gaat. En dan met name het onderwijs vanuit de verworvenheden van het eigen vakgebied.
In tegenstelling tot de verwachtingen die de emancipatoire didactische doelstellingen van de jaren zeventig opriepen, hebben de betreffende leerkrachten alleen maar aan terrein en aanzien ingeboet en weinig laten blijken van maatschappelijke assertiviteit voor hun eigen vakgebied. Een houding die toch minimaal het gevolg had behoren te zijn van hun doelstellingen.
De Friezen, evenals de Vlamingen, hebben eeuwenlang in een positie verkeerd waarin hun moedertaal als een tweederangs taal werd beschouwd. Omdat in Friesland de natuurlijke vanzelfsprekendheid van de eigen taal in het maatschappelijke leven ontbrak, is men hier veel bewuster bezig geweest met het zoeken naar argumenten om de waarde van die eigen taal, cultuur en identiteit binnen objectieve kaders te vatten.
Eigenlijk kunnen de Friezen zich erop beroemen dat zij volgens de waarden van de Europese intellectuele traditie, gekenmerkt door openheid en kritiek, hun talige frustratie op een hoger plan getild hebben.
Het blijft gênant voor de beroepsgroep van de leraren Nederlands dat zo weinigen de noodbel luiden. Binnen het middelbaar beroepsonderwijs (mbo) is in sommige opleidingen het vak Nederlands volledig weggevaagd of minstens in urental gehalveerd, terwijl deze vorm van onderwijs juist pretendeert een brug te slaan tussen vmbo en hbo.
Maar afgezien van dit praktisch argument, is het van belang dat ook aan mensen tussen 16 en 21 jaar goed taalonderwijs wordt geboden. Zij verkeren immers nog in een ontwikkelingsfase die verdere groei van taalgevoel en abstract denkvermogen mogelijk maakt.
In de ideale situatie is de docent Nederlands een trotse cultuurdrager met een beroepseer. Maar zoiets is onmogelijk als de overheid onvoldoende garanties biedt voor een goede structurele continuïteit voor dit vakgebeid in alle lagen van het onderwijs. Daartoe zullen voor alle typen onderwijs de doelstellingen voor het vak Nederlands duidelijk geformuleerd behoren te zijn.
Binnen het huidige mbo bijvoorbeeld ontleent het vak Nederlands zijn bestaanrecht te vaak aan eindtermen in deelkwalificaties die te weinig met het vak Nederlands als zodanig te maken hebben. Binnenkort, wanneer het competentiegestuurde leren helemaal wordt ingevoerd, zal de ramp nog groter zijn.
Door gebrekkige leiding van de overheid in dit opzicht is zij bezig het (taal)huis af te breken dat samenhang en ontwikkeling in de Nederlandse samenleving brengt. Daarom zal de docent Nederlands weer in staat gesteld dienen te worden om het moedertaalonderwijs vanuit zijn vakgebied vorm te geven, niet alleen ten behoeve van de individuele ontplooiing van de mens, maar ook als motor voor de continuïteit van een cultureel collectivum waarin de waarden van de samenleving besloten liggen.
Boarne: Leeuwarder Courant, 27-12-2006
Neiskrift FFU:
Mutatis mutandis. Wylst it fak Nederlânsk yn de ferdrukking liket te kommen yn it mbû, hat it Frysk dêr noch nea in plak hân dat ‘fuortdrukt’ wurde koe, omdat it der net wie. It ûnbrekken fan sa’n plak hat altiten al in grutte ramp west.
De FFU is fan betinken dat de learlingen tusken de 16 en 21 jier yn Fryslân ek goed Frysk taalûnderwiis fanneden hawwe om it taalgefoel yn dy taal te fersterkjen en by te dragen oan in abstrakt tinkfermogen. De learaar Frysk kin dêr dan faaks ek in grutske kultuerdrager wurde mei in beropsear.
De oerheid moat dêr likegoed foldwaande garânsjes foar biede, sadat in goede strukturele kontinuïteit yn alle lagen fan it Fryske ûnderwiis mooglik wurdt. It Fryske (taal)hûs moat (ek) yn it mbû noch altiten opboud wurdt. Dan kin men net sûnder in sterke Fryske oerheid mei in eigen wet- en regeljaand foech op ûnderwiismêd om gearhing en ûntjouwing ta stân te bringen yn it Fryske ûnderwiis.
Dy oerheid moat de dosint Frysk (ek) yn steat stelle om it Frysk taalûnderrjocht út syn fakgebiet wei stal te jaan. Net allinnich foar de yndividuele ûntjouwing fan de minske, mar ek as motor foar de kontinuïteit fan in kultureel kollektivum dêr’t de wearden fan de Fryske maatskippij yn besletten lizze. It Frysk moat in earsterangs taal wurde yn Fryslân! Dan kinne wy ús talige frustraasjes op dat hegere plan ek ôflizze!Waling Dykstra, de 19e-ieuske Fryske breaskriuwer, wie net al te optimistysk as it oer de takomst fan it Frysk gie, mar hûndert jier letter docht wol bliken dat it dwaan fan foarsizzings hiel dreech is. It Frysk libbet noch altyd as in hert, ek op skrift, want it wurdt sa stadichoan in toer om de hiele Fryske literatuer by te hâlden, safolle komt der út.
It ferlet fan it brûken fan it Frysk op skrift liket ek ta te nimmen en dat hat alles te krijen mei nije kommunikaasjemiddels as e-mail en sms. It docht in soad Frysktaligen nuver oan dat sy mei freonen en famylje dêr’t se altyd Frysk mei prate, ynienen yn it Nederlânsk maile/sms’e moatte. Om’t de measten op skoalle net leare om Frysk te skriuwen, jout de Afûk al jierren yn it winterskoft kursussen Frysk. Yn it kommende kursusjier sil it foar in part fan dy kursussen mooglik wurde om se, hiel leechdrompelich, fia [op it] ynternet te folgjen. Ek net-Frysktaligen kinne fia [troch] ynternet Frysk leare. Fansels sille dêrneist de groepskursussen bestean bliuwe, al of net yn kombinaasje mei ynternetlessen, want it sosjale aspekt bliuwt wichtich.
Mar de Afûk stiet ek net stil at [as] it om de befoardering fan meartalich opfieden giet. Yn novimber is de meartalige webside heitenmem.nl online gongen. In side foar (oansteande) heiten en memmen én mamma’s en pappa’s. Der binne Fryske bertegedichtsjes te finen, Fryske foarnammen mei betsjutting, in foarum en der wurdt ynformaasje jûn oer bygelyks meartalich opfieden.
De webside fryskerfskip.nl sil begjin 2007 online te sjen wêze. It doel fan de webside is it Fryske erfgoed (monuminten, kultuer, taal) tichter by de minsken te bringen. De webside is geskikt foar alle minsken dy’t nijsgjirrich binne nei it Fryske ferline, mar ek foar dyjingen dy’t it Fryske erfgoed belibje wolle. Tips oer rûtes [rûten], útstallings, ferhalen ensafuorthinne wize it paad. Boppedat wol de webside it kontakt tusken frijwilligers, mar ek tusken meiwurkers fan kulturele ynstellings op it mêd fan it Fryske kulturele erfgoed stimulearje. Troch elkoar op ’e hichte te hâlden fan nijs oer projekten, aktiviteiten en oare aardichheden kinne hja fan elkoar leare en mooglik op ideeën brocht wurde oer nije aktiviteiten, al of net yn gearwurking.
De F-side is dan wol klear, krekt as de rotonde by Dearsum, mar plannen hat de Afûk noch genôch foar de takomst. De Afûk stiet net stil, en dêrmei de Fryske taal alhielendal net.
Willy van der Meer en Dieuwke Posthumus
Boarne: Leeuwarder Courant, De Fryske side F-SIDE, 2006 wintermoanne wike 51, Lêste edysje, 19-12-2006, [s. 6; inkelde taal-/staveringsbonkjes ferbettere tusken de heakken]Kollum Baukje Wytsma
Jierdeifeesten, ik ha der it mier oan. Allegear yn de kring [rûnte]. Túnstuollen der by. Kopke kofje, taartsje, drankje, hapke, wat ôfwaaid praat oer nije keuken, pake- en beppesizzers, in reiske nei Frankryk of Vietnam, in pleatslik misdriuw, fuotbalje, in sike hûn of kat en yn myn gefal net te ferjitten: it al of net fuortbestean fan it Frysk. Om’t de Fryske taal myn wurkterrein is, kom ik der al jierren net ûnderút [kin ik dêr net foarwei]: de fraach komt op sa’n feestlike jûn. “U schrijft in het Fries?”
In ferwachtingsfolle blik [eachopslach]. In koarte stilte. Ik sykhelje djip, hear yn de fierte de hoanne kraaien, nim in slok iiskâlde jenever en sis: “Ja hear.” Fraach twa (kinst der fergif op ynnimme): “Schrijft u niet liever in het Nederlands, dan heeft u toch een veel groter bereik?” En geandewei it petear: “Hoe groot zijn die oplagen eigenlijk in het “Fries? Kunt u daar wel van leven? In tsjustere moedeleazens oerfalt my, in moedeleazens dy’t mei de jierren oanboazet. Ommers, wat falt der eins noch út te lizzen ast altyd wer by nul begjinne moatst? Fansels, kinst alle kearen mar wer geduldich fertelle datst der eins net iens oer prakkeseare [prakkesearje] wolst om yn in oare taal te skriuwen. Dyn taal bist sels, mar dêr wolst it net iens oer ha mei in, al of net, argeleaze gesprekspartner mei in glês Albert Heijn-wyn en in stikje Frânske tsiis op sa’n hurdhouten túnstoel. Mar jo hâlde jo fatsoen, sa is my thús leard, dus ik meitsje my der ôf mei wat ûndúdlik gemompel of in flauwe grap oer myn folgende dichtbondel dy’t ditkear dan mar yn it Swahili ferskine moat of sa. Underwilens fyn ik mysels in kloat. Wêrom meitsje ik my hjir no eins opnij sa drok oer? Sa’n rare fraach is it dochs net? Dat it Frysk stadichoan yn de sterke rivier fan it Hollânsk fuortsipel([e]t is fansels net te kearen. Jo kinne in minske in taal no ien kear net troch de strôte triuwe. Dochs?
Want sis no sels, hoefolle Friezen kinne ûnderwilens no einlings ris har eigen taal lêze en skriuwe of wolle dat? Noch lang net genôch, spitigernôch Op de F-side sille jo it Frysk yn alle gefallen ek al net mear lêze. Dit is de lêste, sa is besletten. Foar alles is blykber in tiid, mar omdat ik in optimistyske depri [depry?] bin, hoopje ik al dat it allegearre noch efkes duorje mei mei ús Fryske taal, op syn minst sa lang as ik libje.
Boarne: Leeuwarder Courant, De Fryske side F-SIDE, 2006 wintermoanne wike 51, Lêste edysje, 19-12-2006, [s. 6; inkelde flaters ensfh. ferbettere tusken de heakken]De Partij voor het Noorden vergaderde afgelopen maandag in Grou over de vraag of zij deel gaat nemen aan de Statenverkiezingen in Fryslân van 7 maart a.s. In de geanimeerde discussie over het nog nader vast te stellen verkiezingsprogramma en de nog nader vast te stellen kandidatenlijst kwam de discussie ook op de gewenste grotere mate van autonomie terecht.
In dat verband begroet de Partij voor het Noorden de uitspraak van de Provinsjale Steaten fan Fryslân van 13 november [=13 dec.] 2006 over het onderwijs in het Fries.
Die Provinciale Staten stelden daarin vast:
Dat de onduidelijkheid over de [?] bevoegdhedenverdeling tussen de provincie Fryslân en het rijk onduidelijk[?] is en dat er duidelijke knelpunten bestaan in het onderwijs in het Fries.
Zij overwogen daarbij, dat dit ook anders kan, namelijk als de nieuwe regering zich beter inspant voor het Fries.
Zij besloten Gedeputeerde Staten te vragen een brief aan de kabinetsinformateur te sturen, waarin gevraagd wordt om de zeggenschap over het onderwijs op het gebied van de Friese taal en cultuur op termijn bij de provincie Friesland te leggen. De komende jaren kan dan geëxperimenteerd worden met de verdere uitwerking van die verschuiving. De verplichtingen die het rijk eerder is aangegaan bij de ratificering van het Handvest en het Raamverdrag, kunnen mogelijk overgedragen worden aan de provincie Friesland, inclusief de beschikbare financiële middelen.
De Partij voor het Noorden vindt dat Noord-Nederland een grotere mate van autonomie moet krijgen. Wat de zeggenschap over het onderwijs-, het taal- en het cultuurbeleid dient die – ook in de visie van de Partij voor het Noorden - inderdaad doorgedelegeerd te worden aan provinciale organen, in welke vorm dan ook.
De Partij voor het Noorden roept de formateur op gehoor te geven aan de Friese wensen.
Daarenboven stelt zij aan de formateur voor een passage in de aanstaande regeringsverklaring op te nemen, waarin de regering zich verplicht een concrete uitwerking te geven aan het idee van Landsdeelvorming in Nederland. Naast de Randstad dient daarbij uitdrukkelijk de positie van Noord-Nederland aan de orde te komen.
Groningen, 19 december 2006
Boarne: Parseberjocht, Teun Jan Zanen, 06-23030848
De Partij voor het Noorden streeft naar meer politieke zeggenschap in de regio Noord-Nederland. Die vergrote politieke zeggenschap is haast een absolute voorwaarde voor de ontwikkeling van de regio en dus ook van Fryslân. Zonder die zeggenschap zijn veel ontwikkelingen die Fryslân tot een leuke regio met een eigen gezicht kunnen maken om te wonen èn te werken niet mogelijk. De dominantie van de Randstad op politiek-bestuurlijk, financieel, economisch en cultureel terrein heeft zo’n ontwikkeling de afgelopen decennia verhinderd en zal dat bij onveranderde verhoudingen ook blijven doen. Daarom is onttrekking van een stuk macht uit de handen van de centrale Haagse rijksregering een noodzakelijke voorwaarde voor de ontwikkeling van Fryslân in een richting die de Friezen zelf wenselijk achten.
Samenhangend met dit streven bepleit de Partij voor het Noorden een nauwe samenwerking van de provincies Fryslân, Groningen en Drenthe en Oost-Friesland en Eemsland in het aangrenzende Noord-Duitse gebied. De uiteindelijke uitkomst moet zijn de instelling van één landsdelig bestuur voor dit gebied met een grote mate van autonomie ten opzichte van de Nederlandse rijksoverheid en de Duitse bondsstaat. Het betrekken van de beide Duitse regio’s bij deze politiek komt voort uit een logisch streven naar samenwerking over de oude staatsgrens heen met sociaal-economisch verwante regio’s. Het past tevens bij in Fryslân levende cultuur-historische voorstellingen over een situatie, waarin zowel Groningen als Oost-Friesland als gebieden met een Friese identiteit politiek en cultureel met Fryslân waren verbonden.
Dit betekent niet dat de oude, vertrouwde provincies verdwijnen. Integendeel zelfs. Voor bijvoorbeeld onderwijs-, cultuur- en taalbeleid behoren provincies veel sterker te worden toegerust dan nu het geval is. En in datzelfde kader van decentralisatie van de macht zal het economisch, planologisch en financieel beleid niet meer in Den Haag rusten, maar grotendeels bij het provincie-overstijgend landsdeling bestuur. In Fryslân betekent dit dat de provincie de volledige bevoegdheid en verantwoordelijkheid krijgt voor taal-, onderwijs- en cultuurbeleid, zonder tussenkomst van de rijksoverheid. Dit is in overeenstemming met de door de Nederlandse rijksoverheid geratificeerde doelstellingen in het Europees Handvest voor Minder Gesproken Talen, die snel in praktische wetgeving behoren te worden omgezet.
Fryslân verdient een universiteit. Naast een aantal traditionele studierichtingen valt te denken aan onderzoek naar en onderwijs in de vele kleine talen die de wereld kent, maar ook aan milieu- en biotechnologie. In het onderwijs moet de grootschaligheid, die vooral is ingevoerd vanwege in de Randstad levende behoeften, worden teruggedrongen. Dat betekent behoud en eventueel zelfs vermeerdering van de kleinere basisscholen, die met name op het platteland zijn te vinden. De Partij voor het Noorden spreekt zich uit voor het aantrekken in het voortgezet en hoger onderwijs van gekwalificeerde en op de inhoud van het vak gerichte docenten, en terugdringen van de enorme bureaucratisering op onderwijsgebied. […]
Zeven hoofdpunten:
- Een eigen ministerie van onderwijs in Leeuwarden;
- Fryslân verdient een universiteit;
- Geen inlaat van zout water;
- Geen landbouwgrond meer voor natuurorganisaties;
- Lightrail-verbindeing Heerenveen-Drachten-Groningen;
- Geen militaire functie van vliegbasis Leeuwarden meer;
- Fiscaal steunen van middenstand in dorpen.
Boarne: Part fan in taheakke by in brief foar leden en sympatisanten fan de Partij voor het Noorden, 11-12-2006
FFU: Sjoch ek by ‘Poadium’: 14-12-2006, Friesland eist zelfbeschikking over het Fries/Friesland wil over Friese taal regeren; 15-12-2006, Autonoom Friesland.In de stapel stukken die de informateur moet verwerken, zit straks ook een brief van de Friese staten. Alsof de man nog niet genoeg aan zijn hoofd heeft.
De staten vragen meer geld een aandacht voor de Fries taal en cultuur. Daar zal de formateur niet van opkijken. In de brieven die hij van maatschappelijke organisaties krijgt, gaat het altijd om meer geld en aandacht. Nooit schrijft een belangengroep dat ze [?] graag wat minder willen [wil?].
De andere, concrete Friese eis is wel bijzonder. Friesland wil autonomie over eigen taal en cultuur. Het rijk moet zijn bevoegdheid op dit terrein overhevelen naar de provincie. Dan kan het provinciaal bestuur pas echt een eigen taalbeleid ontwikkelen en uitvoeren zonder Haagse tussenkomst.
Stel dat de Friese staten bij de kabinetsformatie hun zin krijgen. Zo gek zou dat niet zijn. Balkenende wil zijn partijgenoten eens belonen voor hun loyaliteit, ondanks alle kritiek die Sytze Faber in het Friesch Dagblad over hem uitstortte. Wouter Bos heeft geen zin zich erin te verdiepen, maar vertrouwd helemaal op het woord van gedeputeerde Anita Andriesen en kamerlid Lutz Jacobi.
Zo kan het volgende kabinet Balkenende zomaar besluiten dat ‘it foech nei Fryslân moat’. Dit plaatst de Friese politiek dan voor een lastige opgave. Parijen moeten dan immers vertellen wat ze met die bevoegdheden willen: hoe ver ze met een actief Fries taalbeleid willen gaan.
Het ligt voor de hand dat de meeste aandacht naar het onderwijs gaat, het belangrijkste front in de strijd voor het Fries. Op de schoolpleinen verliest het Fries snel terrein, en in de leslokalen wordt er weinig en slecht in onderwezen. Hoe denken de Friese politici dit tij te keren? Alle basisscholen meertalig? Het Fries als verplicht examenvak bij havo en vwo? Een eigen inspectie voor het onderwijs in het Fries? De provincie kan natuurlijk niet met zachte maatregelen komen. Dan kunnen we de bevoegdheid net zo goed bij het rijk laten.
Hier ligt in elk geval een prachtige kans voor een levendige campagne bij de statenverkiezingen van volgend jaar. Laat alle partijen uitleggen hoe ver ze willen gaan met een ‘autonoom taalbeleid’. Durven ze de bewoners van deze provincie ter verplichten meer Fries te gebruiken? Dit soort vragen zal de belangstelling voor de provinciale verkiezingsstrijd ongetwijfeld enorm stimuleren.
M. [= Rimmer Mulder, algemien haadredakteur LC]
Boarne: Leeuwarder Courant, 15-12-2006
Neiskrift FFU:
Wy hawwe yn it ferline wol ris lêbiger stikjes fan Rimmer Mulder lêzen as it om ús taal en kultuer gong. Hy kin ek al sitearje yn it Frysk. Miskien rêdt er it op om foar syn pinsjoen nochris in haadartikel yn it Frysk te skriuwen. Dan hoege wy net te wachtsjen oant er mei fakânsje is en Pieter de Groot oan bar is. Wy jouwe de hoop dus noch mar net op. Haadredakteuren binne grif ek learbere wêzens. En de wiisheid komt mei de jierren. Of helpt dat net as it om it skriuwen fan it Frysk giet?
Friesland wil over Friese taal regeren
LEEUWARDEN - De zorg voor de Friese taal op school moet een zaak worden van de Friese bestuurders. Het rijk moet de bevoegdheden over de Friese taal en cultuur overdragen aan de provincie. Ook moet er meer geld op het kleed komen voor de Friese taal en cultuur. Dit eisen provinciale staten in een manifest van de toekomstige regering. [LC, s. 1]
Friesland eist zelfbeschikking over het Fries
LEEUWARDEN - De verantwoordelijkheid voor Friese taal op school moet overgeheveld worden van Den Haag naar Friesland. Ook moet er meer geld op het kleed komen voor Friese taal en cultuur. Dat eisen provinciale staten in een manifest van de toekomstige regering.
Friesland wil autonomie over de eigen taal en cultuur. De staten vinden dat alle bevoegdheden moeten verhuizen van de departementen in Den Haag naar het Provinsjehûs in Leeuwarden.
De staten brengen hun standpunt in een brief onder de aandacht van de informateur van het nieuwe kabinet. Ze vinden dat de rijksoverheid in gebreke blijft bij de bescherming van de minderheidstaal.
De staten beroepen zich op door Nederland ondertekende Europese verdragen en wijzen erop dat de Raad van Europa al twee keer, in 2001 en 2004, vergeefs bij Nederland heeft aangedrongen op een actiever beleid om het Fries in stand te houden. Vooral in het onderwijs wordt volgens de staten niet voldaan aan de Europese normen voor minderheidstalen.
Leraren in het basisonderwijs en voortgezet onderwijs zijn onvoldoende geschoold op het gebied van Friese taal en cultuur. Bovendien ontbreekt het aan voldoende lestijd en leermiddelen. Hier zou meer geld voor vrijgemaakt moeten worden, net als voor taalbevorderende programma’s op radio en televisie, vinden de staten.
“Yn Den Haach is it Frysk gjin ûnderwerp. Sy behannelje ús as in stjonkend murd”, meent initiatiefnemer van het manifest Geart Benedictus (CDA). Hij vindt dat de provincie zich op dit punt in de toekomst hard moet opstellen. “Wy moatte it útûnderhannelje.” [LC, s. 15]
Boarne: Leeuwarder Courant, 14-06-2006, s. 1 en 15
FFU: Wy binne tige wiis de útkomst fan it inisjatyfútstel fan ûnderskate partijen: CDA (Geart Benedictus), PvdA (Hannah Ludwig), ChristenUnie/SGP (Rein Ferwerda), GrienLinks (Theo van de Bles), GBF (Jan Kloosterman), D66 (Johan Sieswerda), SP (Ad van der Kolk) en OFS (Piet Oosterhuis) fan 13 desimber 2006. Us kompliminten foar de oanbelangjende Fryske partijen yn de Steaten. Wy hoopje tige dat it brief oan de ynformateur fertuten dwaan sil. Fryslân hat rjocht op kulturele autonomy. Dêr sil ek it ûnderwiis yn de Fryske taal, kultuer en skiednis (û.o. de Fryske kanon) better fan wurde kinne. Mooglik wurdt dan ek de kwaliteit fan it Frysk fan de útstellen better.
Klik op: CDA-Brief Fryske taal en kultuer nei (yn)formateur.pdf om it inisjatyfútstel en it beslút dêroer te iepenjen. Boppedat nimme wy dat beslút hjirûnder yntegraal oer:
PROVINSJALE STEATEN fan FRYSLAN
Nei it lêzen fan it inisjatyfútstel fan it CDA, PvdA, FNP, ChristenUnie/SGP, GrienLinks, GBF, D66, SP en OFS fan 13 desimber 2006
Oerweagjende dat de mearderheid fan de Steaten it wichtich fynt dat de ûndúdlikheid en de knipepunten op it mêd fan it Frysk oplost wurde,
Oerweagjende dat dit barre kin as it nije regear him better ynspant foar it Frysk,
BESLUTE
Deputearre Steaten foar 20 desimber in brief te stjoeren oan de ynformateur en formateur, dy’t dwaande binne mei de ûnderhandelings en gearstalling fan in nij kabinet. Yn dat brief wurde de neifolgjende punten opnaam:
Dêrnjonken beslute de ferskate partijen yn Provinsjale Steaten, om dizze brief fia de partijkanalen te stjoeren nei harren keamerfraksjes, foar safier’t hja deroer beskikke.
Sa fêststeld troch Provinsjale Steaten fan Fryslân
yn harren iepenbiere gearkomste fan 13 desimber 2006
, foarsitter
, griffierPieter de Groot
De vraag wie of wat in een canon van de Friese geschiedenis niet zou mogen ontbreken, heeft een kleine tachtig inzendingen opgeleverd. Vier inzenders hebben hun best gedaan een naar hun mening zo compleet mogelijke canon samen te stellen, te beginnen bij de ijstijd en eindigend bij het 250-jarig bestaan van de Leeuwarder Courant in 2002. Dat zijn degenen die vaker met het bijltje van de geschiedenis hebben gehakt. De meesten doen wat van hun werd gevraagd: noem de onderwerpen of figuren, die niet mogen ontbreken. Daaruit blijkt hoe ver de meningen uiteenlopen. […]
Boarne: Leeuwarder Courant (‘Sneon en Snein’, s. 10), 09-12-2006
Klik op: LC-Tiidbalke en Opmaat Fryske Kanon.pdf om wichtige eleminten út in Fryske kanon op in tiidbalke te besjen en om te lêzen wat de kar is fan ûnderskate lêzers fan de Ljouwerter Krante (LC, 09-12-2006).
Klik op: LC-Vrouwelijke kanonnen.pdf om te lêzen hokfoar wichtige froulju oft in plak hawwe moatte soene yn de Fryske kanon (listke fan Trudi Dorrebooom-Rosenboom; LC, 09-12-2006).
FFU: Sjoch fierder by ‘Brieven 2006, útgien’: 11-12-2006 > Hoe fierder mei de Fryske kanon? (ferfolch) en 03-06-2006 > Provinsje: Hoe fierder mei de Fryske kanon? om te sjen wat de FFU dêroan dien hat en docht om ta in offisjele kanon foar de Fryske taal, kultuer en skiednis te kommen. Wichtige skeakels (‘links’) binne dan: FFU-Commissie Canon.pdf (brief 07-12-2005);FFU-In eigen Fryske kanonkommisje.pdf (brief 03-06-2006), FFU-In eigen Fryske kanonkommisje II.pdf (brief 11-12-2006) en KH-Canon Friese geschiedenis.pdf (konsept foar in Fryske skiedniskanon fan Kerst Huisman).PIER BERGSMA
foarsitter Pedagogysk Wurkferbân Fryske Akademy
It wurdt tiid om yn oerlis mei saakkundigen en it fjild ta in eigen Fryske kanon foar it ûnderwiis te kommen. Net as ferswierring, mar as needsaaklike basis. It giet dêrby om learynhâlden en net om dizige doelen. [...]
Boarne: Leeuwarder Courant (‘TE GAST’), 09-12-2006
Klik op: PB-Nei in Fryske kanon foar ít ûnderwiis.pdf om it hiele ‘Te Gast’-artikeltsje fan Bergsma te lêzen.
FFU: Sjoch ek by ‘Poadium’ of ‘Aktueel’: 09-12-2006, Opmaat voor een Friese canon.DRAYER
Het heeft even geduurd, maar daar sloop het Nieuwe Leren toch ook ons huishouden binnen.
De zestienjarige zit, geheel toevallig, op een school die doorgaans de schouders ophaalt over de heersende modes in onderwijsland. Ze delen er niet de afkeer van het cognitieve die elders het onderwijs teistert. Woordjes stampen, ingewikkelde begrippen uit het hoofd leren, lange lappen tekst doorgronden – de school vindt het volstrekt vanzelfsprekend. Een klassikaal onderwijs is er allerminst taboe.
Zijn wij verbaasd als een timmerman timmert , een schrijver schrijft, een schoenlapper schoenen lapt? Maar een docent die gewoon zijn vak doceert – dat is tegenwoordig iets om héél dankbaar voor te zijn.
Het legt de school, kort samengevat, geen windeieren. Net als al zulke ouderwetse scholen scoort ook deze bovengemiddeld in de prestatielijst die dit dagblad jaarlijks publiceert.
Vreemd toch, hoe zo’n eenvoudig te constateren verband niet tot collectieve herbezinning leidt. Onderwijskundigen blijven zich maar vastbijten in het dogma dat hedendaagse scholieren alleen stof aankunnen die aansluit bij hun belevingswereld. Ze blijven maar volhouden dat behendig leren googelen vele malen belangrijker is dan kennis overdragen. Waarom heeft niemand me ooit kunnen uitleggen.
En nu bleek zelfs de school van de zestienjarige erdoor besmet.
Twee weken geleden kwam ze thuis met de mededeling dat er een eindexamenwerkstuk moest komen over poëzie. Verheugd veerde ik op. Eindelijk was het moment daar: een docent zou haar, nog net voor ze haar ontvankelijkheid verloor, liefdevol inwijden in het raadsel van de poëzie.
Ik vergiste me. Er was in de klas een ‘Stappenplan’ uitgedeeld. “Wijs elementen in het gedicht aan die het plaatsen in de tijd of literaire stroming”, stond erin. “Vergeet ook niet onderwerpbehandeling, opbouw, taalgebruik, stijlmiddelen en versvorm te beoordelen.”
De moed zonk me plaatsvervangend in de schoenen. Als dit stappenplan al ergens toe leidde, dan linea recta naar een levenlange weerszin tegen al wat poëzie heet.
Of de docent, vroeg ik voorzichtig, wel eens klassikaal een gedicht had geanalyseerd? Uitgelegd hoe je dat zo’n beetje aanpakte? Nee, zei ze. Nou ja, één keer, heel snel.
En was de poëtische canon ooit behandeld, wist ze wie Nijhoff en Bloem waren, Achterberg en Vasalis, Lodeizen en Kopland? Glazig keek ze me aan. Daar moesten de leerlingen, begreep ik, zelfstandig achter komen.
Het was het Nieuwe Leren in een notendop: ik weet wat jij niet weet, maar jij zoekt het lekker zelf maar uit.
En dan stelde deze kleine confrontatie met het concept nog niks voor bij wat ik van andere ouders hoor.
Maar er gloort hoop. Begin dit jaar werd de Vereniging Beter Onderwijs opgericht. Een indrukwekkend comité van aanbeveling schaarde zich erachter, de website trok honderden sympathisanten. Moto: weg met de managers en de vernieuwers, geef het onderwijs terug aan de vakdocent1. En onlangs stonden er zelfs, ongehoord fenomeen, leerlingen op die luidkeels méér kennisoverdracht eisten.
De protesten, wil ik maar zeggen, komen niet langer alleen van cultuurpessimisten die van nature roepen dat vroeger alles beter was. Nog even, schat ik zo, en ook het parlement zal moeten ontwaken uit zijn onverschilligheid.
En de zestienjarige? Die zette zich zuchtend achter het toetsenbord. Mijn stokoude Lodewick2, binnen het literatuuronderwijs al decennia in ongenade, bleek uitstekend dienst te doen. Een sonnet zal ze voortaan heus herkennen. En wat een enjambement is, weet ze inmiddels ook.
Maar lekker wegdromen in een klaslokaal omdat je dankzij de leraar ineens een duister gedicht doorgrondt – dat genoegen zal haar niet zijn gegund.
Elma Drayer
Boarne: Trouw, 07-12-2006 [deVerdieping/podium, s. 11]
Neiskrift FFU:
De FFU stiet ek tige kritysk foar it ‘Nije Learen’ oer en hat in protte sympaty foar it wurk fan de Vereniging Beter Onderwijs. Ut soarte stribje wy benammen foar de Fryske taal en kultuer mear en better ûnderwiis nei en wy tinke dat soks absolút net berikt wurde kin mei de ûnderwiisfilosofy fan it ‘Nije learen’. Krekt oarsom. Soks draait op in katastrofe út, ek foar it Frysk.
Het ‘inwijden in’ (sjoch boppe) hjit yn de kultuerpedagogyk ‘inleiden in/ynliede yn’. Dat is de sintrale taak fan de learkrêft yn it ûnderwiis en dy meie se him/har nea ûntkrije! It ûnderwiis soe gjin ‘ûnderwiis’ mear wêze.
1 Sjoch bygelyks ek by ‘Aktueel’: 21-12-2006, Twijfel over coaches van Friesland College.
2 H.J.M.F Lodewick, Literaire kunst, ’s-Hertogenbosch: L.C.G. Malmberg (1ste printinge, 1955). Us eigen treflike, ‘klassike’, ‘âlde’ Lodewick (1963, 19de printinge), docht noch altiten fertuten.
Verandering is de enige constante in het onderwijs van de afgelopen decennia geweest. Geen enkel onderwijssector heeft eraan kunnen ontsnappen. Mammoetwet, basisvorming, tweede fase, vmbo, competentieleren, studiehuis het nieuwe leren: allemaal veranderingen door een waterhoofd van management, ambtenaren, onderwijskundigen en onderwijsadviseurs zijn gepropageerd en doorgedrukt.
De meeste van deze veranderingen zijn gebaseerd op het sociaalconstructivisme. Deze stroming, die het onderwijs wereldwijd sterk heeft beïnvloed, legt de nadruk op kennisconstructie in plaats van kennisoverdracht. De leerling is zelf verantwoordelijk voor hetgeen hij leert, neemt actie deel aan het leerproces deel en is gebonden aan specifieke leercontexten. Authenticiteit en samenwerking worden van groot belang geacht: de leerling moet samen met anderen aan een complex en zo levensecht mogelijk probleem kunnen werken om tot kennisverwerving te komen. In dit geheel krijgt de docent de rol van begeleider toegedicht: kennisoverdracht behoort niet meer tot zijn taken. In plaats daarvan moet hij de leerlingen coachen in hun proces van actieve kennisconstructie. Tot zover de theorie.
De aanhangers van het sociaalconstructivistisch leren verantwoorden hun praktijken door te stellen dat traditioneel onderwijs minder effectief en demotiverend zou zijn. Hun ideeën zijn daarentegen gebaseerd op de behoeftes van de leerlingen en de praktijk. Het is echter ontstellend te ontdekken dat in de twintig jaar dat deze stroming onderwijsland in zijn ban heeft, er geen enkel empirisch bewijs is gevonden voor de geclaimde voordelen. Uit onderzoek blijkt zelfs dat sinds de invoering van basisvorming, studiehuis en vmbo de gemiddelde scores van de leerlingen zijn gedaald. Tevens zijn er metingen gedaan naar de motivatie en studievaardigheden in de bovenbouw van het voortgezet onderwijs. Ook deze zijn na de invoering van de tweede fase gedaald.
Deze gang van zaken blijkt typerend voor ons onderwijs. Verandering op verandering wordt doorgevoerd zonder dat er bewijs aan ten grondslag ligt of er daadwerkelijk wel sprake is van verbetering. Of zoals Hildo Wesdorp het stelde (geciteerd door Huub van den Bergh, bijzonder hoogleraar vanwege Levende Talen, in zijn oratie): ‘Als de kwaliteit van het onderwijs net zo goed gecontroleerd werd als de kwaliteit van de kroketten, was de zaal nu leeg.’
Toch begint langzamerhand het besef door te dringen dat continu empirisch en fundamenteel onderzoek noodzakelijk is om nieuwe onderwijsontwikkelingen te evalueren en desgewenst bij te stellen. In een conferentie georganiseerd door het NWO voor neuro-, cognitie- en onderwijswetenschappers werd drie jaar geleden al geconstateerd dat er op het gebied van de hersen- en cognitiewetenschap in de afgelopen tijd veel fundamentele kennis is verworven die grote potentie heeft voor toepassing in het onderwijsveld. De wetenschappers hadden toen al twijfels of het zelfstandig leren voor adolescenten realistisch was, gezien de stand van de cognitieve rijping van het puberbrein.
Echter er zal waarschijnlijk meer nodig zijn dan hard wetenschappelijk bewijs om de aanhangers van het constructivistisch leren te doen inzien dat hun experimenten op hele generaties leerlingen grondig geëvalueerd en bijgesteld moeten worden. Deze voorstanders hebben zich namelijk al vaak, bij gebrek aan beter, bediend van schijntegenstellingen en misleidende uitspraken over traditioneel onderwijs. In hun ogen is kennisgericht onderwijs een karikatuur waarbij alleen maar de nadruk ligt op uit het hoofd leren, herhaling, testen en consumeren. Met deze uitspraken gaan zij voorbij aan he feit dat ook bij directe instructie er sprake is van een actief leerproces waarbij de leerling aandacht moet hebben voor het leren en daarvoor moeite moet doen.
Maar hoe nu verder? Momenteel is er sprake van een wildgroei aan sociaalconstructivistische onderwijsexperimenten gesteund door managers, schoolleiders en onderwijsadviesbureaus en niet zelden verafschuwd door docenten op de werkvloer. Tegenstanders spreken van onethische en maatschappelijk onverantwoorde ontwikkelingen zonder enige wetenschappelijke grondslag. Lerarenopleidingen storten zich op competentiegericht onderwijs en doen hiermee regelrecht afbreuk aan de vakbekwaamheid van toekomstige leraren. En ten slotte voorspelt ook de instroom van onbevoegden voor de klas niet veel goed voor kwaliteitsverbetering in het onderwijs.
Het is in ieder geval duidelijk dat het hoog tijde is om een discussie te voeren op basis van wat we weten en niet op basis van wat we vermoeden, denken of willen denken. Veranderingen zouden pas mogen worden doorgevoerd nadat het onomstotelijk vaststaat dat er sprake is van een verbetering. Hier ligt empirisch en evidence-based onderzoek aan ten grondslag, voor en door docenten zelf. Tot die tijd zouden we er goed aan doen om ons te beperken tot wat we weten. En misschien is het gewone leren wel het nieuwe leren van de toekomst.
Johan Graus, hoofdredacteur
Boarne: Levende Talen Magazine, jrg. 93, nr. 8, december 2006, p. 4
Neiskrift FFU:Van onze correspondente
Esther Gotink
Dat veel Schotten zich willen afscheiden van Engeland is al jaren bekend. De Scottish National Party ontleent er sinds 1934 haar bestaansrecht aan. Wel is het verrassend dat grote aantallen Engelsen er eenzelfde mening op nahouden, zoals blijkt uit een recente enquête.
Engeland profiteert van de Schotse lusten zonder de lasten te dragen, zo menen de Schotten. De Engelsen daarentegen menen dat Schotland alleen maar geld kost. Ze keren hun noorderbuur daarom graag de rug toe. Binnenkort vieren Scholland en Engeland de driehonderdste verjaardag van de Act of Union, het verdrag dat de landen constitutioneel bindt. Maar in plaats van slingers en ballonnen uit de kast te halen, debatteren de inwoners liever over de toekomst van dat verbond.
Onder de Schotten is 52 procent voorstander van een totale afscheiding van de Engelsen. Zij zien hun land als een vermogende oliestaat waar de regering in Londen uitvoerig van profiteert zonder er iets tegenover te stellen. Van de Engelsen zegt 59 procent graag zonder Schotland verder te willen, en 48 procent wil zich ook het liefst van Wales en Noord-Ierland afscheiden.
Die vijandigheid heeft direct te maken met het veranderende politieke klimaat in het koninkrijk; veel Engelsen maken zich er boos over dat Schotten, Welshmen en Noord-Ieren (de laatste althans op papier) een eigen parlementaire afvaardiging hebben, en zij niet. Ruim tweederde van de Engelsen wil een eigen regering, zo blijkt uit een enquête van de Britse krant Sunday Telegraph.
Robin Tilbrook, partijvoorzitter van de English Democrats, zegt dat Engeland simpelweg het sentiment van zijn Keltische buren volgt. “Had je me vijftien jaar geleden gevraagd of ik Engels of Brits was, dan had ik Brits gezegd. Dat is nu anders. Mensen in Engeland zijn wakker geworden met het besef dat Schotten en Welshmen zich niet meer Brits noemen. Je kunt geen Groot-Brittannië hebben als niet iedereen er in gelooft.”
Hoogleraar politicologie Arthur Aughey beaamt dat hier de wortels van de animositeit liggen: de parlementaire devolutie in Schotland en Wales in 1999 heeft onder de Engelsen geleid tot het gevoel dat ze ‘hun’ Groot-Brittannië aan het verliezen zijn. Ze lijden aan het Calimero-syndroom. Engelsen spreken precies dezelfde angst uit die Schotten, Ieren en Welshmen altijd deelden – namelijk dat ze door anderen worden geregeerd.”
Boarne: Leeuwarder Courant, 29-11-2006
FFU: Hoe soe dat mei de Friezen yn de ‘Verenigde Nederlanden’ en de opvolger dêrfan, it ‘Koninkrijk der Nederlanden’, wêze?Kulturele autonomy liket wol it minste.Oostfreesland hett fröher een Land för sük weest – selfstandig un “reichsunmittelbar”. Wi kennden kien ‘Leibeigenschaft’und ‘Lehnherrschaft’- wi hebben nich mal Woorden darföör. Na de Dood van de letzte Graf van Oostfreesland kwam uns Land an Preußen, later to Hannover.
Recht blied sünd wi dar nich mit worden, vör allem nich mit Hannover. Na de tweede Weltkrieg wullen de Alliierten hör Besatzungszonen nej ördnen. Se hebben kien Rücksicht darup nohmen, wat de Minsken, de Lüü wullen. Oostfreesland wur to dat neje Bundesland “Niedersachsen” todeelt – ok wenn wi Freesen gar kien Sachsen sünd. So kreegen weer de Hannoveraners dat Seggen over Oostfresland. Oostfreesland lag heel an d’ Rand van Niedersachsen un so wur dat ok behannelt. Dat Geld leep in Hannover tosamen un wur dar ok meest utgeven, dat Land Niedersachsen hett nich völ för Oostfreesland makt – een “Dollarthafen” wur plant, een “Otfriesland-Plan” upstellt, de völ Geld na Oostfreesland brengen sull – man upletzt wur dar all niks van.
In de letzte 10 Jahren hett Oostfreesland düchdig uphalt. Wi hebben nich mehr Arbeitslosen as de Durchschnitt in Niedersachsen. Bi de “erneuerbare Energien” (Windöhlens un so wat), bi d’ Scheepsbau un in de Havens is völ investeert un is menig neje Arbeitzplatz entstahn. Mit d’ Hülp van Groningers un Drenthers is de Autobahn 31 klar worden. All’ Saken, war de Region sük sülvst hulpen hett, van Hannover kunnst nich völ verwachten.
Un nu fiert Niedersachsen sien 60. Buursdag. Ja, lat de Hannoveraners man fiern – wi Oostfreesen hebben dar niks van. Wi will’n lever kieken, wo wi uns sülvst helpen können un wo wi mit uns Nahbers in d’ Groningerland, Drenthe un Fryslân noch beter tosamenwarken könnt. De hebben datsülvig Problem mit hör Randstad. Un: Tosamen sünd ok de lüttje und “schwakke” regios startk.
Arno Ulrichs
Boarne: Nieuwsbrief 47, Partij voor het Noorden, 29-11-2006, s. 8 [kollum yn it ‘Plattduuts’]
FFU: Sjoch ek by ‘Poadium’ en ‘Wytboek’: 29-11-2006, Geen Duitser, maar Fries.De Friezen in Duitsland laten de laatste tijd van zich horen. Meer bevoegdheden voor deze bevolkingsgroep, is de oproep aan de Duitse bestuurders. Een van de woordvoerders is de 44-jarige Arno Ulrichs. Hij mag dan Duits staatburger zijn, Ulrichs voelt zich op en top Fries.
Sa begjint in artikel fan Maria Del Grosso yn de Ljouwerter Krante (‘Leeuwarder Courant’) fan 29-11-2006. Al wer in ljochtsjend foarbyld fan in strider foar it behâld fan ús identiteit. Arno stribbet in Europeeske regio Friesland/Fryslân nei dy’t rint fan Harns oant de Deenske grins.
Yn de Ljouwerter Krante fan 31-10-2006 hat ek in artikel stien oer in oare bewuste Dútske Fries: Pascal Anton.pdf (ek te finen by ‘Poadium’ en yn ús ‘Wytboek’ fan 2006).
Klik op: Arno Ulrichs.pdf om it artikel (mei in tapaslike foto, dy’t nommen is op it Reaklif) oer dizze bewuste Fries út Dútslân te iepenjen en fierder te lêzen.Voor toekomstverkenningen voor de provincie gelden geen grenzen voor commissaris Ed Nijpels. Gisteren legde hij zijn oor te luisteren in Groningen.
Door Pier Abe Santema
GRONINGEN – […] Hij kon er ook niet omheen om verbaal de strijd aan te gaan met de ruime afvaardiging van de studentenvereniging Bernlef. De studenten zitten hem al geruime tijd dwars, omdat ze vinden dat Nijpels niet frieszinnig genoeg is. De commissaris voorzag ze van koren op de molen door ‘wâldpyk’ te vertalen met ‘iemand die in de bossen opgegroeid is’.
De Bernleffers toonden zich niet erg gecharmeerd van de ideeën die geuit werden. ‘Loftfytserij’, aldus voormalig voorzitter Jarich Sipma, die uitvoerig door Nijpels aan de tand gevoeld werd. De studenten bleken aanzienlijk conservatiever dan de oudere aanwezigen. Behoud van de Friese taal staat voor hen voorop. Het onderwijs moet daar een belangrijke rol in spelen. […]
Boarne: Leeuwarder Courant, 28-11-2006
Neiskrift FFU:
De bûnsmaten fan Bernlef binne ek altiten wolkom by de FFU, as stiper of as bestjoerslid! Wy steane foar itselde!
LEEWARDEN - De nieuwe politieke partij DeFriezen wil bij de komende statenverkiezingen niet samenwerken met andere provinciale partijen. Een verzoek van de Onafhankelijke Senaatsfractie (OSF) daartoe is door partijleider Doede Damsma afgewezen. Wel is zijn partij bereid, als er zetels in provinciale staten gehaald worden, om daarmee de OSF te steunen bij Eerste Kamerverkiezingen. Voor de OSF zit FNP’er Hindrik te Hoeve in de Eerste Kamer.
Samenwerken met andere leden van de OSF zou in Friesland betekenen dat DeFriezen op een lijst komen met de Partij voor het Noorden. “Dy partij wol Fryslân opheffe, wylst wy dizze provinsje opwurdearje wolle. Dy stânpunten lizze tefolle úttinoar”, aldus Damsma. VoorzitterEmma Kraak van de OSF bevestigt dat het streven is om samen te laten werken, maar dat dit in Friesland niet gelukt is.
Boarne: Leeuwarder Courant, 17-11-2006
FFU: Sjoch by ‘Aktueel’: 30-10-2006, Partij voor zelfstandig Friesland. En ek by ‘Poadium’: 09-11-2006, Voorman deFriezen: ‘Fryslân nei earedivyzje’ en 03-11-2006, Gjin ferlet fan dreamers (Pieter de Groot).
As wy lykwols it konseptferkiezingsprogramma fan der Partij voor het Noorden (23-11-2006) lêze, dan is it byld dochs wat mear nuansearre as deFriezen tinke. Fryslân rekket dêryn nèt fan de kaart en wurdt nèt opheft. Wy helje inkelde foar it ûnderwiis relevante parten út dat programma oan: “ [...] Het betekent niet dat de oude, vertrouwde provincies verdwijnen. Wel kunnen bepaalde taken geheel bij de provincies worden weggehaald. Economisch, planologisch en financieel beleid worden de verantwoordelijkheid van het landsdelig bestuur. Voor andere taken, bijvoorbeeld taal-, cultuur- en onderwijsbeleid behoren provincies veel sterker te worden toegerust. In Fryslân betekent dit dat de provincie volledige bevoegdheid en verantwoordelijkheid krijgt voor taal-, onderwijs- en cultuurbeleid, zonder tussenkomst van de rijksoverheid. Dit is overeenstemming met de door de Nederlandse rijksoverheid geratificeerde doelstellingen in het Europees Handvest voor Minder Gesproken Talen, die snel in praktische wetgeving dienen te worden omgezet.
Fryslân dient een universiteit te krijgen. Te denken valt aan een hogeschool waar onderzoek wordt verricht naar en onderwijs wordt gegeven in de vele kleine talen die de wereld kent, maar ook andere opties (bijvoorbeeld onderzoek op het terrein van milieu- en biotechnologie) moeten niet direct worden afgewezen. In het onderwijs moet de grootschaligheid, die vooral is ingevoerd vanwege in de Randstad levende behoeften, worden teruggedrongen. Dat betekent behoud en eventueel zelf vermeerdering van de kleinere basisscholen, die met name op het platteland zijn te vinden. De Partij voor het Noorden spreekt zich uit voor het aantrekken in het voortgezet en hoger onderwijs van gekwalificeerde en op de inhoud van het vak gerichte docenten, en terugdringen van de enorme bureaucratisering op onderwijsgebied.” […]Demokrasy: De FNP fynt dat de macht oer de oerheid fan it folk is. Minsken moatte safolle mooglik behelle wurde by it iepenbier bestjoer.
Federalisme: De FNP stiet in steatsynrjochting foar dy't minsken en lokale mienskippen it foech en de middels jout om de eigen libbensromte safolle mooglik sels stal te jaan. De FNP wol mear foech nei de provinsjes, in sterker provinsjaal bestjoer en dêrtroch in sterker Fryslân.
Ynternasjonalisme: De FNP siket nei wat minsken bynt en sjocht de wrâld as in federaasje fan mienskippen. Minskerjochten en respekt foar oare kultueren en libbensoertsjûgings steane dêrby sintraal.
Taal en kultuer: Taal en kultuer drage tige by oan de identiteit en dêrmei oan it wolwêzen fan minsken. De FNP wol de Fryske identiteit fersterkje en stiet dêrom noed foar de Fryske taal en kultuer. De FNP makket him sterk foar in Fryslân, dêr't ek oare talen en kultueren respektearre, praktisearre en wurdearre wurde, lykas it Biltsk en it Stellingwarfs.
De eigen taal en kultuer
De Fryske taal en kultuer, en yn ferhâlding de Fryske streektalen, sitte yn in ûndergeskikte posysje foar it Hollânsk oer. Soks betsjut in ekstra ynset fan it Ryk, de provinsje en de gemeenten om dy brike ferhâldings rjocht te lûken.
Mei it tekenjen fan it Hânfêst fan de minderheidstalen hawwe it Ryk, de provinsje en de gemeenten de ferantwurdlikheid op har nommen de posysje fan it Frysk en de streektalen te ferbetterjen. No komt it op neilibjen oan en dêr sil de FNP skerp op tasjen. Trije saken binne foar ús beskiedend: ûnderwiis, media en maatskiplik draachflak. De FNP wol alle ynwenners fan Fryslân, ek de nijkommers, belûke by ús taal en kultuer. Dêr wurdt in gearhingjend en alles omfiemjend aksjeplan foar opsteld: it deltaplan Frysk. Der moat mei nijsgjirrige en tûke aksjes oan wurke wurde, bygelyks in wolkomstfideo of -DVD foar nije ynwenners en in ynformaasjepakket oer meartaligens foar jonge âlden. De provinsje heart te fungearjen as oanjager en moat ek sels syn foarbyldfunksje wiermeitsje.
Mear meartalich ûnderwiis
Goed ûnderwiis is fan essinsjeel belang foar it yndividuele bern, mar ek foar de takomstige wurkgelegenheid yn Fryslân. De FNP stribbet nei kwalitatyf goed meartalich ûnderwiis dêr't Frysk en Hollânsk rom har gerak krije. Skoallen dy't wurkje neffens in bewust taalkonsept (bygelyks de trijetalige skoallen), helje goede risseltaten. Opfallend is dat krekt dy konsepten derfan út geane dat bern wol wat oankinne. De FNP wol dan ek ôf fan it efterstânstinken. Wichtich punt foar de FNP is it yntegrale taalûnderwiis. Dat betsjut dat troch de hiele skoalle hinne meardere talen oan bod komme en dat der goed neitocht wurdt oer hoe't je mei dy talen omgeane.
De eigen taal en kultuer moatte in folweardich plak hawwe yn de skoallen, net allinne as fak mar ek as fiertaal by oare fakken. It behâld en fuortsterkjen fan ús taal fergje goed ûnderwiis mei dêryn in romhertich omtinken foar it Frysk. Bliken docht dat de trijetalige skoalle goed útpakt foar Hollânsk- én Frysktalige bern. Meartalige ûnderwiisfoarmen yn it bûtenlân litte itselde sjen. De provinsje moat der nei stribje dat yn 2011 minimaal 50 fan ditsoarte fan skoallen rûnom yn Fryslân binne. Ek it tal Frysktalige en twatalige pjutteboartersplakken en bernedeiferbliuwen moat flink útwreide wurde. Op dy wize wurdt effektyf taalûnderwiis kombinearre mei it trochjaan fan it Frysk.
De eigen kulturele identiteit heart it útgongspunt te wêzen by alle fakken op skoalle lykas skiednis, geakunde, muzyk, sport en biology. Ien en oar betsjut dat de skoallen yn Fryslân in eigen oanpak hawwe moatte en soks freget om in eigen ûnderwiisbelied binnen de lanlik fêststelde kaders. De provinsje Fryslân moat dêrom de earst ferantwurdlike oerheid foar it Fryske ûnderwiis wêze en sil dêrom mear foech oer en middels foar it ûnderwiis krije moatte.
De FNP trunet oan op in ûnôfhinklik Foarum, in koördinearjend ûnderwiisorgaan foar it Fryske ûnderwiis om oan de iene kant Ryk, provinsje en gemeenten te advisearjen oer it ûnderwiis yn de Fryske sitewaasje en oan de oare kant it draachflak te ferbreedzjen.
De FNP is tsjinstanner fan fierdere skaalfergrutting yn it ûnderwiis, omdat bern en learkrêften har feilich en thús fiele moatte kinne yn de eigen skoalle.
Om koart te gean:
1. Alle basisskoallen yn Fryslân op termyn trijetalich.
2. Foech en jild foar it ûnderwiis moatte op termyn nei Fryslân sels ta.
3. Produksjefûns Fryske films en televyzjesearjes foar mear searjes as 'Baas boppe Baas'.
4. Omrop Fryslân krijt ekstra jild om in folsleine en alsidige programmearring te realisearjen. 5. De provinsje sponsert romhertich in eigen, werkenbere Fryske reedridersploech dy't op ynternasjonaal nivo meidraaie kin
6. Yn 2010 komt der in grutte, kulturele manifestaasje yn de geast fan Simmer 2000 om (nije) boargers mei-inoar en mei de Fryske kultuer te binen.
7. De eigen skiednis fan Fryslân moat yn it perspektyf fan Europa beskikber komme foar ûnderwiis en foarljochting mei audiofisuele middels.
In eigen polityk rjochting Den Haach
Fryslân rekket wat langer wat mear ekonomysk en ekologysk ûndergeskikt oan de belangen fan de Rânestêd. Dêrmei beheint Den Haach foar Fryslân en de Friezen de eigen mooglikheden. De ynfolling fan de ferhâldings tusken Fryslân, Den Haach en Brussel moat dêrom oars. Tefolle sjogge provinsjale bestjoerders Den Haach nei de eagen.
De FNP wol in sterke provinsje Fryslân dy't krêftdiedich foar syn eigen belangen opkomt. Ofspraken mei Den Haach moatte juridysk ôf te twingen wêze. De FNP wol mear foech foar de provinsje as it om provinsjale saken giet.
De FNP is tsjin de foarming fan in Noardlik lânsdiel en fynt dat yn it foarste plak de posysje fan de provinsje fersterke wurde moat. Noardlike gearwurking moat in mearwearde hawwe foar de provinsje. It 'Samenwerkingsverband' (SNN) moat lytser en fleksibeler wurde. De oanstjoering fan it SNN moat wer streekrjocht by de Steaten komme.
De FNP hat de ôfrûne fjouwer jier fia de Onafhankelijke Senaatsfractie in senator levere foar de Earste Keamer. De Steateleden fan de FNP sille har stim wer útbringe op de kandidaat fan de OSF. Mocht dat net in reëel útsjoch jaan kinne op in sit yn de Earste Keamer dan sille dy stimmen gean nei dy list en dy kandidaat dy't it bêste oanslute by dit FNP-program.
In eigen polityk rjochting Europa
Europeeske ynstellings hearre streekrjocht de belangen fan de ynwenners fan Europa te fertsjintwurdigjen. De ynfloed en kontrôle fan de boarger hearre dêrom goed ankere te wêzen. Dat wurket no net goed omdat it altyd fia de polityk en de ministearjes yn Den Haach rint. Streekrjocht saken dwaan mei Brussel is better. De FNP wol in heger demokratysk gehalte berikke troch it mooglik te meitsjen om mei Europeeske listen oer de grinzen hinne te stimmen foar it Europeesk Parlemint. Dêrnjonken wolle wy mear omtinken foar it ferskaat yn Europa troch it ‘Komitee foar de Regio's' om te foarmjen ta in keazen Senaat foar Europa. Dy moat dan de Europeeske folken sûnder eigen steat - in 50 miljoen minsken - fertsjintwurdigje.
Om koart te gean:
1. De posysje fan de provinsje Fryslân fierder fersterkje.
2. Noardlike gearwurking bêst, mar gjin Noardlik lânsdiel of superprovinsje.
3. Keazen Boargemaster en Kommissaris fan de Keninginne.
4. Europa fan en foar de boargers. Europeeske listen foar it kiezen fan it Europeesk Parlemint en in Senaat fan Europa as fertsjintwurdiging fan Europeeske minderheden sûnder steat.
“ […] Een ander mooi project is de Mercator Educatie. De Fryske Akademy heeft in veertig deeltjes voor elke Europese taalminderheid in beeld gebracht wat de positie van die talen in het onderwijs is. Je hebt dus de beschikking over gegevens van de taalsituatie in het onderwijs én wat de toekomstverwachtingen zijn van de taal in het bestaande onderwijssysteem van een land. Bij elke minderheidstaal werden dezelfde vragen gesteld. Zo kun je door vergelijking komen tot een praktisch onderwijsmodel waarin minderheidstalen een plek krijgen.”
“Het is innovatief en pionierswerk tegelijkertijd. Bij de Fryske Akademy ligt men wat dat betreft voorop, kijk maar naar het project van ‘trijetalige skoallen’ met Nederlands, Fries en Engels naast elkaar. Met experimenten en verder vergelijkend onderzoek met bijvoorbeeld de positie van het Welsh en Baskisch. Die twee minderheidstalen zijn veel sterker in het onderwijs verankerd.”
“Als je in Friesland wat wil bereiken, dan moet dat langs de weg van mogen en kunnen, niet moeten. Je hoort ze hier al brommen op het moment dat het woord ‘verplicht’ valt. Toch mag de Friese taal best wat sterker geregeld worden in het openbare leven. We moeten streven naar een én – én situatie die vanzelfsprekend moet worden. Dus én Nederlands én Fries. Als je de gemeente Leeuwarden in het Fries aanschrijft, krijg je keurig in het Fries antwoord, doe je het in het Nederlands dan krijg je een brief in die taal terug. Zo zou het moeten horen, een keuze. Met de eenwording van Europa heeft Friesland het tijd mee, want straks moet iedereen meertalig zijn .”
“Friezen lijken wat de taalhouding betreft veel op de houding in de Randstad tegenover het Nederlands. Volksstammen redeneren daar van ‘Met de Nederlandse taal kom je niet ver’. Een Lousewies van der Laan bijvoorbeeld voedt haar kinderen op in het Engels. Die mentaliteit van ‘Met het Fries kom je niet ver’ heerst hier ook, nog afgezien van statusoverwegingen.”
“Toen gedeputeerde Bertus Mulder in 2002 voorstelde dat de conducteurs die op de treinen Friesland aandoen, Fries moeten kunnen praten en verstaan, werd dat niet overal met het juiste begrip ontvangen. In Nederland is dat én-én-denken nog niet erg ontwikkeld. Het zou vanzelfsprekend moeten zijn Fries te gebruiken bij de dokter, notaris, in de kerk en op school. Wat dat betreft heeft de provincie nu ook het woord ‘en’ ontdekt, maar het mag wel een beetje meer zijn.”
[…] Plannen foar de takomst dy’t nei alle betinken yn 2013 einigje [sil] foar de direkteur-bestjoerder. Dat is it jier dat de Fryske Akademy 75 jier bestiet en foar de no 57-jierrige Reinier Salverda in moai momint om dermei op te hâlden. De direkteur sjocht no al fierder, nei de provinsjale Fryske Fiersichten dat him dwaande hâldt mei Fryslân yn 2030. Dan moat der ek noch in Fryslân wêze mei in eigen taal en kultuer dy’t in goed plak hat yn it ûnderwiis en by de minsken, en it leafst: ‘Sa lang as de wyn fan de wolken waait’. Want dat wie yn de midsieuwen foar de Friezen al in ‘formule’ dy’t ‘foar ivich’ betsjutte en faken yn keapakten stie. [...]
Boarne: de Moanne, jrg. 5, nû. 9, novimber 2006, s. 16-17
FFU: Sjoch ek by ‘Poadium’, 21-10-2006, Fryske Akademy kiest de aanval.“Het moment waarop je van een reis door Europa kunt genieten komt pas drie weken nadat je thuis bent gekomen en alles hebt uitgepakt”, aldus de Amerikaanse journalist George Ade in zijn American Vacations in Europe (1901). Ade was overweldigd door de diversiteit van Europa en de vele indrukken die hij tijdens zijn reis had opgedaan.
Jammer genoeg staat die Europese verscheidenheid door voortgaande integratie steeds meer onder druk. Onder invloed van best practices en hypes imiteren regio’s elkaar; steeds meer eenvormigheid is daarvan het gevolg. Toch heeft Europa nog wel regio’s die trots zijn op hun eigenheid, en die daarmee ook geld weten te verdienen. Dat zijn de Slimme Streken, waarvan we er afgelopen weken een zestal hebben bezocht. We begonnen onze Tour d’ Europe in Midden-Europa, waar we achtereenvolgens de Zwitserse Watch Valley (Neuchâtel/Jura/Berner Jura), Unterallgäu (Zuid-Duitsland) en Vorarlberg (West-Oostenrijk) aandeden. Daarna trokken we naar Scandinavië, waar Ribe (Denemarken), Hordaland (Noorwegen) en Kalmar (Zweden) op het programma stonden. We hebben veel gezien, maar nu is het tijd om naar huis te gaan. Het mooiste van reizen is tenslotte nog altijd het thuiskomen.
Als het aan George Ade lag, zouden we onze indrukken eerst drie weken lang moeten verwerken om iets zinnigs over onze Europese rondreis te kunnen zeggen. Op het gevaar af zaken over het hoofd te zien, durf ik echter nu al enkele conclusies te trekken. Om te beginnen suggereren de zes Slimme Streken zonder uitzondering hoe belangrijk het is om voort te bouwen op onderdelen van het regionale verleden, of het nu gaat om horloges (Watch Valley), ambachten (Vorarlberg) of visserij (Hordaland). Unterallgäu, Ribe en Kalmar laten bovendien zien dat bekende persoonlijkheden of bedrijven (respectievelijk Sebastian Kneipp, Lego en Astrid Lindgren) zo’n regionale specialisatie prima kunnen verbeelden.
Verder komt uit de Europese rondgang naar voren dat het verleden alleen te weinig basis biedt voor regionale concurrentiekracht. Lokale tradities hebben pas echt economische waarde wanneer ze gekoppeld worden aan mondiale trends. Swatch, wellness en aquacultuur zijn daarvan voorbeelden: het gaat hier nog altijd om zoiets triviaals als uurwerken, kuurbaden en vissen, maar omdat ingespeeld wordt op moderne behoeften, lijkt het alsof het om iets nieuws gaat. Een uitgekiende marketing is daarbij natuurlijk onontbeerlijk.
Ten slotte maken de regio’s die we bezocht hebben duidelijk dat succes geen kwestie is van schaal, maar van slimheid. Alle Slimme Streken zijn wat inwoneraantal betreft kleiner dan Fryslân. Ribe en Kalmar hebben bijvoorbeeld maar zo’n 230.000 inwoners, terwijl een bekende regio als Vorarlberg niet meer dan 375.000 zielen telt.
Eigenlijk zie ik als buitenstaander geen enkele reden waarom Fryslân ook niet in het rijtje van Slimme Streken zou passen. Natuurlijk weet ik als onderzoeker van mijn geboorteregio Twente dat het gras bij de buren altijd groener is. Van een afstand bekeken heeft Fryslân echter alle ingrediënten voor een Slimme Streek in huis: trots op haar eigenheid en de provincie bouwt tegenwoordig voort op haar waterverleden en dankzij partijen als Wetsus, het Wetterskip, Vitens en onderwijsinstellingen, al dan niet verenigd in de Friese Wateralliantie, wordt die traditie slim gekoppeld aan wereldwijde trends zoals de groeiende behoefte aan waterzuivering en -management. Met regiomarketing van Fryslân als een gebied dat werk maakt van water, ligt succes op termijn in het verschiet. Helaas heeft zo’n strategie pas effect als ze consequent en jaren achtereen wordt gevoerd. Dat is dan jammer voor regionale politici die nu meteen willen scoren. Want als de reis langs Europa’s Slimme Streken iets aantoont, dan is het wel dat regionale ontwikkeling niet zozeer een kwestie is van geld, als wel van geduld.
Dr. Gert-Jan Hospers is economisch-geograaf aan de Universiteit Twente.
Boarne: Friesch Dagblad, 20-11-2006ANNEKE VISSER
NHL pakt problemen aan met nieuw beleid
Leeuwarden - Het is slecht gesteld met het taalniveau van pabo-studenten. De leerkrachten in spe hebben te weinig vaardigheden om hun kennis op kinderen te kunnen overbrengen. Dat constateert Tom Jansen, hoofd van de pabo-opleiding van de NHL. De Leeuwarder hogeschool werkt daarom aan een nieuw, strenger taalbeleid voor studenten.
“Bedroevend”, noemt Jansen het taalniveau van de pabo-studenten aan de Noordelijke Hogeschool Leeuwarden (NHL). De studenten hebben volgens hem te weinig vaardigheden opgedaan in voortgezet en middelbaar beroepsonderwijs, maar zijn vaak niet gedisciplineerd al het gaat om het schrijven van correct Nederlands.
“In het voortgezet onderwijs en op mbo-scholen wordt te weinig aandacht besteed aan de technische kant van de spelling. De regels voor [van] grammatica worden maar heel beperkt getraind. Zo leren scholieren alles wat ze op de basisschool hebben aangeleerd, in het middelbaar onderwijs weer af. Dat geldt trouwens niet alleen voor pabo-studenten, en ook niet alleen voor taal, maar net zo goed voor een vak als rekenen.”
Voor de eerste taaltoets in de pabo-opleiding zakt bijna 80 procent van de studenten, weet Jansen. Aan het eind van de rit haalt wel bijna iedereen de toets. Dat is bij rekenen eigenlijk net zo. Maar het gaat niet alleen om het slagen voor tentamens. Studenten moeten hun houding veranderen.”
Het grootste probleem ligt volgens Jansen bij de studenten zelf. Op de een of andere manier voelen ze de behoefte niet om in alle gevallen correct Nederlands te schrijven. Als ze eenmaal hun taaltoetsen hebben gehaald, laten ze het erbij zitten. Bij het inleveren van een werkstuk van een ander vak halen ze soms zelfs niet eens de spellingscontrole over de tekst. Het is toch raar om anderen iets te onderwijzen, terwijl je zelf geen voldoende haalt.”
De inrichting van het onderwijsprogramma stimuleert studenten te weinig om hun best te doen, constateert hij. Vanaf volgend schooljaar gaat de hogeschool strenger toezien op het gebruik van taal in andere vakken dan Nederlands. Alle werkstukken, opdrachten en scripties moeten aan bepaalde taaleisen voldoen. Met zo’n integraal taalbeleid hoopt de NHL het taalbewustzijn van de toekomstige leerkrachten te vergroten. […]
Boarne: Friesch Dagblad, 18-11-2006
Neiskrift FFU:Weekboek Europa
KOOS VAN HOUDT
Joan I Mari Bernat zit in het Europees Parlement voor Spanje. Maar in zijn hart is hij geen Spanjaard, maar Bask. En dus kon de goede man, eenmaal benoemd tot rapporteur voor “de meertaligheid” in de Europese Unie niet thuis komen zonder een warm pleidooi te houden voor de bevordering van de plaats van minderheidstalen. En zo kwam het dat ook het Fries in Straatsburg weer eens de aandacht kreeg, die het volgens sommigen moet hebben.
In werkelijkheid is er echter niets veranderd. De dappere rapporteur van het Europees Parlement stelde voor er een echt Europees agentschap tegenaan te gooien. Maar daarvan zijn er inmiddels binnen de Europese Unie zoveel, dat het Europees Parlement dat idee maar verwierp. En dus ging de Bask naar huis met voorstellen die allang praktijk zijn of die een lege doos verhullen. Nationale taalplannen, dat is wat ervan overbleef. In dat opzicht heeft het Fries het al goed genoeg in Nederland. […]
Boarne: Friesch Dagblad, 18-11-2006door Jace van de Ven
Fontys en stichting BRG gaan samen op zoek naar een Brabantse historische canon ter aanvulling van de landelijke canon.
Er is veel kritiek geweest op de thema’s die onlangs door een commissie van deskundigen werden gepresenteerd als onze nationale historische canon. Je kunt eindeloos blijven discussiëren wat er wel of niet tot onze min of meer verplichte historische kennis behoort, daar schiet je niets mee op. Je moet de gekozen thema’s zien als vensters naar de historische werkelijkheid eromheen.
Zo ongeveer betoogde professor dr. Rob van der Vaart, hoogleraar geografie en lid van de nationale canoncommissie gisteren tijdens een forumdiscussie op de Fontys Leraren Opleiding Tilburg (FLOT), dat aparte regionale of lokale historische canons niet nodig zijn.
De FLOT wil samen met de stichting Regionale Geschiedenis (BRG) de vaderlandse historische canon wel gebruiken als ’een opstapje naar boeiend onderwijs’. Dat gaat gebeuren met het project ’Brabant, kun je daar iets mee...?’ dat gisteren tijdens de forumdiscussie gepresenteerd werd.
Hans Palings, teamleider masteropleidingen Fontys, gaf een voorbeeld hoe leraren in hun onderwijs de nationale canon lokaal kunnen gebruiken. Hij toonde aan hoe bijvoorbeeld een leraar in Breda rond het thema Tachtigjarige Oorlog een klassetocht rond overblijfselen van omsingelingslinies rond Breda zou kunnen houden. Sterker nog, hij had het gedaan, en als loon voor zijn inspanningen zelfs nog drie zeventiende-eeuwse musketkogels gevonden.
Het nieuwe project van Fontys sluit aan bij het provinciale initiatief Schatten van Brabant waar onder meer de BRG zich mee bezig houdt. Drs. Jan van Oudheusden van die stichting vertoonde daarom een van de delen uit de serie rond Brabant 900 die momenteel op Omroep Brabant vertoond wordt en wees op de handleiding voor leraren die de serie begeleid. Hij toonde ook een poster die het praten over 900 jaar Brabantse geschiedenis op beeldende wijze zou kunnen stimuleren.
De Sint Jan in Den Bosch, de Efteling en de Tilburgse kermis staan onder meer op die poster ingetekend en kunnen zo in de klas makkelijk aanleiding zijn tot aansprekende geschiedenislessen. Hij hoopte dat zijn poster en het project van Fontys kan leiden tot verrassende feedback van leraren en leerlingen. Dat zou kunnen leiden tot een aanvullende Brabantse canon, niet uit regionale trots, maar uit betrokkenheid bij de eigen leefomgeving. „Een canon niet als einddoel, maar als fundament voor de toekomst.“
Over de kern van onderwijs
Docente beroepsonderwijs Sippi de Boer (LC, 9 november) vraagt zich af wat ik bedoel met “leren doe je vooral door gewoon onderwezen te worden”. Ze heeft niet veel op met mijn kritiek op het ‘Het nieuwe praktijkgestuurde leren’, want “wij leveren andere mensen aan de maatschappij”. De huidige problemen met deze vorm van onderwijs hebben volgens haar slechts te maken met de uitvoering.
Wanneer de uitvoering zo problematisch is, zou ik vraagtekens zetten bij de principes. De voormalige Sovjet-Unie heeft daar trouwens zeventig jaar over gedaan. Commentator Baart vindt mijn artikel warrig, zelfs ‘vet vaag’. Enige coaching met betrekking tot het begrip onderwijs lijkt dus op zijn plaats: onderwijs is het systematisch overbrengen van kennis en kunde. Nog steeds een effectieve manier van leren. Het nieuwe praktijkgestuurde leren is dus geen onderwijs. Het ministerie zou zich daarom moeten beraden op de voortzetting van de subsidiëring.
Hurdegaryp, Pier Bergsma
Boarne: Leeuwarder Courant, 15-11-2006
FFU: Sjoch ek by ‘Poadium 2006’, 07-11-2006, Het failliet van het nieuwe leren (Pier Bergsma).Stop met voortdurende veranderingen
Het artikel van Pier Bergsma in de LC van 7 november geeft precies aan wat heden ten dage mis is in het onderwijs. Om bij de basis te beginnen, de kennis van rekenen en taal is bij veel leerlingen beneden peil. Hoofdrekenen en foutloos schrijven zijn vaak voor een leerling in het voortgezet onderwijs te moeilijk. Toen het studiehuis ingevoerd moest worden, heeft dat heel wat protest opgeleverd. Nu het Friesland College heeft gemeend om het nieuwe leren in te voeren, open lokalen, geen deuren etc. komen al enige tijd klachten naar voren over het systeem die mij tot denken zetten. Het is een middelbare school. Citaat uit het stuk van Bergsma: bij ons stuurt de cursist zelf het leerproces in relatie tot de prakrijk.
Ik denk dat we nog lang niet klaar zijn met de veranderingen. Het komt nog zo ver dat er bedrijven zijn die vragen na een sollicitatie: “Op welke school ben je geweest.” De werkkracht wordt dan geselecteerd op gevolgde school. Stop al die veranderingen.
Drachten, L. Tijsma
Boarne: Leeuwarder Courant, 15-11-2006
FFU: Sjoch ek by ‘Poadium 2006’, 07-11-2006, Het failliet van het nieuwe leren (Pier Bergsma).Aan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap met betrekking tot het onderwijs in de Friese taal.
Tijdens het debat in de Eerste Kamer over de onderwijsbegroting voor 2005 op 21 juni 2005 hebt u m.b.t. de positie van de Friese taal de volgende toezeggingen gedaan:
Wat betreft punt a zou de commissie onderwijs graag van u vernemen of u een voorstel voor een toetsingskader al van de onderwijsinspectie ontvangen hebt. Als dat het geval is, hebt u dan dit voorstel al met de inspectie besproken en wat is dan uw conclusie uit die bespreking? En als dat niet het geval is, wat is de reden dat de inspectie nog geen voorstel aan u heeft voorgelegd?
Wat betreft punt b meent de commissie dat er nog geen verslaggeving over de stand van zaken m.b.t. de uitvoering van de Bestuursafspraak Friese taal en cultuur naar de Kamer heeft plaats gevonden, ook niet m.b.t. het onderdeel onderwijs. De commissie onderwijs zou graag horen waarom de verslaggeving nog niet heeft plaats gevonden en de commissie zou het op prijs stellen als dat op korte termijn wel zou kunnen.
Het is de commissie bekend dat recent het rapport “Fries op school” is uitgekomen, een verslag van de onderwijsinspectie over de positie van de Friese taal in het primair en het voortgezet onderwijs. Geeft dit rapport, samen met de tot nu toe aan u bekende gegevens over de uitvoering van de Bestuursafspraak Friese taal en cultuur, u reden om aan te nemen dat Nederland thans voldoet aan de verplichtingen die het op zich genomen heeft door de ratificatie van het Europees Handvest voor Regionale talen of talen van minderheden? Als dat het geval is, waaraan beoordeelt u dat dan? En als dat niet het geval is, is er dan naar uw mening ook aanleiding om te komen tot duidelijker wet- en regelgeving om wel aan de genoemde verplichtingen te kunnen voldoen?
FFU: Sjoch ek de útkomsten fan it bestjoerlike oerlis op 19 oktober 2006 tusken minister Van der Hoeven en deputearre Mulder fan de Provinsje Fryslân troch OCW/PF-Bestjoerlik oerlis 19-10-06.pdf oan te klikken.Hij zou de maatschappij graag wat socialer ingericht zien, heeft een passie voor sport en een passie voor Friesland. Dat laatste bracht de 52-jarige Doede Damsma uit Leeuwarden ertoe zich op te werpen als de voorman van de nieuwe politieke beweging deFriezen. Met als doel Friesland tot vijfde land binnen het Koninkrijk der Nederlanden te maken.
Door Maria Del Grosso
LEEUWARDEN - Vorige week viel alles samen voor de net naar buiten getreden politieke beweging deFriezen. Minister Atzo Nicolaï van koninkrijksrelaties kwam met Curaçao en Sint Maarten overeen dat ze dezelfde status krijgen als Aruba, een afzonderlijk land binnen het Koninkrijk der Nederlanden. Met Nederland erbij telt het Koninkrijk nu vier landen. Friesland moet het vijfde worden, is het centrale actiepunt van deFriezen.
Damsma plaatst er wel een kanttekening bij. “Der moat fansels al ûndersocht wurde oft sa’n status nuttige effekten hat foar Fryslân. Oft wy dan serieus mear foech krije.” Hoe dat onderzoek moet plaatsvinden, is voor Damsma duidelijk. In de komende conferenties die plaats vinden om alles met Curaçao en Sint Maarten te regelen, moet de Friese commissaris van de koningin Ed Nijpels aanschuiven. Hij moet onderzoeken of de wens van deFriezen meerwaarde heeft.
In gesprekken met Antillianen is Damsma er achtergekomen dat Friezen en Antillianen “ferbjusterjende oerienkomsten” hebben. Dat zijn partij daar nu mee naar buiten komt, heeft ook te maken met andere ontwikkelingen die volgens Damsma noodzakelijk maken dat Friesland meer autonomie krijgt. Hij doelt op de Partij voor het Noorden die één noordelijke provincie wil en daarmee volgens Damsma op opheffing van Friesland afstevent. Daarnaast speelt de vorming van één grote provincie in de Randstad.
Dat hij door zijn roep om autonomie vooral door de landelijke media in de extremistische hoek is geplaatst, heeft Damsma wel wat overvallen. “Hja begjinne daliks wer oer ôfskieding en ûnôfhinklikens, wylst wy by Nederlân bliuwe wolle . Allinnich wolle wy fan de earste divyzje nei de earedivyzje.” […]
“Ik hie net de winsk om de polityk yn te gean, mar as de berch net nei Mohammed komt, moat Mohammed mar nei de berch ta.” Daarmee doelt Damsma op de FNP, die volgens hem weinig concrete stappen onderneemt om Friesland meer bevoegdheid te geven. “Dêrom woene wy ús idee oer it fiifde lân nei de polityk bringe.”
Of dat genoeg steun oplevert om zetels in de Friese staten te krijgen, houdt Damsma niet eens zo erg bezig. “It giet derom dat Fryslân in better perspektyf krijt.” Maar als de Friezen vergelijkbaar zijn met andere minderheden, heeft Damsma goede hoop. In Wales, Schotland en Catalonië is volgens hem voldoende bewezen wat minderheden voor elkaar kunnen krijgen.
Boarne: Leeuwarder Courant, 09-11-2006 [part fan it artikel]
FFU: Sjoch ek by ‘Poadium’: 07-11-2006, Wegwijs in zelfstandig Friesland; 03-11-2006, Gjin ferlet fan dreamers (Pieter de Groot); 30-10-2006, Partij voor zelfstandig Friesland; 30-10-2006, ‘Fryslân vijfde land van koninkrijk’.Tom Kuperus (35), Lemmer Lijst 3 VVD, nummer 31
[…] Wat zijn uw voornemens voor de komende periode?
“Ik wol sa gau mooglik de trijetalige skoalle yn Fryslân ynfiere. It Frysk moat yn ’e Grûnwet en der moat mear oandacht foar wêze yn De Haach. It ûnderwiis yn Nederlân moat oer tsien jier it bêste fan de wrâld wêze. De learare-oplieding moat akademysk wurde.” [...]
Welk politiek taboe moet van tafel?
It taboe fan de identiteit. We moatte dúdlik wêze wat we yn Nederlân ferwachtsje fan minsken dy’t fan bûten komme. We moatte opkomme foar ús eigen identiteit, oft dat no de Nederlânske of de Fryske is.”
Een laatste woord?
“As ik net yn de keamer kom, sil de VVD neat oan it Frysk dwaan. As de minsken wolle dat de VVD wat oan it Frysk docht, dan kinne se dêrfoar in foarkarstim op my útbringe.”
Boarne: Leeuwarder Courant, 09-11-2006 [part fan it artikel]
FFU: Sjoch ek by ‘Wytboek’, 20-05-2006, In de voetsporen van Bolkestein.It wurdt tiid om yn oerlis mei saakkundigen en it fjild ta in eigen Fryske kanon foar it ûnderwiis te kommen. Net as ferswierring, mar as needsaaklike basis. It giet derby om learynhâlden en net om dizige doelen.
De kommisje-Van Oostrom hie ôfrûne moanne noch mar krekt syn útstel foar in nije kanon fan skiednis foar it ûnderwiis publisearre of de earste kritisy stiene al klear. In ynstjoerd stikje út Limboarch: “Niets over Jan Linders die door L1 radio tot grootste Limburger aller tijden is benoemd. Niets over Maastricht in de Romeinse tijd.” Fortuyn syn oanhingers wiisden derop dat harren Pim - dochs útroppen ta grutste Nederlanner fan alle tiden yn dy neffens my healwize ferkiezing fan de KRO fan twa jier ferlyn - nearne te finen wie. Wittenskippers foelen deroer dat Eise Eisinga wol opnommen wie, mar net grutte gelearden as Christiaan Huygens. En dan binne der guon dy’t hielendal fraachtekens sette by it nut fan de ûndernimming. Dat lûd is net nij. Yn de santiger jierren fan de njoggentsjinde ieu skreau Friedrich Nietzsche al syn skôging ‘Von Nutzen und Nachteil des Historie für das Leben’.
Febrewaris fan dit jier hat it Pedagogysk Wurkferbân fan de Fryske Akademy yn de mande mei de Feriening Frysk Underwiis en de Vereniging voor Leraren in Levende Talen, ôfdieling Frysk in jûn belein oer de needsaaklikheid fan in eigen Fryske kanon. Dat betsjut net dat it ús doel wie om in Fryske kanon op it plak te setten fan in nasjonale kanon. De opfettings oer in eigen kanon binne net nij. Alle ûnderwiis oer de wrâld en oer it ferline heart by it eigen doarp, de eigen stêd en de eigen regio te begjinnen. Dat wurdt al jierren dien, benammen yn de basisskoallen. Yn ús provinsje by fakken as Frysk en geakunde.
In oar argumint is wol nij. Yn ús wrâld, dy’t troch de globalisaasje wat langer wat lytser wurdt, is it fan belang om de eigen identiteit te bewarjen. De trijeslach fan ús Fryske skoallen mei Frysk, Nederlânsk en Ingelsk moat sadwaande ek jilde op it mêd fan de skiednis en de wrâldoriïntaasje. Eigen skiednis, kennis fan de Nederlânske skiednis, mar derneist de wichtichste saken fan de grutte wrâld.
In tredde argumint is dat de Fryske taal en kultuer yn de wetjouwing in eigen plak ynnimt en soks sil stal krije moatte yn de deistige lespraktyk.
Yn it basisûnderwiis wurdt wurke mei de saneamde kearndoelen. It beswier is dat jo dêrmei alle kanten wol útkinne. Wêr’t op oankomt dat binne de learynhâlden. Yn it sekondêr ûnderwiis hawwe wy de eksamenregleminten. Yn oerlis mei it fjild moat der de kommende tiid in útstel komme fan wat needsaaklik is om oan de Fryske bern te learen oer de eigen kultuer. Net yn dizige doelen omskreaun, mar hiel konkreet neffens ûnderwurp. Perfoarst net as ferswierring fan it besteande programma en soks hoecht ek net, want lykas yn it libben giet it der yn it ûnderwiis om hokker kar oft jo meitsje. De kommisje-Van Oostrom en de minister jouwe dy romte. Hoe moat it no fierder? It wurd is yn it foarste plak oan de Provinsje. Oan materiaal en minsken foar in eigen kanon foar it ûnderwiis ûntbrekt it net. Wy hawwe de Afûk, it Berie foar it Frysk, skoallebegelieding Cedin, de Fryske Akademy, de FFU, Tresoar en de Vereniging voor Leraren in Levende Talen.
Koartsein, minsken en kennis genôch. It kommende winterhealjier is in moaie tiid om mei in tal saakkundigen ta in fundearre útstel te kommen.
Pier Bergsma is foarsitter fan it Pedagogysk Wurkferbân fan de Fryske Akademy
FFU: Sjoch ek ris by ‘Brieven 2006’, 03-06-2006 -> Provinsje: Hoe fierder mei de Fryske kanon? En by ‘Poadium’, 17-10-2006, Een canon door een Hollandse bril of by de krantestikjes fan 21/22 en 23-10-2006. Fierders ek by ‘Aktueel’, 01-02-2006, Op wei nei ‘In Fryske kanon’?; 02-02-2006, Klein rolletje voor Friesland in geschiedeniscanon; 03-02-2006, Fryslân moet zelf aan de slag met een geschiedeniscanon.PIER BERGSMA
Op maandag 24 oktober protesteerden leerlingen van het Friesland College. Zo’n tachtig MBO-leerlingen van de afdeling Handel en ICT bezetten hun school in Heerenveen en protesteerden daarmee tegen de organisatie die volgens hen chaotisch is. Kiri Arndt, een zeventienjarige studente mbo-handel en woordvoerster: “We zitten onze tijd te verdoen op deze school. We hebben sinds september al geen les meer gehad. Er is hier totaal geen structuur. We willen gewoon les. Dat is toch niet te veel gevraagd van een school.”
Ik vrees dat de woordvoerster daarmee de opzet van het praktijkgestuurd onderwijs op dit ROC niet goed begrepen heeft. Volgens de informatie zijn de volgende drie onderdelen ( APK’s ) het uitgangspunt. Ik haal de informatie uit één van de studiewijzers. Het gaat om Ambachtelijke vaardigheden, Persoonlijke kwaliteiten en Kennis. De volgorde lijkt me niet toevallig. De brochure staat vol ingewikkelde nieuwspraak zoals portfoliobespreking in de tutorgroep, het geven van feedback op prestaties in leer- en ontwikkelingslijnen, de reflectie op eigen functioneren in kritische situaties, procesverslagen van het bewaken van eigen grenzen en het kunnen hanteren van emoties, het werken met chatrats, dat is een vakoverstijgend computerprogramma, waarbij je met je maatje een levensverhaal schrijft. De eindtermen op dit gewillige papier liegen er niet om. Bij de burgerschapsvaardigheden bijvoorbeeld: “De deelnemer kan relaties beschrijven tussen actuele sociale en politieke vraagstukken en de kenmerken van de sociaal-economische structuur van de Nederlandse samenleving.” Een boekenlijst ontbreekt, een lesrooster of overzicht van de vakken die wanneer en door wie en waar gegeven worden is niet te vinden in deze studiewijzer, maar: “In het studiecentrum heb je de mogelijkheid om via internet en de mediatheek informatie te zoeken.” Bij mij rijst de vraag of het bij deze praktijkgestuurde aanpak wel om een opleiding gaat of is het zelfstudie in groepsverband. Ik heb de kritische uitzending van Omrop Fryslân van een half jaar geleden over de vernieuwende aanpak van dit praktijkgestuurd leren op het Friesland College nog eens bekeken. Er is blijkbaar weinig met de kritiek gedaan.
Het middelbaar beroepsonderwijs werkt landelijk aan vernieuwing. Een belangrijk element daarin is het kennismaken met de praktijk en dat is goed. Zo heeft het basisonderwijs de laatste jaren stagiaires klasse- of onderwijsassistent. Ze zijn welkom, want het zijn gemotiveerde leerlingen die graag meehelpen in de school. Het is daarom des te tragischer dat deze jongelui blijkbaar voor een groot deel van hun opleiding aan hun lot worden overgelaten.
Lessen volgen is uit de mode? Veel leraren - coaches - spreken zich niet uit en dat wordt begrijpelijk wanneer we de woordvoerder van het betreffende college citeren. (Pas op voor grote roergangers die de revolutie prediken!) Hij zei over leraren die moeite hebben met deze opzet: “Als je uitgeleerd bent en je hebt niet veel ontwikkelingsmogelijkheden meer (!) dan moet je echt de vraag stellen wil ik daar nog blijven werken ja of nee… als je een hinder wordt voor de organisatie dan moet je de moed hebben om te zeggen we nemen afscheid van elkaar.” Het is voor het Friesland College te hopen dat de ver doorgevoerde vernieuwingsdrift niet tot dezelfde conclusie leidt bij de studenten.
Boarne: Friesch Dagblad, 09-11-2006
FFU: Sjoch ek by ‘Poadium’: 18-02-2006, Modieuze ideeën over leren ‘ongefundeerd’ en 07-11-2006, Het failliet van het nieuwe leren.PIER BERGSMA
Oud-directeur van een basisschool en fer-
vent tegenstander van het Nieuwe Leren.
Het zal een half jaar geleden zijn dat ik met toenemende verbijstering heb gekeken naar een uitzending van Omrop Fryslân over de aanpak van het onderwijs op het Friesland College. Aan de orde was het zogenaamde praktijkgestuurd leren.
Een citaat: “Bij ons stuurt de cursist zelf het leerproces in relatie tot de praktijk. Wij gaan in gesprek met de cursist en gaan er ook van uit wat boeit jou, wat interesseert jou.” Een leerling: “ Zeepkisten maken lijkt me wel wat, dat heeft met mijn hobby te maken.” Een ander: “Je kan hier gewoon je eigen dingen doen, ik doe nu twee opleidingen, muziek zeg maar, maar ik kan ook een prestatie doen van een andere opleiding.”
Eén van de studenten had thuis een studio gebouwd. De cursisten doen verslag over hun ontwikkeling en van hun zogenaamde ‘prestaties’ in een ‘portfolio’. “Ik heb er wat verslagen van hobby’s ingezet en wat over mijzelf verteld.” In de reportage kwam hoogleraar onderwijskunde mevrouw Greetje van der Werf aan het woord. Ze had van een groep van dertig studenten een alarmerende brief gekregen over het onderwijsniveau op dit ROC.
Ondertussen zijn we een halfjaar verder en hebben op maandag 30 oktober zo’n tachtig leerlingen van de afdelingen Handel en ICT van het Friesland College in Heerenveen geprotesteerd tegen de chaotische toestand op de opleiding. “Wij krijgen nooit gewoon les. Eigenlijk twee maanden al niet. Daar gaat onze toekomst”, zegt de zeventienjarige Kiri Arndt, woordvoerder van het protest.
Diezelfde dag werd ‘De nieuwe schoolstrijd’ gepresenteerd, een bundel waarin deskundigen grote zorgen uitspreken over recente ontwikkelingen in het onderwijs. Deze zomer verscheen van de voorzitter van de Vereniging Beter Onderwijs Nederland, Ad Verbrugge, een manifest onder de titel ‘Help! het onderwijs verzuipt!’, met als één van de kernpunten dat de onderwijsvernieuwingen van de laatste jaren weer teruggedraaid moeten worden: leerlingen moeten weer leren, leraren moeten weer lesgeven.
Want daaraan ontbreekt het en niet alleen op het Friesland College, waar een leerkracht meldt: “Nu ben ik coach, sommige cursisten hadden blokkades, waardoor de stage mislukte, dan moet je positieve feedback geven”. Tja.
Toen ik vorig jaar nog als directeur van een basisschool werkte, kreeg ik van een stagiaire de Studiewijzer van de Opleiding Sociaal Pedagogisch Werk van het Friesland College, maar ik neem aan dat ook andere ROC’s dit soort idiote geschriften aan hun studenten uitreiken. Het zou te ver voeren het hele wanstaltige proza te bespreken. Een willekeurig voorbeeld. In eindterm 305-09 staat - het zou als opdracht voor een minister niet misstaan - “De deelnemer kan het verloop van beleid- en besluitvormingsprocessen in Nederland beschrijven met betrekking tot actuele sociale en politieke vraagstukken.”
Ik heb mijn aardige en goedwillende stagiaire klassenassistente, die op dat moment bezig was om in een kleutergroep te helpen, maar niet gevraagd of ze dat al in haar ‘reflectieverslag’ had opgenomen of besproken in het ‘panelgesprek’, dat in plaats komt van een toets.
Geen krant of tijdschrift of er staan negatieve verhalen in over de vernieuwingen in het onderwijs. De basisvorming en het studiehuis zijn beide op niets uitgelopen. En het zogenaamde nieuwe leren of competentiegericht leren, waarvan nu sprake is in veel voortgezette opleidingen, voorspel ik dezelfde miserabele toekomst.
De voorstanders worden gevonden bij het management om hun school op de kaart te zetten of bij begeleidingsdiensten als het APS die met snorkende folders proberen brood op de plank te houden met het aanprijzen van vernieuwing na vernieuwing.
Het is een drama voor de leerlingen en de docenten. De vraag is wat de leraren nu echt vinden van deze ontwikkelingen. We zouden natuurlijk af kunnen gaan op de constatering dat er steeds minder mensen te vinden zijn voor het onderwijs en dat velen diep teleurgesteld het onderwijs verlaten. Zie bijvoorbeeld de laatste bevindingen van het Sociaal en Cultureel Planbureau. Veel zittende mensen durven zich echter niet uit te spreken.
De woordvoerder van het Friesland College bevestigde in de betreffende uitzending van Omrop Fryslân mijn vermoeden. (Pas op voor de grote roergangers die een revolutie prediken!) Hij zei over docenten die moeite hebben met deze nieuwe aanpak: “Als je uitgeleerd bent en je hebt niet al te veel ontwikkelingsmogelijkheden meer (!) dan moet je echt de vraag stellen wil ik daar nog blijven werken ja of nee… als je een hinder wordt voor de organisatie dan moet je de moed hebben om te zeggen we nemen afscheid van elkaar.” Het Friesland College ontvangt per jaar nota bene twee miljoen euro voor hun vernieuwingsexperiment. Het College van Bestuur is nu bezig om de organisatorische problemen te inventariseren. Het zou beter zijn gewoon te erkennen dat leerlingen van deze leeftijd helemaal niet gebaat zijn om voortdurend zelfstandig te werken en dat ook niet willen. En leren doe je vooral door gewoon onderwezen te worden.
Boarne: Leeuwarder Courant, 07-11-2006
FFU: Dit is de folsleine tekst fan Pier Bergsma. De LC hie syn lêste alinea ynkoarte. Sjoch foar mear oer de sekte-ideology fan it ‘Nije Learen’ by ‘Poadium’: 18-02-2006, Modieuze ideeën over leren ‘ongefundeerd’.Aan de provinciale verkiezingen doet volgend jaar de groep deFriezen mee. Deze nieuwe beweging wil dat Friesland een grote mate van zelfstandigheid krijgt binnen het Koninkrijk der Nederlanden. In buitenlandse reisgidsen zal de provincie als een bijzondere toeristische bestemming worden beschreven. Hier alvast een - vertaald - voorproefje uit de Guide Michelin ‘Découvrez le Pays Frise Autonome’, editie 2012.
Douane
Bezoekers van binnen de Europese Unie kunnen zonder formaliteiten de grensposten bij De Blesse, Appelscha, Kornwerderzand en Visvliet en in de Waddenhavens passeren. Gecontroleerd wordt vooral het uitgaande verkeer. Dit heeft uitsluitend tot doel het tegenhouden van eigen inwoners, zoals hoog opgeleide twintigers en dertigers, die elders hun heil willen zoeken.
Volksaard
De Friezen zijn een warmbloedig, emotioneel volk. Zij worden licht geraakt door onrecht, zeker als dit kinderen, zielige zeehondjes, gepredateerde weidevogels en buitendijkse paarden betreft. Zij verbergen deze karaktertrek achter een ingestudeerd masker van stugge afstandelijkheid en nors wantrouwen.
Etiquette
Anders dan in de meeste Europese landen hechten de Nederlandse niet aan hoffelijkheid en omgangsregels. Dit geldt des te sterker voor de Friezen, zeker sinds zij in 2008 hun status aparte bevochten door de gaskraan bij Moddergat dicht te draaien. Een groet (‘Hoi’ of ‘Heu’) wordt al als sterk overdreven beschouwd. Wie een deur openhoudt voor een volgende, moet er rekening mee houden dat omstanders de traumahelikopter inroepen.
Eigen taal
De Friese taal kan het best worden vergeleken met het Arabisch. De officiële versie is vastgelegd in het Frysk Wurdboek, maar niemand spreekt deze. De gewestelijke omroep hanteert een eigen mengeling van Fries, Nederlands, Engels en de streekdialecten.
Topattracties
Sinds 1831 denken de Friezen hard na over een publiekstrekkers van formaat, tevens slechtweervoorziening en werkgelegenheidsproject . Zij zijn nu gevorderd tot een zelfgeknutseld heelal te Franeker, een speeltuin in Appelscha en een nagemaakte boerderij in Earnewâld, alle gerund door zwijgzame vrijwilligers.
Bestuur
Sinds de verzelfstandiging wordt Friesland in een verlichte dictatuur geleid door een gouverneur met de aanspreektitel grietman, op dit moment Ed Nijpels de Eerste, een aimabele playboy die de meeste tijd doorbrengt in het Leeuwarder Casino op bedrijventerrein West.
WIEBE PENNEWAARD
Boarne: Leeuwarder Courant, 07-11-2006 (‘Maar’)
FFU: Sjoch ek by ‘Poadium, 30-10-2006 en 03-11-2006.De opstiging fan ûndernimmer Doede Damsma, dy’t Fryslân in ‘status aparte’ jaan wol yn it Keninkryk fan de Nederlannen, waard fuort breed útmetten yn de kranten en op ’e radio en televyzje. As soe it mear as in opstiging wêze en [as soe? FFU] hy serieus it plan hawwe om mei in eigen partij DeFriezen mei te dwaan oan de provinsjale steateferkiezingen.
Toemar, wer in splinter derby, lykas de Partij voor het Noorden dêr’t Damsma neat fan ha moat, om’t dy Fryslân, Grinslân en Drinte op ien heap feie wol ta in lânsdiel Noard-Nederlân. Hy hat ek it betrouwen yn de FNP ferlern, dy’t him dellein hat by de status quo en it plús neistribbet.
Damsma realisearret him blykber net dat jo op dat plús mear foar Fryslân berikke kinne as yn in solitêre rol yn de steatebankjes. Sa’t de FNP foarhinne de lús yn de pels fan de tradisjonele partijen wie, sa tinkt Damsma it de FNP lestich meitsje te kinnen [en?, FFU] trún har, en ek oare partijen, oan ta mear selsbewustwêzen. Dêr hoecht er lykwols gjin partij foar op te rjochtsjen. Lit him aktyf wurde yn de FNP of yn ien fan de oare partijen (it CDA stiet him, tinkt my, it neist) en him mei har sterk meitsje foar mear foech foar de provinsje op it mêd fan romtlike oardering, ekonomy, ûnderwiis, taal en kultuer.
Dat is in reële eask, dêr’t alle partijen wol foar yn ’e skrep wolle. Om dat foech partsje by partsje binnen te heljen, is ien grutte fûst nedich en kinne dreamers mist wurde as pinemûle. Hja jeie op in drôchbyld.
Foar wat Doede en syn op in romantikus út Amsterdam nei noch ûnbekende maten foar eagen skimeret, in status aparte, krije se yn de steaten de hannen net op elkoar. Hy wol dat it folk him dêroer útsprekt yn in referindum. Dat soe dan in libbensgrut fiasko wurde, want as it idee al net by de bestjoerders libbet, by de grutte mearderheid fan de Friezen sels libbet it alhielendal net. It hat him foaral fêstset yn de holle fan ús goede Doede, dy’t in pear artikeltsje lêzen hat, ûnder oaren fan in professor dy’t de Dútske dielsteat Baden-Württemberg as foarbyld steld hat. Mar dy hat der wol op wiisd dat it foech yn Dútslân histoarysk oars ferparte is. De skiednis fan de Nederlânske ienheidssteat is in oarenien en lit him net samar by referindum troch it folk wizigje.
Eeltsje Boates Folkertsma hie dat lang om let ek troch. Desennia nei syn pleit yn 1929 foar Selsbestjoer foar Fryslân en nei noch eefkes de ideolooch west te hawwen fan it Striidboun Frysk en Frij, dat op desintralisaasje oanstie nei Switsersk foarbyld, seach er yn dat jo de skiednis met samar nei jo hân setten koene. De FNP waard doe de natuerlike en realistysker opfolger fan it Striidboun en besleat har ynfloed jilde te litten yn it provinsjale parlemint.
Nei krapoan 45 jier hat de partij in stevige posysje krige dy’t freget om konsolidaasje, mar tagelyk om kontrôle troch krityske geasten, om foar te kommen dat it in slaafske bestjoerderspartij wurdt. Damsma soe sa’n krityske hjitfolger wêze kinne. As solist makket er himsels no ta risee, goed foar negative publisiteit yn de media. Allinnich de namme al, DeFriezen. Brrr ... Dan noch leaver de Partij voor het Noorden!
PIETER DE GROOT (‘DWERS’)
Boarne: Leeuwarder Courant, 03-11-2006
FFU: Sjoch ek by ‘Poadium’, 24-05-2006, De Fries lit it der sels by sitte … en 11-08-2006, Baden-Württemberg foarbyld foar Fryslân, 30-10-2006, Partij voor zelfstandig Friesland en 30-10-2006, ‘Fryslân vijfde land van het koninkrijk’.As men de reaksjes lêst op de skiedniskanon fan Nederlân, moat it wol dúdlik wêze dat de Friezen tefreden binne. Der wie wèr gjin plak foar it moaiste lân fan ierde. Hollânsk slacht wèr foar master op.
In soad fan dy Fryske Friezen soene har ek gjin ried witte as der wol omtinken wie foar Fryslân. Dat soe in teloarstelling wêze, want gâns Friezen belibje sadomasogistyske befredigings mei in Jan Poeps plak ... [...]
Mei it taalgebrûk is it net oars. Party Fryske heiten en memmen (wat langer wat mear) prate in soarte fan Hollânsk tsjin har bern. Har bestribbe Hollânsk, dat op syn bêst tusken stiif skoalmasternederlânsk en Jousterhollânsk op en del fart, is út soarte meager. Se kinne har der mei rêde, se komme mei boadskippen thús, mar bern grutbringe, ferstân en gefoel oerdrage, is oare taal.
Gauris tref ik lju dy’t úthâlde dat se it goede Frysk net prate. (Nim my net kwea, it ûnderwiis!). Ik sis wolris dat Frysk, krekt as oare talen, leard wurde kin en dat it net sa dreech is, mar dat is net sa’n snoad antwurd. Yn alle gefallen wurdt sa’n werwurd net ferwachte. Allikemin is it ferstannich en sis dat it net sa slim is en praat mar wat. In serieuze taal hat ommers in noarm. Eat is goed of ferkeard. In soarte fan ‘canon’ dus: in rigele lûden, wurden en sinbouregels, dy’t foarskriuwe hoe’t it sit.
Sa’t it Hollânsk – de Hollânske bazen – de taalkanon foar it Nederlânsk itige hat, sa hat it Klaaifrysk – de taal fan de dikke boeren op de Klaai – de taalkanon foar it Frysk bepaald. Bewizen binne der planteit, sjoch mar nei de stavering fan dit stikje. Gjin inkeld Súdwesthoeksk ynslûpsel te bekennen. Ek de Fryske wurdboeken wurde troch de klaaikluten behearske. [...]
KAREL F. GILDEMACHER
Boarne: Leeuwarder Courant, 03-11-2006
FFU: Sjoch oer kanondiskusje ek by ‘Poadium’, 28-10-2006, Wie en wat in de Friese canon (Pieter de Groot, ‘Harje’) en it neiskrift fan de FFU, dat ferwiist nei de aktiviteiten fan de FFU sels (Brieven 2006, útgien: 03-062006 à Provinsje: Hoe fierder mei de Fryske kanon?). En nei relevante artikeltsjes by ‘Poadium’ en ‘Aktueel’.
Yndied, it Frysk is in serieuze taal en hat gedrachsregels foar taal en stavering, dus in noarm. Fan in noarm kin sein wurde dat er dield wurdt (dus in kollektyf karakter draacht) en stabiliteit ferûnderstelt. Oars kin der net praat wurde fan in noarm, mar fan yndividueel gedrach. Datselde jildt foar in wearde. Derfan wurdt ek ferûndersteld dat er dield wurdt en stabyl wêze moat, oars is it in miening. Yn dat normative staveringsramt soe Gildemacher net allinnich de -k efter Frysk sette moatte, mar ek efter Súdwesthoeks, Hollâns, Ingels ensfh. Dat hawwe de Fryske Steaten sa fêststeld. Dat Gildemacher dy -k net útsprekt, docht net ta de saak. Yn boppesteand stikje hawwe wy by it oernimmen fan in part fan syn krantestikje dy noarm dochs mar wer tapast en syn ‘flaters’ ferbettere. Allinnich mei in noarm dy’t ek neilibbe wurdt, is goed staverings- en taalûnderwiis mooglik. En dat lêste stribbet de FFU foar it Frysk nei.Forum
Fryslân moet het vijfde land worden binnen het Koninkrijk der Nederlanden, vindt DeFriezen. Ziet u dat zitten?
Jefrey Hollander (16) uit Goutum: “Ik blijf liever Nederlander. Ik voel me ook Nederlander en helemaal geen Fries. Groningen hoort toch ook gewoon bij Nederland net als Friesland. Ik kan me niet voorstellen dat Friesland ooit een apart land wordt. Ik ben er ook tegen.”
Johannes Kramer, voorzitter FNP statenfractie: “Op himsels is it in nijgjirrige gedachte, mar dan moat dat wol fan ûnderen op stipe wurde yn Fryslân. Ik tink dat in grutte mearderheid, minstens 60 persint en miskien noch wol wat mear, foar wêze moat om dit [dat] trochgean te litten. Foardiel soe wêze kinne [It soe in foardiel wêze kinne] dat wy mear sizzenskip krije oer romtlike oardering, ekonomy, taal en kultuer. Op de Antillen is net elkenien ûnferdield posityf oer de status aparte. Mar as in grutte mearderheid fan de Friezen hjir [dêr] foar wêze soe, dan moat it fansels kinne!”
Sietske Bloemhof van de Stellingwarver Skrieversronte: “Toen ik het verhaal in de krant las, dacht ik meteen: over welk deel van Fryslân hebben ze het. Horen de Stellingwerven daar dan ook bij? Om eerlijk te zijn, zie ik het voorstel als een grap. We hebben hier jaren geleden ook een groep gehad die zich Vrije Natie van Stellingwerven noemde. Dat was ook niet serieus. Een eigen identiteit hebben en houden is belangrijk, maar wij willen geen af- of uitzonderingen!”
Piet Hemminga, bestuurskundige Fryske Akademy: “Ik soe Doede Damsma freegje wolle oft hy [er] de kosten en baten fan syn idee al ris útwurke hat. As it praktysk net helber [te heljen] is, sprekt it idee my net oan. Ik fyn it wol moai dat DeFriezen in tink-eksersyzje [tinkeksersysje] steld [makke/dien] ha. As de nije party [partij], mocht er al oprjochte wêze, seit dat oan it federalisme fan de FNP neat dien wurdt en dus neat opleveret, dan is it op himsels nijsgjirrich [om] nei te tinken [oer] hokfoar regelingen [oft] yn it Keninkryksstatút wol helber [te heljen] binne.”
Jaap van der Bij, voorzitter Ried Fryske Beweging: “Ik bin ek waarnimmend-foarsitter fan de FNP en yn it deistich bestjoer ha wy it fan ’e wike hân oer DeFriezen en harren ideeën. Wy sjogge net folle heil yn in ûnôfhinklik Fryslân. Dat is neffens ús net libbensfetber. Fiifhûndert jier skiednis binnen Nederlân draaist samar net werom. Ik tink net dat wy dêr de hannen foar op elkoar krije. Mear foech foar de provinsje, dêr binne wy wol foar.”
Groep fan Auwerk: “Wij streven naar een zelfstandige deelstaat van een nieuw Friesland in Europa. Door politieke en (daardoor) economische machtsconcentratie worden de Frieslanden op dit gebied achtergesteld. Het gaat erom dat de politieke macht weer terug naar Friesland komt! Voor de inwoners van Westlauwers Friesland, Oostlauwers Friesland (de hedendaagse provincie Groningen met de stad Groningen), Ost-Friesland en Noord-Friesland heeft de dominante politieke, sociaal-economische en de culturele overheersing uit Nederland en Duitsland lang genoeg geduurd en naar onze mening wordt het tijd dat de Friese regio’s met elkaar als een Nieuw Friesland in Europa haar eigen pad kiest [kiezen].”
Boarne: Friesch Dagblad, 02-11-2006 [licht korrizjearre ]
FFU: Sjoch ek by ‘Poadium’ 30-10-2006, ‘Fryslân vijfde land van het koninkrijk’; 03-11-2006, Gjin ferlet fan dreamers; 07-11-2006, Wegwijs in zelfstandig Friesland. Fierders by ‘Aktueel’: 30-10-2006, Partij voor zelfstandig Friesland.Tussen de acht eerstejaars studenten Frysk aan de NHL (Noordelijke Hogeschool) in Leeuwarden zit een strijdbare Fries. Praat de 21-jarige Pascal Anton er niet van dat hij uit Duitsland komt, “Ik bin Frysk.”
Sa begjint in artikel fan Maria Del Grosso yn de Ljouwerter Krante fan 31-10-2006. Hiel wat sleauwe Friezen kin harren oan Pascal spegelje. In ljochtsjend foarbyld dat fansels ek yn ús ‘Wytboek’ heart. Hulde!
Klik op: Pascal Anton.pdf om it artikel oer dizze bewuste Fries te iepenjen en fierder te lêzen.Yn twa artikels yn Locomotie (jrg. 8, nû. 29 [aug.] en 30 [okt.] 2006, in útjefte fan de Stichting Ir. Marten Bierman), jout Dick van Niekerk syn fyzje op it Twintsk (‘Soap maakt het Twents springlevend’, s. 16-19) en hy jout in reaksje (‘Streektalen verdwijnen niet, ze veranderen alleen maar’, s. 26-30) op in ûndersyk fan dr. Geert Driessen fan (Radbout Universiteit Nijmegen) dêr’t út bliken die dat it tal Nederlanners dat yn it deistich libben in dialekt of streektaal brûkt, hurd ôfnimt.
Klik op: DvN-Soap maakt Twents springlevend [1].pdf en DvN-Streektalen verdwijnen niet [2].pdfERIK BETTEN
Zaterdag schreef Peke in deze krant al over de actie Nederland Leest. Hij was een van de honderdduizenden Nederlanders die hun best hadden gedaan om een exemplaar van het massaal verspreide gratis boek (Dubbelspel, door Frank Martinus Arion) in handen te krijgen. Bij nadere beschouwing vond hij het niet zo de moeite waard, en had hij het na tien bladzijden weer weggelegd, maar toch. Hij had zich eraan gewaagd, en als het boek wat aardiger was geweest, dan had hij het vast uitgelezen.
Nou volgen wij op de redactie een opfriscursus Fries schrijven en lezen, en een van de onderdelen is het lezen van een Fries boek. Dat gaat de meesten prima af, maar duidelijk is wel dat er maar weinigen zijn die dat vaker voor hun plezier doen. Fries praten en Fries lezen blijken twee heel verschillende dingen. Fries op papier wordt als iets ingewikkeld ervaren, iets voor specialisten en fanatici. Onzinnig natuurlijk, maar elk jaar dat je Friese teksten mijdt, wordt de drempel hoger.
Er wordt natuurlijk op alle mogelijke manieren geprobeerd om daar wat aan te veranderen. Er zijn speciale tijdschriften, er is een Fries boekenweekgeschenk, en er wordt zelfs succesvol huis-aan-huis verkocht. Het lijkt me dan ook een logische volgende stap om de actie Nederland Leest te kopiëren, en met een gratis Fries boek te komen dat iedereen in (en buiten) de provincie moet gaan lezen.
Zoals Peke zegt, als het gratis is, willen de mensen wel. Mocht Stichting It Fryske Boek wat in Fryslân Lêst zien, dan hoop ik wel dat ze een wat moderner en spannender boek uitkiezen dan Dubbelspel. Wat dunner kan ook geen kwaad, om de belangstellenden niet te veel te ontmoedigen. En dan maar zien hoever Peke komt.
Erik Betten is verslaggever bij het Fries Dagblad en vertelt op deze plek over zijn ervaringen met Fryslân en het Fries.
Boarne: Friesch Dagblad, 30-10-2006
FFU: Sjoch foar mear stikjes fan Betten ek by ‘Poadium’: 02-10-2006 en 16-10-2006.Goos Bies
Leeuwarden - Fryslân moet het vijfde land van het Koninkrijk der Nederlanden worden. Een maatschappelijk betrokken groep Friezen meent dat er een unieke mogelijkheid ligt om Fryslân meer bevoegdheden te geven, nu het kabinet werkt aan een wijziging van het koninkrijksstatuut. Om het ‘ideaal’ te verwezenlijken hebben ondernemer en publicist Doede Damsma en ambachtsman Jaap Jager de politieke beweging DeFriezen opgericht. Ze zijn van plan mee te doen aan de Provinciale Statenverkiezingen van maart 2007.
Het kabinet is momenteel bezig het Koninkrijk der Nederlanden een andere invulling te geven. In plaats van Nederland, de Nederlandse Antillen en Aruba met een status aparte, moet het koninkrijk worden gevormd door de vier landen Nederland, Curaçao, Aruba en Sint Maarten (Saba, Sint Eustatius en Bonaire worden gemeenten van Nederland). Minister Nicolaï van Bestuurlijke Vernieuwing onderhandelt hier woensdag over net het bestuur van Curaçao en Sint Maarten. Een definitief besluit wordt in de zomer van 2007 verwacht. Volgens Damsma is er daarom nog tijd om Fryslân bij de plannen te betrekken. [s. 1]
‘Fries moet meer zelfvertrouwen tonen’ [s. 7]
Er moet een referendum komen waarin Friezen zich mogen uitspreken voor meer bevoegdheden voor de provincie, vindt de nieuwe politieke beweging DeFriezen. Als een meerderheid daar voor stemt, is dat volgens Damsma een politiek feit waar Den Haag niet omheen kan. “Daarin moeten we veel meer zelfvertrouwen tonen. We moeten ons veel onafhankelijker opstellen”, aldus de Leeuwarder. Hij heeft zich met een groep deskundigen het afgelopen half jaar in de materie verdiept en zegt dat er staatsrechtelijke goede mogelijkheden zijn.
Damsma ziet kansen omdat de Friezen als enige nationale minderheid erkend zijn door de Nederlandse staat. “En daar is totnogtoe op geen enkele wijze invulling aan gegeven.”
Volgens Damsma is de toekomst van Fryslân als zelfstandige provincie in gevaar. Fryslân loopt gevaar te worden opgeheven, waarschuwt hij. D66 heeft al in het verkiezingsprogramma staan dat het de provincie wil laten fuseren met Groningen en Drenthe. Weliswaar is die partij geen politieke factor meer, maar volgens Damsma “is duidelijk dat in de Randstad wordt gesproken over een andere aanpak van de provincies”. Met de oprichting van DeFriezen wil Damsma een tegengeluid laten horen en hoopt hij te bewerkstelligen dat de toekomst van Fryslân deze Statenverkiezingen het centrale thema wordt.
Volgens Damsma, voorzitter van DeFriezen, wordt zijn beweging gesteund door een kleine twintig mensen die zich ergeren aan de afhankelijkheid van Den Haag. Zij zijn afkomstig uit het bedrijfsleven, het onderwijs en non-profit-organisaties. Geen van hen is betrokken of betrokken geweest bij een politieke partij. Het gaat om Friezen, Friezen om utens, import-Friezen en in Fryslân woonachtige Antillianen. De namen wil Damsma nog niet openbaar maken. Ik steek met deze plannen mijn nek behoorlijk boven het maaiveld uit. We hebben ervoor gekozen dat Jaap en ik eerst degenen zijn die naar buiten treden”, aldus Damsma. Secretaris Jager, orthopedisch schoentechnicus in Leeuwarden, zegt speciaal voor dit initiatief terug te komen naar Fryslân. Hij zit midden in een verhuizing van Amsterdam naar Hijum.
Het idee heeft Damsma de afgelopen maanden vaker gelanceerd, en kon volgens hem rekenen op bijval. Damsma is echter teleurgesteld dat een reactie van de Friese politiek vooralsnog volledig is uitgebleven. Om die reden wil de beweging zelf de politieke arena betreden. Damsma verwacht weinig van andere regionale politieke partijen. De FNP wil Nederland federaliseren en de Partij voor het Noorden wil Fryslân laten opgaan in een noordelijke provincie. “De FNP zegt al jaren dat ze meer bevoegdheden wil voor de provincie, maar ze komt nooit met concrete voorstellen. Federalisering is niet realistisch, dan moet je eerst alle andere provincies meekrijgen. Voor zoiets gebeurt, ben je twintig jaar verder, als het al gebeurt.” Meer interesse verwacht Damsma van Friese afdelingen van landelijke partijen, bijvoorbeeld van het Friese CDA dat zich volgens hem altijd onafhankelijk opstelt.
Volgens Damsma is zijn beweging niet een one-issuebeweging. Er zijn ook plannen ontwikkeld op het gebied van economie, infrastructuur en sociale zekerheid. Die zouden prima gedropt kunnen worden bij het toekomstdebat over Fryslân in 2030, dat deze maanden gaande is in de provincie. Damsma vindt het niveau van Fryske Fiersichten echter teleurstellend. “Er wordt helemaal niet over de toekomst van Fryslân gesproken. De enige visie die ik heb gezien, is nota bene afkomstig uit een bijeenkomst van Ruurd Walinga, die los van de provincie een meeting had georganiseerd met mensen van de kerken. Voor de rest zijn het experts, vaak van buiten Fryslân, die hun woeste ideeën en losse flodders op Fryslân betrekken [loslaten?, FFU]. Een visieloze bedoening.”
Boarne: Friesch Dagblad, 30-10-2006
FFU: Hat Damsma mei ien mûle tagelyk Hollânsk (tsjin it Friesch Dagblad, sjoch boppe) en Frysk (tsjin de Leeuwarder Courant: 30-10-2006, Partij voor zelfstandig Friesland) praat? Dat mei in godswûnder hjitte. Of hat de ferslachjouwer fan it Friesch Dagblad Damsma syn wurden net letterlik sa opheind, mar wat sabeareboarte en krekt dien oft Damsma gjin Frysk koe … Of koe de sjoernalist net Frysk skriuwe, mar woed er dat net blike litte? Wa sil it sizze …?
En fierders: ‘Het idee heeft Damsma de afgelopen maanden vaker gelanceerd …’ Wa hat no wat lansearre? Wat hat no wa lansearre? Hat it idee derfoar soarge dat Damsma lansearre waard en krige dat byfal? Of wie it Damsma dy’t it idee nei bûten brocht hat en krige hy byfal? Wa sil it sizze …?LEEUWARDEN - Voor de komende statenverkiezingen heeft zich een nieuwe politieke beweging gemeld: deFriezen. De groep wil een betere toekomst voor Friesland en de Friezen. Daartoe moet volgens hen de provincie Friesland veel meer bevoegdheden krijgen. Dat kan volgens de beweging alleen als de provincie een land wordt binnen het Koninkrijk der Nederlanden.
Voorzitter van de vereniging deFriezen, die inmiddels opgericht is om later een kandidatenlijst samen te kunnen stellen, is de ondernemer Doede Damsma uit Leeuwarden. Hij publiceert regelmatig over Friese zaken. Jaap Jager uit Amsterdam is secretaris.
De achterban bestaat volgens Damsma vooral uit ‘Friezen om utens’, Hollanders die in Friesland wonen en mensen van de Antillen die in Nederlands wonen en precies weten hoe het zit met de status van de Antillen. Die wetenschap gebruikt de beweging ook om voor Friesland meer bevoegdheden te krijgen. Van de achterban heeft niemand ervaring in een politieke partij, aldus Damsma.
Hij denkt dat veel Friezen zich in de nieuwe beweging kunnen vinden. Zo zijn er heel veel reacties geweest op het voorstel van Alexander Pechtold om één noordelijke provincie te vormen. ‘Dêrút meitsje ik op dat in protte Friezen net foar opheffen fan ús provinsje binne.”
De Leeuwarder heeft zich verbaasd over wat de politieke partijen in hun programma’s over Friesland zeggen. “Fan de FNP hoege wy neat te ferwachtsjen. Neffens FNP-lieder Johannes Kramer is Fryslân gjin efterstânsgebiet en gjin probleemregio. Dat hat er by de betinking op it Reaklif sein. Dat neam ik apekoal.”
De toekomst van Friesland moet volgens hem het centrale punt bij de statenverkiezingen worden. As yn it Westen provinsjes gearfoege wurde, dan moatte wy sels ek wat betinke”, vindt Damsma. De FNP schrijft wel over meer bevoegdheden voor Friesland, maar verbindt daar geen tijdpad en einddoel aan, stelt hij vast.
Binnen de FNP is de nieuwe beweging onbekend, reageert Johannes Kramer. Zijn eerste reactie op het belangrijkste standpunt van de beweging is dat dit ‘frij ekstremistysk’ is. De FNP streeft ook naar een betere plek voor de Friezen binnen Nederland en naar meer bevoegdheden en middelen voor de provincie Fryslân, maar probeert dit volgens Kramer op normale wijze, via het sluiten van verdragen.
Boarne: Leeuwarder Courant, 30-10-2006
FFU: Sjoch ek by ‘Poadium’, Damsma: 24-05-2006, De Fries lit it der sels by sitte … en 11-08-2006, Baden-Württemberg foarbyld foar Fryslân. Fierders ‘Poadium’: 03-11-2006, Gjin ferlet fan dreamers (Pieter de Groot).Geert Driessen van it ITS in Nijmegen publiceerde onlangs een interessant rapport over het spreken van een streektaal of dialect. Een van de conclusies was dat er een veerschil is tussen Limburg en Brabant: ‘Voor Limburg is het effect positie: naarmate er meer Limburgs wordt gesproken is de taalvaardigheid Nederlands ook beter. Voor Brabant geldt het omgekeerde: in de gezinnen waar het meeste Brabants wordt gesproeken, is de taalvaardigheid het laagst.’
Een deel van de verklaring is het verschil in status. In Brabant heeft dialect spreken veelal een negatieve klank, omdat het vooral hesproken wordt in gezinnen waarvan het opleidingsniveau laag is. In Limburg heeft het Limburgs altijd veel meer status gehad: door alle lagen van de bevolking wordt het gesproken. Verder lijkt het erop dat Limburgers zich er meer van bewust zijn dat ze een andere taal spreken dan de ‘Hollanders’.
Ik denk dat dezelfde argumentatie kan worden losgelaten op allochtone talen. Het feit dat allochtone kinderen met een andere moedertaal starten, zou voordeel moeten geven: ze leren immers het Nederlands als tweede taal. Ze zouden dus betere taalleerders moeten zijn, zoals de Limburgers. Maar ze blijven hangen op het niveau van de Brabanders waar het spreken van dialect alleen maar nadelen oplevert, omdat ze de eerste taal slecht beheersen en deze taal een lager sociale status heeft.
Je zou hieruit kunnen concluderen dat buitenlanders die Nederlands moeten leren, eerder gebaat zijn bij het beter beheersen van hun eerste taal dan door ze te dwingen hun moedertaal zo snel mogelijk te vergeten. Hoe beter ze hun eerste taal spreken en hoe hoger de status is van die eerste taal, hoe beter de taalvaardigheid in de tweede taal.
Je ziet dat heel goed bij de beter opgeleide buitenlanders die juist makkelijk een tweede, derde of vierde taal leren omdat de taalvaardigheid in hun moedertaal hoog is.
Het schrappen van het Onderwijs in Allochtone Levende Talen (OALT) zou je op grond van dit onderzoek als een slechte zaak kunnen zien. Juist die positieve aandacht voor de moederaal komt die vaardigheid voor Nederlands hoogstwaarschijnlijk alleen maar ten goede. Maar herintroductie van OALT zie ik in het huidige politieke klimaat niet zo snel gebeuren, terwijl er juist wel veel belangstelling is voor het vroege leren van Engels. Interessant is dat uit onderzoek van het Early Bird Project in Rotterdam blijkt dat ook buitenlandse kleuters zonder problemen Engels leren en dat hun Nederlands daar zeker niet onder lijdt.
Op de radio hoorde ik Jan Stroop, taalkundige, over het ITS-onderzoek. Hij was vooral kritisch over de manier waarop is vastgesteld of mensen dialect spreken: het is mensen zelf gevraagd. Er is niet vastgesteld of ze dat ook deden en in welke mate. Bij een lagere sociale status (Brabants) zullen mensen eerder zeggen dat ze geen dialect spreken. Het feit dat Limburgs er positief uitspringt, zegt volgens hem dus vooral iets over de status van het Limburgs.
En dat kan ik wel bevestigen. Ik heb zelf in Nijmegen gestudeerd en daar waren veel studenten uit Limburg. Irritant was altijd dat er door die mensen, zodra ze iemand tegenkwamen uit Limburg, meteen in het Limburgs werd ‘gekalt’; bij Brabanders ben ik dat nog nooit tegengekomen.
Christien van Gool (‘Column’)
cmmhvangool@planet.nl
Interessante websites: www.janstroop.nl en http://cf.hum.uva.nl/poldernederlands.
Neiskrift FFU:
Grif in nijsgjirrige analyze. De taalstatus docht der ta! Ek foar it Frysk. Yrritant fan Christien van Gool is dat sy it ‘írritant’ fynt as twa Limboargers har eigen taal tsjininoar prate, de meast natuerlike en winsklike situaasje dy’t men mar betinke kin. Is dat foar ien fan har nivo sa slim te begripen?
Yn Fyslân ferbrekke tefolle Frysktaligen har as der Hollanders yn de buert binne. Dy kinne dus noch wat fan de Limboargers leare. De ieuwenlange Hollânske taaldominânsje hat yn Fryslân blykber in gruttere útwurking hân as yn de súdlikste provinsje fan Nederlân. Ek it feit dat Frysktaligen suver automatysk Hollânsk tsjin Hollânsktaligen prate, ek al wenje en wurkje dy yn Fryslân, is foar in grut part ta te skriuwen oan de ûngelikense macht tusken de beide taalgroepen. De taalgedrachsnoarmen dy’t dêrút fuortkommen binne, hawwe har sûnt ieuwen fêstset. Sels sa dat ôfwiken dêrfan as ûnfatsoenlik sjoen wurdt (ferl. Reitze J. Jonkman, ‘De ynfloed fan macht op taalgedrach’, yn: De Pompeblêden, nû. 3, 1999,25-27.
De Friezen hawwe ek wat lêst fan ‘koudwatervrees ’as it om ‘taalbelied’ giet: “De kleine irritaties neemt men voor lief, en als iemand opkomt voor het Fries, noemt men die persoon al snel ‘fanatiek’. Het ontbreekt de meeste Frieszinnigen aan de moed, de vasthoudendheid en vaak aan de argumenten, om een dergelijk vertoon van taalmacht te doorbreken. Een succcesvolle persiflage is dan een speldenprik, maar de uiteindelijke uitkomst is dat de Kameleonhelden Hielke en Sietse anno 2003 op het witte doek Nederlands tegen hun ‘heit en mem’ spreken.” (Durk Gorter [Universiteit van Amsterdam/Fryske Akademy], ‘Nederlands en Fries op gespannen voet? Over ontwikkelingen in de taalverhoudingen in Fryslân’ [ferzje 13-08-2003]’).
It ûndersyk fan Geert Driessen
By de taalideology en it ûndersyk fan Geert Driessen (‘Ontwikkelingen in het gebruik van streektalen en dialecten in de perioade 1995-2003’; in artikel fan Driessen dêroer stiet yn it tydskrift Toegepaste Taalwetenschap) binne wol in stikmannich kanttekenings te setten. Wy meitsje dêrby gebrûk fan in foarriedige amtlike analyze fan de kant fan de provinsje.
It ûndersyk fan dr. Geert Driessen fan de Radboud Universiteit Nijmegen rjochtet him op it brûken fan de streektaal en dialekten troch âlden en har bern en de gearhing tusken it praten fan in streektaal/dialekt mei de urbanisaasjegraad, sosjale klasse fan de âlden en de taalfeardigens yn it Nederlânsk fan bern.
Fan twa learjierren is ynformaasje sammele oer learlingen, âlden, groepslearkrêften en direksjes fan 600 basisskoallen. Der binne 6 ferskillende geografyske taalgebieten ûndersocht: dat fan it Frysk, Leechsaksysk, Limboarchsk, Brabânsk, Sieusk en fan it Hollânsk. De stekproef beslacht 34.240 learlingen; 7000 learlingen de mjitting. Foar Fryslân giet it om 30 ferskillende basisskoallen. Dat is 5% fan it totale tal skoallen yn Nederlân. Der is yn it ûndersyk foar de Fryske taal spesifyk ûnderskied makke yn ‘it ferstedske plattelân’ en ‘ít plattelân sels’ de sifers slagge op de learlingen út groep 4 (1995) en groep 2 (1997-2003). It giet sadwaande om bern tusken de 6 en 8 jier.
De algemiene konklúzje is dat it praten fan it dialekt c.q. streektaal foars ôfnimt. Yn 1995 praat noch 27% fan de âlden ûnderling dialekt/streektaal; yn 2003 is dat sakke nei 18%. It Limboarchsk wurdt it meast praat troch âlden, folge troch it Frysk. In bysûnder útkomst is dat yn 1995 troch 60% fan de âlden dy’t yn Fryslân wenje, Frysk praat wurdt, wylst dat yn 2003 sakke is nei 41%. It brûken fan it Limboarchsk troch âlden is fan alle streektalen/dialekten it meast stabyl bleaun (fan 63% nei 57%).
Yn 1995 wurdt yn de helte fan 5 domeinen (mem/heit; bern-mem; bern-heit; bern-sibben; bern-freonen) Frysk praat en yn 2003 noch mar in tredde.
Taalideology
De ûndersiker leaut yn it ljocht fan syn ûndersyk dúdlik dat minsken mear kieze foar ien unifoarme taal (it Nederlânsk) foar de húshâlding en foar de kommunikaasje mei oaren. De technyk makket dat neffens Driessen needsaaklik. Ommers, by moderne techniken wurdt faak ek foar de unifoarme taal kezen (earst Nederlânsk, oars Ingelsk). Foar de streektalen/dialekten bestiet dêr gjin oanbod foar. It taalbelied fan de Provinsje Fryslân docht yn syn eagen net folle fertuten; de minsken moatte sels it besef hawwe, sy moatte it dwaan. Hy giet boppedat yn syn fraachstelling út fan de ientaligens as noarm. Driessen hat in monolinguale taalideology.
It ûndersyk
1. It ûndersyk rjochtet him allinnich op ‘gerapporteerd taalgedrag’, dus op wat de lju sizze dat se dogge. Der is net neigongen wat de minsken werklik dogge. Der is ek net sjoen nei taalhâlding, taalbesef en taalwil. Boppedat koe der mar ien taal keazen wurde, net bygelyks ‘vooral Nederlands’ of ‘vooral Fries’. Mei oare wurden, de ûndersiker giet yn syn fraachstelling út fan de ientaligens fan it yndividu as noarm. Soks pakt foar it Frysk negatyf ús as it om ‘feiten’ en de kar foar ientaligens giet.
Friezen hawwe oer it generaal in hege wurdearring foar de Fryske taal. En it brûken fan it Frysk by famyljeberjochten en drompelmominten giet omheech. Boppedat binne Friezen ‘linich’ (sjoch boppe) yn de omgong mei it Nederlânsk en Frysk. De fraach nei Frysktalige en/of twatalige pjutteboartersplakken en berndeiferbliuwen giet omheech, wylst Driessen útgiet fan in tendins nei ientaligens (Algemien Nederlânsk/ABN).
2. Driessen hat foar de beide learjierren (groep 2 en groep 4) net deselde skoallen ûnderfrege, mar by eltse periodike telling oare skoallen brûkt.
3. Yn it ûndersyk stiet dat per taalgebiet ûndersyksdata fan 7000 learlingen sammele binne. Der binne 30 fan de 482 basisskoallen befrege (mar 6% fan alle skoallen), lanlik 5% fan alle skoallen. Dat strykt wol mei it ynwennertal fan Fryslân as part fan Nederlân (4%).
Ut in logyske berekkening docht bliken dat in trochsneed klasse (groep 4) 25 learlingen hat. Soks kin eins allinnich mar by de ‘gruttere’ skoallen yn de grutte plakken, dêr’t it minste Frysk praat wurdt. De ûndersiker seit, dat er by de skoallen yn Fryslân gjin útsplitsing makke hat. By de analyzen is wol de urbanisaasjegraad kontrolearre. De list fan de befrege skoallen koe de ûndersiker net leverje.
4. It ûndersyk is útfierd út it eachweid fan de Nederlânske taal wei. Boppedat binne de fragen yn it Nederlânsk steld. De krêft foar it Frysk leit benammen yn it meartalige perspektyf. De fraachstelling oft it brûken fan in streektaal/dialekt in negative ynfloed hat op de taalfeardigens fan it Nederlânsk, is efterhelle troch nij ûndersyk. Lykas út it ûndersyk fan Bernie van Ruijven ek bliken docht, hat it brûken fan in dialekt/streektaal gjin negative gefolgen foar it Nederlânsk.
5. It aspekt taalfeardigens is mar mei ien toets metten. Driessen soe ferlykje moatte mei de evaluaasjedata fan oare ûndersiken.
6. De konklúzjes wurde wol hiel algemien werjûn yn de kranten*, wylst it materiaal slacht op learlingen tusken 6 en 8 jier en op âlden (ûnder 33 jier, 33 - 39 jier; boppe 40 jier).
7. De Fryske taal wurdt ûnderbrocht by de rige fan dialekten en streektalen en net as twadde rykstaal. Dat seit ek hiel wat oer it perspektyf. It Frysk is ommers in taal dy’t ek troch oarstaligen (derby) leard wurde moat, dus as FT-2 op skoalle. Dat jildt perfoarst net foar de dialekten. Dy aparte status wurdt net oanjûn. De Fryske taal wurdt allinnich mei it Limboarchsk en it Leechsaksysk ferbysûndere as in offisjeel erkende taal.
8. Der is allinnich ûndersyk dien nei it praten fan in taal sjoen, wylst it by it Frysk fansels ek giet om lêzen, ferstean en skriuwen.
LEEUWARDEN - Naast de canon van de Nederlandse geschiedenis moet er een canon van de Friese geschiedenis komen. Dat is werk voor historici, maar voordat deze vakmensen zich hierover buigen, roepen wij onze lezers op personen, zaken of gebeurtenissen noemen. Meer hierover in de rubriek Harje.
Boarne: Leeuwarder Courant, 28-10-2006
FFU: Sjoch ek by ‘Poadium’, 28-10-2006, Wie en wat in de Friese canon (Pieter de Groot, ‘Harje’)Leeuwarden - De komende kabinetsperiode moet de positie van het Fries worden versterkt door het nakomen van oude afspraken met het Rijk. Dat is belangrijker dan het smeden van nieuwe plannen, vinden Friese (aspirant-)Kamerleden van CDA, PvdA, VVD en GroenLinks.
Zittend kamerlid Joop Atsma (CDA) en de aspirant-leden Lutz Jacobi (PvdA), Tom Kuperus (VVD) en Isabella Diks (GroenLinks) kregen gisteravond in de De Bres in Leeuwarden verschillende stellingen voorgelegd over de positie van het Fries in onderwijs, cultuur en samenleving.
De Ried fan de Fryske Beweging stelde onder meer dat Europese aanbevelingen over maatregelen om het Fries te bevorderen, niet serieus worden genomen door het Rijk. Atsma en Jacobi reageerden door te verwijzen naar de bestuursafspraken die Gedeputeerde Ploeg [dat moat grif Mulder wêze, FFU] nog onlangs met minister Van der Hoeven van OCW heeft bevestigd. Daardoor gaat de Onderwijsinspectie vanaf volgend jaar onder meer het niveau van de Friese les serieus beoordelen.
Een andere bestuursafspraak betreft Omrop Fryslân. Een heikel punt, want het huidige budget (13 miljoen euro) haalt het niet bij de benodigde 29 miljoen euro voor een volledige programmering. En dat was wel een van die bestuursafspraken. De drie aspirant-Kamerleden zeiden dat ze zich daar wel sterk voor wilden maken, maar Atsma smoorde de discussie met een nuchtere constatering dat de politieke realiteit heel anders ligt. “Nije wike is it debat oer de mediabegrutting. Ik kin jo no al sizze, dat ekstra jild komt der net.”
Gedeputeerde Ploeg [yn werklikheid wie it Mulder, FFU], aanwezig in het publiek, zei vooral te hopen dat het Rijk met de provincie en het onderwijs nu werk maakt van de batterij aan afspraken die er ligt. “Dêr moatte wy hurd mei oan ’e gong. En dan sjogge wy yn 2010 wol wat der noch oerbliuwt.” Een houding die overeenkwam met die van de vier politici in het forum.
De Ried had in de stellingen nog wel een aantal provocerende [yn ús eagen wiene se dat net, FFU] ideeën opgenomen, maar kreeg de politici daar niet in mee. Zo werd gepleit voor een ‘status aparte’ op taal- en cultuurgebied, en in een andere stelling voor een verplichte cursus om het Fries passief te beheersen voor nieuwkomers. “Als u dat doet, had ik hier vanavond niet mogen zitten” [sleau praat fan har fansels, FFU], reageerde de net naar Fryslân verhuisde Diks, nu nog Statenlid in Gelderland.
Boarne: Friesch Dagblad, 28-10-2006LEEUWARDEN - De toekomstige Friese Tweede Kamerleden willen zich gezamenlijk inzetten om de positie van het Fries te verbeteren. Niet nagekomen afspraken tussen rijk en provincie moeten alsnog worden nageleefd. CDA’er Joop Atsma en PvdA’er Lutz Jacobi doen dat het liefst met de andere Friezen in Den Haag, zoals Isabelle Diks (GroenLinks) en Tom Kuperus (VVD).
Die vier waren gisteravond in debatcentrum De Bres in Leeuwarden te gast by de Rie fan de Fryske Beweging.”Wy moatte de hannen ynien [‘ynien’ is in hollânisme; better is ‘yninoar’. FFU] slaan, sadat wy in stapke fierder komme yn Den Haag”, vindt Jacobi.
De Friezen vormen straks maar een klein groepje in de Kamer. Ook Atsma vindt dat een eenzame politieke strijd geen zin heeft. “Dit moat oer de partijgrinzen hinne. It CDA, de PvdA, de VVD binne grut genôch om de posysje fan it Frysk oan de oarder te stellen. Dit is in gemienskiplike doel fanút Fryslân” [twa hollânismen efterinoar; goed Frysk is: ‘in mienskiplik doel út Fryslân wei’, FFU].
Het zit Friesland dwars dat het rijk afspraken met de provincie niet nakomt. Bij die afspraken wordt ervan uitgegaan dat bij alles beleidsnota’s en wetvoorstellen rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het Fries.
Atsma wil nog voordat de bestuursafspraken in 2010 aflopen en mogelijk vernieuwd worden een grondige evaluatie. Diks ziet daar het nut niet van in. Ze prefereert alsnog uitvoering van de afspraken. “Onderzoeken leiden vaak tot vertraging.”
Kuperus is verwoed voorstander van de invoering van drietalige scholen in Friesland, waar Engels, Fries en Nederlands op gelijkwaardig niveau worden gegeven. Ook de anderen voelen er veel voor. Atsma vindt wel dat de eerste verantwoordelijkheid van [‘voor’?, FFU] het Friese taalonderwijs bij de scholen ligt, die moeten het aanbieden. Ouders moeten er ook naar vragen, vindt hij.
De Ried fan de Fryske Beweging pleitte gisteravond onder andere voor meer geld voor Omrop Fryslân. CDA’er Atsma wil zich daar maandag in het kamerdebat over de mediabegroting sterk voor maken, maar komt dan wel op voor alle regionale omroepen. “Allinnich mear jild freegje foar Omrop Fryslân docht gjin rjocht oan de oare omroppen.”
Boarne: Leeuwarder Courant, 28-10-2006Het kon niet uitblijven. Na het verschijnen van de canon van de Nederlandse geschiedenis kwam er een stroom reacties op gang van mensen die erop wijzen dat een belangrijk feit, een beroemde figuur of een cruciaal jaartal over het hoofd is gezien. De commissie geeft hun hiertoe ook gelegenheid op een speciale website, www.entoen.nu.
Toch vormen de reacties voor prof. dr. Frits van Oostrom en de zijnen geen aanleiding om de kaart met de vijftig ‘vensters’ op de vaderlandse historie aan te passen. Zij hebben de kritiek bij voorbaat ingecalculeerd. Je kunt het onmogelijk iedereen naar de zin maken. Het verwijt dat de canon te zeer op Holland is gericht, pareren zij met de oproep zelf met een regionale of lokale canon aan de slag te gaan.
De Feriening Frysk Underwiis en de sectie Fries van de Vereniging van Leraren Levende Talen hadden dit al voorvoeld. Ook namens de Ried fan de Fryske Beweging en het Pedagogisch Wurkferbân van de Fryske Akademy hebben zij er in juni in een brief aan gedeputeerde en provinciale staten nog eens op aangedrongen werk te maken van een regionale component ten behoeve van het onderwijs in Friesland. Historicus-journalist Kerst Huisman had daarvoor zelf al een Friese canon ontworpen, bij wijze van aanzet tot de discussie.
Nu de discussie op internet, zowel op genoemde website als op onze eigen LC-site, is losgebarsten, wordt het hoog tijd te inventariseren wie en wat volgens de lezers van deze krant tot de canon van de Friese geschiedenis zou moeten behoren, die per slot van rekening veel ouder is dan de Nederlandse.
Om wat houvast te hebben, is het aan te bevelen om haar globaal in te delen in tien perioden. 1. De Friezen tot circa 1000; 2. De middeleeuwen. 3. Friesland onder de Saksen (1498-1515). 4 Onder Karel V (1515-1555); 5. Onder Filips II (1555-1581); 6. Friesland in de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden (1581-1795); 7. In de Franse tijd (1795-1813); 8. Als provincie van het Rijk der Nederlanden sinds 1813 tot 1900; 9. 1900-1945; 10. 1945-heden.
We verlangen geen uitputtende beschouwingen of volledige lijsten met namen en jaartallen. Het is voldoende die personen, gebeurtenissen, plaatsen of ontwikkelingen te noemen waarvan u vindt dat ze van belang zijn geweest voor de Friese geschiedenis.
Bijvoorbeeld de koningen Aldgillis en Redbad, de zendelingen Willibrord en Bonifatius, de Friese vrijheidsstrijders Jancko Doumama en Grutte Pier, de wolkammer-sterrenkundige Eise Eisinga, en verder onder veel anderen Us Heit en Us Mem, de eerste vrouwelijke student Anna Maria van Schurman, de socialistische ‘foaroanman’ Pieter Jelles Troelstra. Of u noemt schermutselingen, zoals de slagen bij Warns en Boksum, de bloedige strijd tussen Schieringers en Vetkopers of Kneppelfreed.
Overstromingen zijn Friesland ook niet bespaard gebleven: Allerheiligenvloed, Sint-Pietersvloed, Elisabeth-vloed. Grote werken waren er ook: aanleg Het Bildt; aanleg Afsluitdijk; het brengen van de zeedijken op Deltahoogte.
Verder valt te denken aan categorieën literatuur (Gysbert Japix, Ober Postma, ‘Rimen en Teltsjes’, ‘Oera Linda Boek’, ‘It Wrede paradys’, wetenschap (Franeker universiteit), sport (Abe Lenstra, Hotze Schuil, Atje Keulen-Deelstra, Rintje Ritsma, Elfstedentocht, PC) en verzetsdaden (De Overval).
Kortom, graaf in uw geheugen en laat het ons weten, vergezeld van een korte motivering. Stuur uw inzending voor 4 december per e-mail naar harje@leeuwardercourant.nl of in een envelop zonder postzegel, maar met duidelijke vermelding FRIESE CANON naar Redactie Leeuwarder Courant, Antwoordnummers 6252, 8900 VC Leeuwarden. In de krant van zaterdag 9 december stellen w u van de uitslag op de hoogste.
Pieter de Groot (‘Harje’)
Boarne: Leeuwarder Courant, 28-10-2006
Neiskrift FFU:
Wy binne benijd wat der útkomt. Soch foar ús eigen aktiviteiten op dat mêd ‘Brieven 2006, útgien’: 03-06-2006 -> Provinsje: Hoe fierder mei de Fryske kanon?
Fierders: ‘Poadium’, 17-10-2006, Een canon door een Hollandse bril; 13-07-2006, Een geschiedeniscanon in 65 versjes; 10-02-2006, Trinus Riemersma voert onofficiële canon aan; ‘Poadium 2005 en earder’: Desimber 2005, In Eigen Fryske kanon.
By ‘Aktueel’: 08-07-2006, Friese geschiedenis opgenomen in hart Nederlandse canon; 16-06/05-07-2006, Skriftlike fragen fan de CDA-steatefraksje oan Deputearre Steaten (DS) oer it ûntwikkeljen fan in kanon foar de Fryske taal en kultuer en de antwurden dêrop; 08-06-2006, Fryslân moet canon samenstellen; 25/26-02-2006, Canon moet lange weg afleggen; 03-02-2006, Fryslân moet zelf aan de slag met een geschiedeniscanon; 02-02-2006, Klein rolletje voor Friesland in geschiedeniscanon; 01-02-2006, Op wei nei ‘In Fryske kanon’?.Us merkteken: 2006-071
Fragen foar debat mei kandidaatleden foar de Twadde Keamer op 27-10-2006
Posysje Frysk yn de Grûnwet fan Nederlân
De Europeeske Uny sil aanst op ’e nij te set mei in nij Konstitúsjoneel Ferdrach (dat yn Frankryk en Nederlân yn 2005 ûnder de titel ‘Grûnwet’ ôfkard is). Yn it nije Konstitúsjonele Ferdrach sil opnommen wurde it Hânfest mei de Rjochten fan de Europeeske Boargers (Nice, 2000); yn kêst 22 fan dat Ferdrach stiet: “De Uny respektearret it ferskaat oan godstsjinsten, kultueren en talen. Guon oare EU-lidsteaten hawwe bepalings oangeande de nasjonale taal en it ferskaat oan talen op har grûngebiet yn de Grûnwet.
Nederlân hat yn 1996 it Europeesk Hânfest foar Regionale of Minderheidstalen ratifisearre en teffens 48 ferdrachsferplichtings út diel III fan dat Hânfest ûnderskreaun foar it befoarderjen fan it Frysk yn Nederlân. Nederlân hat yn 2005 it Kaderferdrach Beskerming Nasjonale Minderheden fan de Ried fan Europa ratifisearre. Dêrmei binne (allinnich) de Friezen as nasjonale minderheid erkend mei de Fryske taal as meast ûnderskiedende kenmerk. Dy erkenning fan de Friezen as nasjonale minderheid en it Frysk as twadde rykstaal freget om ferankering yn de Grûnwet fan Nederlân.
Yn de Twadde Keamer is yn 1997 in inisjatyf-wetsútstel behannele dat it net helle hat:
Kêst 22-a: “De bevordering van het gebruik van de Nederlandse taal is voorwerp van zorg van de overheid.” It Berie foar it Frysk hat yn 1998 al in kear dizze tekst útsteld: Kêst 22-a: “De bevordering van het gebruik van de Nederlandse taal en de Friese taal is voorwerp van zorg van de overheid.”
Fraach: is Jo politike partij ree om op ’e nij stúdzje te meitsjen fan de mooglikheid om it Frysk te ferankerjen yn de Grûnwet?
Ynspeksje fan it ûnderwiis
De Ried fan Europa hat yn it Rapport oan Nederlân (2004) oer de tapassing fan de 48 maatregels foar it Frysk út diel III fan it Europeesk Hânfest foar Regionale of Minderheidstalen: “It was also pointed out to the Committee of Experts that the scaling up of the Inspectorate and its moving outside the province of Fryslân has meant that supervision in terms of the Frisian language and bilingual education has diminished. Moreover, the requirements of the Education Inspectorate with regard to the teaching of Frisian are not strict enough.”
Minister Van der Hoeven hat yn juny 2005 (!) yn de Earste Keamer tasein, dat yn oerlis mei de ryksynspeksje fan it ûnderwiis in “toezichtskader” (ramt fan tafersjoch) opsteld wurde sil.
Yntuskentiid is wol ferskynd it ynspeksjerapport “De kwaliteit van het vak Fries in het basisonderwijs en het voortgezet onderwijs in de provincie Fryslân” (2006), mar it ‘toezichtskader’ is noch net op it aljemint kommen. Dat komt û.o. omdat de ryksynspeksje gjin (ekstra) formaasje earmerke hat foar it tafersjoch op it ûnderwiis yn it Frysk.
Fraach: Is Jo politike partij ree om de posysje en de ynset fan de ryksynspeksje foar it ûnderwiis yn it Frysk formeel en mei middels te fersterkjen?
Trijetalige skoalle
It ynspeksjerapport “De kwaliteit van het vak Fries in het basisonderwijs en het voortgezet onderwijs in de provincie Fryslân” (2006) makket dúdlik, dat Nederlân net foldocht oan de Europeeske minimum-standerts foar goed ûnderwiis yn de minderheidstalen. De minimum-standerts hawwe betrekking op tiidsynvestearring, learmiddels, toetsing en kwaliteit fan de learkrêften. Ut it ynspeksjerapport blykt ek, dat âlden wol mear (en better) ûnderwiis yn it Frysk wolle as no oanbean wurdt op skoalle.
Yn de ôfrûne acht skoaljierren hat in oantal basisskoallen yn Fryslân mei sukses in projekt útfierd “trijetalige skoalle” mei Frysk, Nederlânsk en Ingelsk as fak en as fiertaal. De resultaten foar alle trije talen binne bemoedigjend, de learlingen en de âlden binne entûsjast.
(Sjoch bygelyks de Volkskrant, 11-10-2006.)
It past by de kulturele kontekst fan Fryslân yn Europa, dat alle learlingen oan de ein fan de learplicht alle trije talen Frysk, Nederlânsk en Ingelsk sa goed behearskje dat sy har rûnom yn de maatskippij rêde kinne. Goede foarbylden fan trijetalich ûnderwiis yn oare regio’s yn Europa binne te finen yn Finlân, Baskelân (Spanje), Ladinië (Itaalje), Lúksemboarch en Noard-Fryslân (Dútslân).
It is eins hiel logysk dat de learlingen opgroeie ta meartalige Europeeske boargers (think global, act local) en dat it konsept fan de trijetalige skoalle tapasber en tagonklik makke wurdt ta in algemien ûnderwiismodel foar alle learlingen fan it basisûnderwiis én fan it fuortset ûnderwiis yn Fryslân.
Der binne lykwols beheinende faktoaren op it mêd fan de trochgeande learline fan basis- nei fuortset ûnderwiis, de toetsing en it foech & de kwaliteit fan de learkrêften.
Fraach: Is Jo politike partij ree om yn de ûnderwiiswetjouwing de trijetalige skoalle foar alle ynwenners fan Fryslân fan 4 - 18 jier mooglik te meitsjen?
Bestjoersôfspraak Fryske Taal en Kultuer
Yn kêst 1.1 fan de Bestjoersôfspraak is fêstlein, dat yn alle beliedsnota’s en wetsútstellen fan de ryksoerheid rekken hâlden wurde sil mei de konsekwinsjes foar de Fryske taal. Yn de praktyk komt dêr neat fan op de hispel. Foarbylden: Wet Kinderopvang; Wet Maatschappelijke Ondersteuning
Nei it ferskinen fan wetsútstellen en beliedsnota’s moat de provinsje altyd sels inisjatyf nimme om spesifyk aspekten fan de Fryske taal en kultuer yn te bringen. It ynstrumint fan it healjierlikse amtlike oerlis oer de Bestjoersôfspraak – dat foar dat doel ynsteld is (kêst 9.7 BFTK) - funksjonearret net goed.
Yn guon oare EU-lidsteaten is in sterkere rezjy en koördinaasje fan it nasjonale belied oangeande de minderheidstalen yn de foarm fan in publykrjochtlik orgaan, bygelyks Skotlân (Bòrd na Gaeilghe), Finlân (Svenska Folktinget) en Ierlân (Fóras na Gaeilghe).
Fraach: Is Jo politike partij ree om yn it ramt fan de tarieding fan de nije Bestjoersôfspraak (fanôf 2010) in stúdzje dwaan te litten nei de meast optimale struktueren en ynstruminten foar it nasjonale belied foar de Fryske taal en kultuer?
Boarne: Konsultatyf Orgaan, 27-10-2006
FFU: Sjoch ek by ‘Brieven 2006, ynkommen’, 27-10-2006, of klik op: KO-fragen oer Frysk taalbelied.pdf. En fierder ek by ‘Poadium’ en ‘Aktueel’: 28-10-2006, Kamerleden samen op de bres voor Fries en 28-10-2006, Kamerleden over positie Fries: Eerst oude afspraken nakomen.Het zijn van die voorspelbare verkiezingsrituelen. Politici die alles beloven, in de hoop onze stem in de wacht te slepen. Mocht het ze lukken te worden verkozen, dan worden de beloften in de ijskast gezet. Gelieve koel te bewaren tot de volgende verkiezingsronde.
Het meest heb ik te doen met kandidaten die op een avond van de Ried fan de Fryske Beweging moeten optreden. Ooit had de PvdA daar Fedde Schurer voor, die van 1956 tot 1963 in de Tweede Kamer zat en na Kneppelfreed voor de Friese beweger een held was. Schurer heeft voor de erkenning van het Fries veel betekend. Maar het partijbureau zag er wel op toe dat hij niet werd afgevaardigd naar bijeenkomsten waar het Fries bij de aanwezigen op weerstand kon stuiten. Dan hadden ze liever een Hollander als spreker.
Morgen is er in het nieuwe debatcentrum De Bres in Leeuwarden een onderonsje van Friese kamerleden, die de Friese bewegers moeten behagen. Zij dragen alle vier het Fries een warm hart toe en zullen, zodra ze in de Kamer worden gekozen, er hun stinkende best voor doen. Ze gaan dan ook ongetwijfeld hoopvolle dingen zeggen. Joop Atsma van het CDA, Lutz Jacobi van de PvdA, Tom Kuperus van de VVD en Isabella Diks van GroenLinks. Op de LC-kieslogs hebben Jacobi en Kuperus al een voorschotje genomen. Zij pleiten voor beter onderwijs in het Fries.
Kersverse PvdA-kandidate Jacobi is op haar log het meest uitgesproken. Aanstaande onderwijzers en leraren moeten verplicht het ‘foech Frysk’ halen en een speciale aandachtsfunctionaris moet erop toezien dat het Fries in het basis- en voortgezet onderwijs als een volwaardig vak onderwezen wordt. Van vrijblijvendheid, of, zoals dat ooit eufemistisch werd geformuleerd, een ‘vederlichte verplichting’ zal geen sprake zijn.
Deze en andere eisen worden al jaren bepleit door de Ried fan de Fryske Beweging, de Feriening Frysk Underwiis, de Friese politieke partijen en last but not least het provinciaal bestuur zelf, maar zij kunnen praten als Brugman of, zoals onlangs weer gedeputeerde Bertus Mulder in een Te Gast (LC 13-10), hun vingers blauw schrijven, als het rijk zijn verantwoordelijkheid met een korreltje zout neemt, komt er niets van terecht.
Het is zo simpel: Den Haag moet de kaders stellen, het onderwijs moet ze invullen, en de inspectie moet op straffe van sancties op de naleving ervan toezien. Recent onderzoek heeft het succes van de meertalige school aangetoond. Ook dat behoort nu tot het eisenpakket, voor Tom Kuperus is een drietalige school, waarin de kinderen zich spelenderwijs het Fries, Nederlands en Engels eigen maken, zelfs het uitgangspunt. Maar zolang nog slechts zeven van de 450 Friese basisscholen hiermee ervaring hebben, kan er amper van een succes worden gesproken.
De politici krijgen dus een zware dobber op hun ‘Fryske’ beloften waar te maken, alle fraaie bestuursovereenkomsten uit het verleden ten spijt. Wie er namelijk echt een punt van maakt, wordt meewarig aangekeken, of vooral ongelovig: Friezen kunnen toch ook Nederlands? Wat is dan de meerwaarde van het Fries? En dan komen onherroepelijk de tegenstanders in het geweer, die menen dat het de reken- en (Nederlandse) taalachterstanden in de hand werkt, een pertinente fabel.
Tegen dit soort vooroordelen van overigens zeer weldenkende mensen is het slecht vechten. Een Friese versie van Lingo, zoals Lutz Jacobi voorstelt, zal niet helpen om de vooroordelen weg te nemen. Integendeel, ze zal deze eerder aanwakkeren, want zolang op het gros van de scholen de schriftelijke beheersing van het Fries nauwelijks aan bod komt, blijven de meeste Friezen analfabeten in eigen taal en brengen ze van zo’n staveringsspelletje niets terecht. Misschien is het wat voor de schooltelevisie?
Pieter de Groot (‘Harje’)
Reacties: harje@leeuwardercourant.nl
Boarne: Leeuwarder Courant, 26-10-2006
FFU: Sjoch ek by ‘Aktueel’, 24-10-2006, Friese versie Lingo moet taal redden en 25-10-2006, Omrop niet te porren voor idee Friese Lingo. En fierders benammen by ‘Brieven 2006, ynkommen’: 27-10-2006ßRied fan de Fryske Beweging: Diskusjejûn oer it lanlik belied foar it Frysk. It Te Gast-stik fan Mulder stiet by ‘Poadium’, 13-10-2006, Meartalich en net analfabeet yn it Frysk.JIRNSUM - Een Friese versie van het tv-spelletje Lingo kan bijdragen aan het versterken van de positie van de Fries taal, meent Tweede Kamerkandidaat Lutz Jacobi (PvdA) uit Jirnsum. Voorzien van een jeugdige formule moet Lingo volgens haar een kans krijgen op Omrop Fryslân.
De nationale versie van het taalspel dreigde eerder deze maand nog van de buis te verdwijnen vanwege een te oud publiek. Maar na protesten van kijkers en uit de politiek kwam de TROS ervan terug. Een Friestalige Lingo is een van de voorstellen van Jacobi om het haperende Friese taalbeleid van het rijk nieuw leven in te blazen.
Verder wil ze het Fries voor studenten aan de lerarenopleiding verplichten. Daardoor zal ook de Friese les op de basisschool en het voortgezet onderwijs verbeteren. De scheidende directeur van de GGD Fryslân doet haar voorstellen vandaag op de kieslog van de Leeuwarder Courant.
www.leeuwardercourant.nl/weblogs/kieslog
Boarne: Leeuwarder Courant, 24-10-2006FRANEKER - Niet Aletta Jacobs, maar Anna Maria van Schurman was de eerste vrouwelijke student aan een universiteit in Nederland. Daarom moet Van Schurman worden opgenomen in de nationale canon. Dit zei wetenschapper Pieta van Beek zaterdag tijdens een lezing voor de stichting Frjentsjerter Universiteit in Franeker.
Jacobs werd in 1871 als eerste vrouw toegelaten tot een universiteit, zeggen de samenstellers van de canon. Maar in 1636 studeerde Van Schurman al aan de universiteit van Franeker, stelt Van Beek: “Aletta Jacobs kwam pas eeuwen later kijken”. Van Schurman wordt in de canon alleen genoemd als iemand die in Utrecht “wat colleges heeft mogen volgen”. Ze overleed in 1678 in Wiuwert..
Boarne: Leeuwarder Courant, 13-10-2006Alfons Dölle
Eens in de zoveel tijd kom ik op het dorpskerkhof waar mijn ouders liggen. Een klassieke dodenakker in Bakhuizen. Prachtig onderhouden door vrijwilligers die daar vrijwel alle dagen bezig zijn met maaien, harken en allerlei ander onderhoud. Je ziet de toren van de kerk en je hoort knarsende kinderfietsjes, mensenstemmen en autogebrom. Al die geluiden worden door de omheining van struiken en bomen gedempt.
Het dorp gaat zijn gang zoals overal der wereld in talloze dorpen het leven zijn gang gaat. Wanneer je verder dwaalt over het kerkhof, lees je de namen van mensen uit het dorp van vroeger, in steen gebeiteld. Je ziet bij het ouder worden natuurlijk steeds meer namen van vrienden en bekenden van toen.
Het dorp zoals dat in je hoofd zit, rust hier, zoals een wereldwijd gebruikte uitdrukking het zegt, in vrede. Maar in je hoofd komen beelden terug. Je ziet ze weer bezig en hoort ze praten, je herinnert je allerlei gebeurtenissen waarin ze een rol speelden. Het dorp van toen herleeft in brokstukken.
Dat is natuurlijk niet alleen het geval tijdens wandelingen over het kerkhof. Dat is ook zo wanneer je oudere mensen hoort vertellen over het verleden of naar oude foto’s kijkt. Een dorp, zo besef je, is en blijft een bijzondere gemeenschap. Je draagt een stukje daarvan in leven lang ergens diep in jet binnenste mee.
Voor de één is dat soms geen prettige herinnering. Dorps, boers, provinciaals zijn over het algemeen bijvoeglijke naamwoorden die een ongunstige klank bezitten. Het dorp verschijnt daarin als een bekrompen en beknottende gemeenschap. Met kranten dichtgeplakt zogezegd. Tegenpool van de stad als bron van vrijheid, welvaart en cultuur.
Voor mij, en ik denk voor veel anderen, overheerst een heel ander beeld. De herinnering aan het bijzondere en het waardevolle van dorpsleven. De verbondenheid met de natuur en het stempel dat de seizoenen op het dorp en de bossen en de velden er om heen zetten. Het was vooral de band met elkaar over de generaties heen. Daar hoeft niet te klef romantisch over te worden gedaan, want die wederzijdse betrokkenheid was deels noodzaak.
Geen onverdeelde idylle dus. Maar toch: men stond over het algemeen voor elkaar klaar. Dorpen boden ook een beschutte plaats aan mensen met een vlekje, zoals dat tegenwoordig wat bot heet. Ze werden niet zo snel gekatapulteerd naar goedwillende, maar dikwijls anonieme instellingen.
Er was die wat trage bezonnenheid, het dorpse ritme, dat zeker jongeren op de zenuwen kan werken, maar uiteindelijk vaak weldadig is. Dienstverlening was in de dorpen nog niet teruggebracht tot koopwaar. Het verenigingsleven bloeide; de deuren hoefden niet op slot.
Natuurlijk is er veel veranderd. Geert Mak beschrijft dat indringend in zijn boek ‘Hoe God verdween uit Jorwerd’die revolutie op het platteland. Forenzen overspoelende veel dorpen, de boerenstand smolt weg, toerisme rukte op, de supermarkt verving de oude grutters, kinderen vertrokken in groten getale naar onderwijsinstellingen in de stad, het culturele maar ook het kerkelijke leven verflenste, de massamedia brachten de stedelijke cultuur tot in alle hoeken en gaten, de mobiliteit van mensen nam spectaculair toe.
Mede daardoor verrommelde het open landschap, een trieste ontwikkeling die deze krant enkele weken geleden in een hoofdredactioneel commentaar terecht hekelde. Friesland als een ruim opgezette slordige buitenwijk van de randstad. Het klassieke dorp is over de hele wereld, zo lijkt het wel op de terugtocht.
De stormloop op de stad is immers wereldwijd in volle gang. Gedwongen door armoede trekken dorpsmensen in de Derde Wereld naar wanstaltig uitgedijde miljoenensteden om werk te zoeken, terwijl ze geplaagd worden door heimwee naar hun dorp.
Dorpen zullen echter, ook in Nederland, blijven bestaan. Veel dorpen worden meer en meer vluchtheuvels voor de vermoeide en soms bange middenklasse die de (voor)steden verlaat. Het klassieke dorp verandert daardoor vaak, zoals Mak dat al zag, sterk van karakter. Juist Friesland dat nooit een gewest van grote steden was en waar de cultuur, vooral ook de taal, voor een wezenlijk deel door de dorpen werd gevormd en doorgegeven, zal de gevolgen van deze verhuisstromen ondervinden.
Het zal daardoor een ander Friesland worden. Wellicht onherkenbaar voor die mensen op dat kerkhof uit het begin van dit stukje. Het heeft geen zin dit toe te juichen of te betreuren; het gebeurt nu eenmaal. Ik kan alleen maar dankbaar terugkijken naar een jeugd op een echt klassiek Fries dorp.
Boarne: Leeuwarder Courant, 21-09-2006
FFU: Is it werklik in needlot (‘het gebeurt nu eenmaal’) of kinne wy der noch wat oan dwaan as wy dat echt wolle? Yndied: it doarp is fan grut belang foar it Frysk.Ik zie dat Eise Eisinga het tot onze canon heeft geschopt. Een hele prestatie. De score Friesland/Groningen staat daarmee op 1-1, aangezien Alette Jacobs uiteraard Groningen vertegenwoordigt. Als we echter de hunebedden ook meerekenen als deels Gronings (er ligt toch maar liefst één in Groningen) wint Groningen. Verder is het eigenlijk bijzonder bedroevend gesteld met de niet-Randstedelijke vertegenwoordiging. Een Nederlandse canon? Het lijkt eerde een Hollandse canon,
Michael de Boer, Naarden
Boarne: NRC Handelsblad, 21/22-10-2006 (‘Opinie & Debat’, ‘BRIEVEN’)Boargers binne seurkonten en jeuzelsekken neffens de amtners en oarsom kleie boargers de hûndert út oer amtners (LC 13 oktober). Ik haw oare ûnderfinings mei de amtnerij. Yn de tiid dat ik as in bakjeman mei eigentalige wetternammen gemeentehûsbylâns gie, haw ik eins rûnom âldersbehelpsumste amtners troffen, benammen op It Fean en yn Frjentsjer.
Mar de lêste tiden binne guon gemeentebestjoeren oan it seuren. Nei It Fean ta om in dûbeltalich boargerjierferslach, waard ik fan de muorre (boargemaster) nei it sket (ried) stjoerd. Yn Damwâld is de ienfâldige saak fan in eigentalige riedswurklist al moannen en moannen sûnder útiten te reitsjen. Nei jierren is yn Ljouwert de striid om ús eigen ‘Wurdum’ nóch altyd net ta in útdragen ein kommen. Yn in gemeentebestjoerd mei seurderij òf taalbarbarij hinnebruie, mar minder as de feriening fan dy beide yn ien en itselde bestjoer is der net.
Bitgummole, R.J. Postma
FFU: As men hieltiten mar wer fan ’e bok op ’e ezel stjoerd wurde as it om dûbeltalige boargerjierferslaggen, Frysktalige riedswurklisten en offisjele Frysktalige plaknammen giet, dan doocht der wat net yn ús eigen Fryske lân. Dêr hoecht men dochs net sa lang om op te stinnen? It Frysk hat op dy mêden altiten al it bokje west en dat is tige skealik foar dy eigen taal. Binne se by de gemeenten no sa dom of sa loai as in ezel? Oan de peal fan de skande dermei!Ook na de verkiezingen van 22 november blijft Friesland sterk vertegenwoordigd in de Tweede kamer. Maar wat heeft deze provincie aan Friezen in Den Haag? Zijn de kamerleden zover te krijgen dat ze zich dwars door partijverbanden heen de komende jaren sterk willen maken voor enkele Friese zaken of moeten ze louter het landsbelang dienen? […]
Categorie uit beeld verdwenen:
In 1998 maakte D66 zich in het Fries sterk voor de positie van de tweede rijkstaal. Maar zelfs het woordje Fryslân gaat alle partijen nu te ver. […]
Categorie creatieve ideeën
Misschien valt alleen de suggestie van D66 om Friesland te laten fuseren met Groningen en Drenthe als enigszins creatief te beschouwen. Al is het de vraag of dit Friese stemmen zal opleveren. […]
MARCEL DE JONG,
LC-redacteur in Den Haag
Boarne: Leeuwarder Courant, 21-10-2006
FFU: It is yndied treurich, sa’n bytsje omtinken as Fryslân mei syn eigen taal en kultuer kriget. De lanlike politike partijen soene har skamje moatte.Directeur Salverda wil gidsfunctie in Europa
Reinier Salverda ging op 1 juni aan de slag als directeur van de Fryske Akademy. Na moeilijke jaren is het tijd voor de Akademy om weer doelen te stellen en vooruit de kijken. Salverda vertelt over zijn ambities en plannen.
Door Erik Betten
Salverda keert terug naar Nederland na een kwart eeuw in het buitenland te hebben doorgebracht. Van een cultuurshock is geen sprake. “Mijn familie is hier altijd blijven wonen, en als hoogleraar Nederlands ben ik ook in Londen continu met Nederland bezig geweest. Bovendien lijkt de over stap van Londen naar Leeuwarden groter dan hij is, want Londen is in wezen ook maar een conglomeraat van allerlei kleine gemeenschappen. […]
Fries
“Toen ik vier maanden geleden begon, heb ik mij ten doel gesteld om mijn toespraak bij de opening van het academische jaar, op de Akademy-dei, in het Fries te houden. Dus het eerste doel heb ik gehaald.”
In zijn wetenschappelijke loopbaan heeft Salverda geregeld over het Fries en de Friese literatuur gepubliceerd, maar zijn band met het Fries gaat nog verder terug. “Mijn ouders waren Fries, maar ik ben in Arnhem geboren. Daar hebben ze altijd Nederlands met me gesproken. Toch ben ik op mijn twaalfde op eigen initiatief een schriftelijke cursus Fries gaan volgen. Die heb ik niet afgemaakt, maar de belangstelling was er dus al wel vroeg.”
Salverda noemt zich halftalig. “Ik versta en lees het uitstekend, maar ik heb nog moeite met het actieve gebruik in de vrije conversatie. Daar volg ik nu een privé-cursus voor.” Vanaf zijn eerste dag heeft iedereen op de Akademy ook Fries tegen hem gesproken. Voor Salverda is het niet de eerste keer dat hij bij het begin van een nieuwe baan een taalachterstand moet overwinnen. “Toen ik in Indonesië begon, waar ik Nederlands moest geven aan leerkrachten, kreeg ik drie maanden om het Indonesisch te leren. Dat is toen ook gelukt. […]
Ambities
[…] Een project dat nog altijd in de kinderschoenen staat, is de Friese Encyclopedie. “Daar hebben de Provinciale Staten in 1999 geld voor vrijgemaakt, maar tijdens de crisis is de klad in dit project gekomen. Ik vraag me nu af of we wel een papieren encyclopedie moeten maken. Kijk naar Wikipedia, die website telt al drieduizend pagina’s in het Fries. Online kun je kennis heel anders organiseren, alles kan door elkaar staan en met elkaar verbonden worden, ook via HISGIS. Heel interessant.” […]
Kenniscentrum
De afgelopen jaren heeft de Akademy Leeuwarden internationale bekendheid gekregen door als centrum van het Mercatorproject te dienen. Met Europese subsidie is de onderwijssituatie van veertig talen in kaart gebracht, door overal dezelfde vragen op dezelfde manier te stellen. “Dat is heel moeilijk geweest, maar die veertig dossiers bieden nu prachtig materiaal om te vergelijken. Je kunt nu zoeken naar de beste oplossing voor bepaalde problemen en een soort Europees model voor minderheidstalen in het onderwijs maken.”
Dit jaar loopt het Mercatorproject ten einde. Maar Salverda wil het daar niet bij laten. De Akademy probeert met hulp van provincie en gemeente een Europees Kenniscentrum Meertalig Onderwijs op te zetten. Dat kan de dossiers blijven bijhouden en verdiepend onderzoek doen. “Bedenkt wel, over een paar jaar is iedereen in de EU meertalig. Dan is het ineens een algemeen Europees probleem, waar iedereen zich meer bezig moet houden. Wij hebben hierin een gidsfunctie gekregen in Europa, en de provincie en de gemeente zien dat ook zo.” De vraag is nog wel hoeveel geld zij voor de profilering over hebben.
Duurzaamheid
[…] Salverda wil aansluiten bij het provinciale initiatief Fryske Fiersichten, over het Fryslân van 2030. “Fries is de taal van het volk. Het floreert bij de lokale cultuur en stevige wortels. Maar tendensen als verstedelijking, toerisme en immigratie en de leegloop van het platteland zullen een rol spelen. Wat doet dat met het Fries? Daarom pleit ik voor een aanvalsplan voor de Friese taal en cultuur. Nu is er nog geen integraal taalbeleid voor het Fries. Ik vind dat dat boven aan de agenda moet staan als je het over de toekomst van deze provincie hebt.”
Fan ’e wike krigen wy der op de Nijpels-jûnen yn Diken wer en pear wylde ‘fiersichten’ by. In Friesland Heritage Celebration, wol Hans van Driem hawwe, direkteur fan it Nederlands Bureau voor Toerisme en Congressen. It soe in histoarysk doarp wurde moatte fan op syn minst 800 hektare, de besikers moatte it idee krije dat se hjir de njoggentjinde ieu binnenstappe. Al dy tûzenen toeristen - dy’t rûnomwei komme, Van Driem rûst har tal op 20.000 yn ’t jier-, wolle mar wat graach mei de autochtoane befolking op de foto, en mei har fiskje, jeie, keatse en aisykje. De toeristen wurde ynflein mei in seppelin. No sa, ik krij fiersichten fan Friezen yn Frysk kostúm, dy’t mei de toerist de skotse-trije dûnsje. Volendam, mar dan op syn Frysk.
Hollânske megalomanen seure al jierren oer in mega-attraksje dêr’t Fryslân ferlet fan hawwe soe, en dit is dan wer sa’n foarbyld. Gelokkich is it mar in dream fan Van Driem, dêr’t Nijpels him as ‘ekspert’ ta útdage hie, mar it falt wol op dat elkenien wat nijs en gruts betinkt om oan de toerist te ‘ferkeapjen’ Nimmen komt op it idee en doch mear oan de promoasje fan wat Fryslân al oan skatten hat.
Stel om te begjinnen in orizjinaliteitspriis yn foar de bêste slogan, want ‘Beleef Friesland’ is fan in obligatens dêr’t jo simpel fan wurde. De website tilt op fan platituden. Alles stiet derop, mar wat mist, is in goed ferhaal. It komt net fierder as it bekende VVV-jeuzelpraat, dat jo rûnom tsjinkomme.
Wy hoege der gjin mislearrings as Aeolus of Aqualutra mear by, ien ‘pretpark’ Duinen Zathe kin it skoan dwaan. Fersterkje ynstee dêrfan de besteande kulturele en rekreative ynfrastruktuer. Doch bygelyks as Yde Schakel eartiids, yn de mande mei in doe noch orizjinele VVV-direkteur. Hy brocht mei de Aldfaars-Erfrûte wer libben yn de besteande, prachtige greidedoarpen.
Meitsje fierder âlde tsjerke- en jaachpaden wer begeanber, se iepenje nije fiersichten. En prioriteit nûmer ien: slaan ús alve stêden mear acht. Bûten de alvestêdetochten om (as jo dy stêden inkeld oandogge en niet besjogge) wurdt der fierstente min mei dien, wylst se in ‘unieke eenheid in rijke verscheidenheid’ fertsjintwurdigje, dêr’t jo yn Nederlân gjin twadde eksimpel fan fine. Fryslân is ‘meer dan elf steden’, neffens de reklametaal fan Fryslân Marketing. It heart oarsom: eerst de elf steden zien.
Noch in foarbyld fan de wrâld op ’e kop. Yn it nijste nûmer fan de Moanne weeft Gryt van Duinen ôf mei de Hollânsktalige wurkgroep dy’t oanbefellings dien hat foar in nij Frysk Festival. Se is skrokken fan de ‘handreiking’ oan deputearre steaten. Har grutste stroffelstien wie de sin: “Friese taal kan gebruikt worden als dat functioneel is, festival is echter niet specifiek bedoeld om de Fries taal te promoten.” *
De namme Frysk Festival hoecht lykwols net oanpast te wurden, ommers ‘Frysk is een sterk merk”. De konklúzje moat wêze dat ûnder dy falske flagge de Fryske taal noch by folkloristyske útsûndering brûkt wurde sil, want dan is er funksjoneel. O irony. Yn 1980 waard it earste festival holden, it biedwurd wie doe Fryslân Boppe, in gjalp mei dûbelde betsjutting. Dat Boppe ferwiisde ek nei de boppesealen op ’e doarpen dêr’t de Fryske kultuer him yn haadsaak ôfspile. Foar in soad lju wie kultuer synonym mei folkloare. It festival wie in staalkaart fan it bêste dat de kultuer te bieden hie, it Hollânsk spile dêr gjin rol yn.
It twadde festival yn 1985 rikte fierder, it gong net allinnich mear om de brede staalkaart, mar ek om de ferdjipping. By elk festival dat dêrnei kaam, waard in trime heger klommen op de kulturele ljedder. Wat heger, wat minder ferlet der blykber is fan de Fryske taal. Dat komt, om’t de hegerein dy’t no oer it festival kediist, it Frysk net as fiertaal hat. Foar har is it folkloare dêr’t it wol sûnder kin, op dy kearen nei dat it ek folkloristysk wêze moat, by it sjongen fan de skotse-trije. Hupsûpengroattenbrij. Jo soene der om gnize kinne as it net sa slim wie.
PIETER DE GROOT (‘HARJE’)
Boarne: Leeuwarder Courant (‘Freed’), 20-10-2006, s. 2
Neiskrift FFU:
Wy gnize der mei Pieter ek net om en wurde der ek sljocht fan as jo de opfettings lêze fan Van Klaver-en-dy (Gerard van Klaveren is ‘beëage’[raar Frysk] foarsitter fan in takomstich Frysk Festival). It foarige Frysk Festival-bestjoer joech der yn 2004 de brui oan, neidat de gearwurking mei Keunstwurk speak rûn. Deputearre Bertus Mulder soe gau mei in nij bestjoer komme dat fol faasje fierder gie. En dat bestjoer moat der no, twa jier letter, noch komme.
Wy nimme inkelde alinea’s út it stikje fan Gryt van Duinen, âld-bestjoerslid fan it Frysk Festival, yn de Moanne, dêr’t Pieter de Groot op doelt, hjirûnder sawat yntegraal oer:
* “Fan in útstutsen hân nei in deaskop
Een Handreiking voor een toekomstig Frysk Festival [...]
Frysk net ‘promote’
Wy binne no safier dat der in Handreiking is, mar ik wit net hoefolle oft wy oan dy útstutsen hân hawwe fan Gerard van Klaveren, Fred van Gelderen, Robert Jan Hageman en Arthur Oostvogel. Mei ien sin út dat stik rin ik al in pear dagen om: Friese taal kan gebruikt worden als dat functioneel is, festival is echter niet specifiek bedoeld om de Friese taal te promoten.
Hoe bedoelt u? Wannear is it Frysk funksjoneel? Om de kommunikaasje hoecht it net, want wa ferstiet no gjin Hollânsk? Kin de taal ek in kulturele funksje hawwe? Is Frysk net fan belang omdat ús taal ús sa eigen is, omdat it te meitsjen hat mei wa’t we binne, mei ús identiteit? Of binne we dan oan it ‘promoten’? Ja, dat effekt kin derby komme as je wat yn it Frysk dogge, mar is dat slim?
Oer oare talen wurdt net praat, dy binne allegearre fanselssprekkend. Ik hie tocht dat it Frysk je útgongspunt is en dat je, as je dat no perfoarst wolle, inkelde wurden wije oan oare talen. Sa fan: as it funksje hat, dan brûke je Hollânsk of Dútsk of Ingelsk. Fyn ’k prima. Sa is dat by de lêste festival ek altyd gien. Bygelyks Orfeo Aqua, in opera yn it Italjaansk, songen oan ’e Brekken. It Frysk Festival hat noait ienkennich west as it om taal en kultuer gie.
De iennige kear dat it wurd Frysk posityf neamd wurdt yn dizze Handreiking, is as it om de namme giet. Dy kin sa bliuwe, want ‘Frysk’is [...] een sterk merk en legt de verbinding met al het goede binnen onze provincie. Soe wol ris hearre wolle wêr’t de wurkgroep dan oan tocht.
[...] Se sille it Frysk pas ynteressant fine as in promininte marketingsadviseur út ’e rânestêd seit dat Frysk in unique selling point is.”
Boarne: de Moanne, nû. 8, oktober 2006, s. 23
FFU: Gryt hat gelyk. Se moat lykwols net te faak it wurdsje ‘je’ (tredde alinea) brûke. Dêr wurdt it Frysk net better en moaier fan.De Europese Unie laat zich door deskundigen adviseren over de betekenis van meertaligheid.
PETER NIEUWENHUIJSEN
docent taalkunde
De Europese Commissie heeft sinds kort belangstelling voor veeltaligheid. Daarmee is een onderwerp dat tot nu toe voorbehouden bleef aan de cultuurgerichte Raad van Europa, nu ook een zaak geworden van de meer op economie georiënteerde Europese Unie.
De Slowaakse eurocommissaris Jan Figel - die cultuur en talen in zijn portefeuille heeft - heeft op 20 september een raad geïnstalleerd, bestaande uit elf wetenschappers, onder wie specialisten op het terrein van de minderheidstalen.
Namens Nederland maakt hoogleraar Abram de Swaan deel uit van de raad, of ‘hoogniveaugroep’. Deze Amsterdamse socioloog neemt een bijzondere plaats in in de wereld van de sociolinguïstiek (de taalstudie die kijkt naar de relatie tussen taal en maatschappij). Zijn houding ten opzichte van minderheidstalen is in deze wereld namelijk uitzonderlijk. Hij verfoeit de gebruikelijke grondhouding van sociolinguïsten, die taaldiversiteit als een groot cultureel goed koesteren.
De vraag bijvoorbeeld of een bepaalde minderheidstaal zal voortbestaan, wordt door het overgrote deel van de sociolinguïsten niet neutraal benaderd. Overheidsmaatregelen ter bevordering van het gebruik van die taal zullen zij met instemming begroeten. Een dorp met een hoger percentage minderheidstaalsprekers bevindt zich in een ‘betere’ situatie, in termen van de sociolinguïstiek. Zij zullen vormen van taalpolitiek aanbevelen en daarbij in meer of mindere mate voorbijgaan aan de vraag of die taalpolitiek wel gewenst wordt door degenen die ermee te maken krijgen.
Met name dat laatste in De Swaan een gruwel. Hij ziet geen nut in het bevorderen van talen die geen economische waarde vertegenwoordigen, laat staan dat hij goedkeurt als mensen meestal kinderen, zo’n taal moeten leren zonder daarom te hebben gevraagd.
Nu klinkt dit laatste logischer dan het is. Kinderen vragen immers ook niet om wiskunde en geschiedenis, maar de maatschappij kan bepalen dat ze zulke vakken toch moeten krijgen. Zo komt het ook voor dat in een maatschappij onderwijs in een minderheidstaal wordt gegeven om die maatschappij in een toetstand te brengen die de democratische meerderheid als idealer ziet. De kinderen zijn daarbij het middel en worden tegelijk ook op die idealere toestand voorbereid. Het is redelijk daar twijfels bij uit te spreken en De Swaan gaat wel wat verder dan dat. Maar dat hij daar nooit voor zou kiezen, heeft ook te maken met twee beperkingen in zijn zienswijze.
Ten eerste heeft De Swaan grote moeite met de erkenning dat taal een aanzienlijke culturele waarde vertegenwoordigt. In Nederland is deze beperking overigens algemeen: taal en cultuur plaatst men naast elkaar, terwijl in landen om ons heen, naar mijn smaak terecht, taal deel uitmaakt van het begrip cultuur.
Daarnaast erkent De Swaan ‘diversiteit’ niet al een waarde. Zijn waarden-en-normenpatroon is eenvoudigweg niet zo ingericht dat hij diversiteit als zodanig ‘waardeert’. Een citaat uit een rede van hem is in dit verband veelzeggend: “Waar feitelijke waarneming en theorievorming ontbreken, komt het aan op emotionele evocatie: de korenwolf, dat lieve dier, is een zeldzaamheid geworden, de panda, dat zwartwitte knuffelbeest, is vrijwel uitgestorven, het Bretons, die mooie taal, is ernstig bedreigd, het eeuwenoude Sorbisch staat op verdwijnen en ook het Fries voelt zich al een tijd niet lekker meer. Het komt in wezen neer op sentimentalisme, op taalsentimentalisme.”
Het is goed dat de EU een raad heeft ingesteld waarin geen koekoek één zang klinkt: zo’n commissie heeft geen waarde. Het is niet erg dat van Nederlandse kant een kritisch geluid komt, ook al heeft dit land nog onlangs een postzegel uitgebracht met het opschrift ‘Spreek je moerstaol, moderspraak, memmetaal’. Maar het zou wel beter zijn als De Swaan zijn begrip van ‘cultuur’ en ‘diversiteit’ eens heroverwoog voordat zijn hoogniveaugroep in september 2007 aanbevelingen openbaar maakt.
Boarne: Leeuwarder Courant, 18-10-2006Dat was even schrikken. Deze krant kopte gisteren op de voorpagina dat de Tachtigjarige Oorlog niet in de canon van de Nederlandse geschiedenis voorkomt. De geleerde professoren en doctoren uit de regeringscommissie-Van Oostrom zullen die periode toch niet als te onbelangrijk aan de kant hebben geschoven?
Gelukkig. Je moet even verder lezen, of in het internetjargon van tegenwoordig, ‘doorlinken’, want dan worden je in veertien hoofdlijnen de achtergronden bij de vijftig ‘vensters’ uitgelegd waar de belangrijkste personen, gebeurtenissen en ontwikkelingen liggen uitgestald. En dan blijkt dat je bij Willem van Oranje moet wezen, die vanaf 1568 vanuit Dillenburg de Nederlanden aanviel om het bewind van de hertog van Alva ten val te brengen.
Toen Willem in 1584 werd vermoord, leek de rebelse edelman die hij was, niets te hebben bereikt, maar postuum zou hij worden gerehabiliteerd als ‘vader des vaderlands’. Achteraf bleek hij de grondlegger te zijn geweest van de nieuwe Nederlandse staat, de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden, die met het Twaalfjarig Bestand in1609 feitelijk al zijn beslag kreeg en tenslotte bij de Vrede van Münster in 1648 als soeverein erkend werd. De belangrijke jaartallen staan er dus wel in, ja ook 1572, toen de Watergeuzen op 1 april Den Briel innamen.
De vijftig ‘vensters’ bieden een doorlopende blik op de historie, maar het is wel zaak dat onderwijzers via de ‘vertakkingen’ en ‘verwijzingen’ verder kijken. Anders vertellen ze je bijvoorbeeld alleen maar dat de Engelse monnik Willibrord de zee overstak om de Friese heidenen tot het christendom te bekeren en leer je niet dat hij bij deze moeilijke klus hulp kreeg van Bonifatius, wat deze in 754 bij Dokkum met de dood moest bekopen.
Over de Friezen gesproken: zij komen er bekaaid af, overgeleverd als zij waren aan de heidenen van nu, de Hollanders. Dat zij ooit een groot territorium bestreken, van het Zwin tot de Weser, wordt in geen enkel venster vermeld. Dat zij in 1345 de Hollanders bij Stavoren versloegen, waarbij graaf Willem IV sneuvelde, is voor de canoniseerders slechts een onbeduidend incident geweest. Het Reaklif is voor hen een deaklif.
Niemand zal Michiel de Ruyter zijn plaats als grootste zeeheld in de canon bestrijden, maar dat hij deze status mee te danken heeft aan andere helden, onder wie de Sexbierumer Tjerk Hiddes die hem in 1666 aan een overwinning had geholpen in de Vierdaagse Zeeslag, was op zijn minst een voetnoot (een ‘vertakking’) waard geweest. In het volgende treffen, de Tweedaagse Zeeslag, stierf hij in het harnas. Vier Nederlandse oorlogsschepen werden ‘Tjerk Hiddes’ gedoopt. Friese scholieren moeten hem dus op zijn minst als onze grootste Friese zeeheld kunnen thuisbrengen.
De canoniseerders hebben ten slotte slechts één Fries een prominente plaats toebedeeld. De wolkammer Eise Eisinga (1744-1828), die als amateur-astronoom in zijn huis te Franeker een planetarium bouwde, wordt nadrukkelijk neergezet als een exponent van de Verlichting. De Franeker Academie pikt hier een graantje mee, maar dat is natuurlijk veel te weinig.
Resumerend: de samenstellers van de canon hebben door een Hollandse bril naar de vaderlandse geschiedenis gekeken. Van de geschiedenis van ons heitelân steken de leerlingen van het basis- en voortgezet onderwijs welbeschouwd niets op. Wie was Albrecht van Saksen? Wie waren de Schieringers, wie de Vetkopers? Over hen geen spoor, en ook vrijheidsstrijders als Grote Pier, Jancko Douwama, Syds Tjaerda en Karel Roorda zijn achter in plaats van voor het venster beland. Ook over de grondvester van de Friese literatuur, Gysbert Japix, kom je niets te weten. Hoog tijd dus voor een Friese canon. Rijk en provincie moeten snel tot daden komen en een commissie instellen.
Pieter de Groot
Boarne: Leeuwarder Courant (‘Harje’), 17-10-2006
Neiskrift FFU:
Earder as Pieter de Groot hiene wy yn de FFU al sterke fermoedens dat it foar Hollanners, ek as se histoarysk ûnderlein binne, hast ûnmooglik blykt te wêzen om har Hollânske bril ôf te setten. En lykas sa faak komt it no ek wer út. Eise Eisinga blykt de iennichste Fries te wêzen yn de moandei, 16 oktober 2006 presintearre kanon fan de Nederlânske skiednis.
Wy hawwe der op ’e tiid foar warskôge, aksje fierd en oansetten jûn foar in eigen Fryske kanon. En oanstien op foldwaande kennis en ynformaasje yn de lanlike kanon oer de Fryske skiednis, taal en kultuer, dy’t wy fan belang achtsje foar alle Nederlanners. De lanlike ûnkunde oer Fryslân, syn skiednis, kultuer en taal is ommers tige grut.
De Steaten fan Fryslân binne no oan set om de lanlike kanon ynhâldlik ferbetterje en in eigen provinsjale kanon ûntwikkelje te litten.
Sjoch ek by ‘Brieven 2006, útgien’.De sutelaktie van de Stichting Stellingwarver Schrieversronte was volgens direkteur Pieter Jonker een groot sukses. Nog nooit is d’r zoveule verkocht en daor hadde hi’j geliekan. Mitmekere hebben de sutelders veur mar liefst € 22.500 verkocht en omda’k de boel nog altied ommereken in guldens koj’ dan op een bedrag van zo rond de 50.000 gulden. Da’s bepaold gien kattepis en een groot komplement veur de sutelders.
En toch zit de Schrieversronte mit een perbleem: De basis waorop dit bedrag baseerd is, is naemelik wel hiel arg smal. Roegweghenne kuj’ stellen dat eenderde opbrocht is deur de verkope van de kelender, eenderde deur de boeken van Johan Veenstra, en de rest deur de aandere schrievers en de verkope van wat negosie, zoas cd’s, petten en fietsvlaggies.
Pienlik wodt et as we oons es richten op de verkope van, wat we mit een groot woord, literetuur neumen. (En daorbi’j he’k me echt niet kienderachtig opsteld in de keuze). Dan bliekt dat seuventich persint van alle boeken schreven binnen deur Johan en dertich persint deur alle aandere schrievers mit mekere. In geld uutdrokt is et verschil zels nog groter en koj’ op een percentage tachtich-twintich. Een prestaosie van fermaot veur Johan, mar slecht veur de beeldvorming.
Lessendaegs heurde ik et iene naemelik al over de Stellingwarver Veenstra Ronte hebben en hi’j was warkelik niet de ienige. Een misvatting, want de Stellingwarver Schrieversronte het
him deur de jaoren henne ontwikkeld tot een kultuurinstituut van fermaot, dat as vule brieder oriënteerd is en al lange niet alliend meer richt is op et uutgeven van literetuur: Et Stellingwarver Plaanteboek en de Regio tijdens de Tweede Wereldoorlog bin daor dudelik veurbielden van.
Mar toch is et wel een perbleem. Van een jonge ambitieuze schriever as Christien Magour, die notabene de leste tied toch aorig in de belangstelling staon het, bin d’r vier boekies verkocht
en om de kritiek mar veur te wezen, van Karst Berkenbosch mar liefst nul boeken. Et wodt haost lachwekkend.
Gelokkig doen de geschiedenisboeken et nog wel goed en ok de humor van ‘Wille op ‘e brille’ skoort nog altied. Mar veerder is et, wat de literetuur anbelangt, wat gesputter in de marge. Ik bin beni’jd hoe as de Schriever(s)ronte dit oppakt.
KARST BERKENBOSCH
Boarne: Leeuwarder Courant, 17-10-2006 (‘KLUNDEREN’)ERIK BETTEN
Trouwe lezers van deze columns zullen na het verslag van mijn examen gedacht hebben: “Zo, nu zal het wel eens over iets anders gaan dan z’n Friese lessen.” Ik moet zeggen: dat had ik zelf ook verwacht. Maar het heeft niet zo mogen zijn. Want koud bekomen van mijn eerste cursus Fries, ben ik in een nieuwe terechtgekomen: Fries voor de krant.
De aspirant-Friezen van de Afûk-cursus hebben plaatsgemaakt voor mijn dagelijks collega’s. Ook Juf Martsje is er niet meer bij; in haar plaats staat nu Gerbrich van der Meer voor de klas, het Friese geweten van het FD. Bij deze cursus geen weerpraatjes of varianten koek. Er telt eigenlijk maar één ding: hoe schrijf je het? Want waar je in een telefoongesprek of interview nog wel wat twijfelgevallen kunt wegmompelen, zal het in de krant 100 procent moeten kloppen. En misschien heeft u ons er wel eens op betrapt: dat percentage halen we niet altijd.
Maar hoe krijg je een redactie die vaak Fries spreekt, maar zelden schrijft, in korte tijd op het rechte pad? Juist. Met dictees. Het lijkt af en toe dan ook net een ouderwetse klas in een dorpsschooltje. Jong en oud, vloeiend Friestaligen en volslagen nieuwpraters, eensgezind zitten ze met de tong uit de mond zinnen op te schrijven als ‘it syke [sike …hintsje?] lei har aai oan de kaai’, of ‘it lytse famke hie ien hantsjefol mei wiete snie’. Het resultaat wisselt, maar zoals Juf Gerbrich zegt: als je goed leert luisteren, hoor je vanzelf hoe je het moet schrijven. Wie denkt dat de geboren Friezen het daarbij gemakkelijker hebben, komt bedrogen uit. Zo werd een collega beticht van gemakzuchtig ‘bernefrysk’, toen ze fuotten slechts met halve brekking uitsprak: ‘fjotten’. U merkt, niemand wordt gespaard, en er zullen dus nog wel wat dictees volgen. Maar uiteindelijk telt er maar eentje; de krant zelf. En u mag het cijfer geven.
Boarne: Friesch Dagblad, 16-10-2006
FFU: Sjoch ek by ‘Poadium’, 02-10-2006 foar mear kollums fan FD-ferslachjouwer Betten.GRONINGEN - Naast de traditionele herdenking van de Slach by Warns moet er een viering plaatsvinden. De herdenking lijkt nu te veel op een kerkdienst en laat bij aanwezigen eerder een 4 mei-gevoel dan een 5 mei-gevoel achter. Bestuurslid Klaas Yde Haarsma van de Friese studentenvereniging Bernlef in Groningen schrijft dit in het verenigingsblad De Harpe.
Jelmer Hitzert, contactpersoon van Bernlef, bevestigt dat meer Bernleffers er zo over denken. Het bestuur van de studentenvereniging was op 23 september, weer aanwezig bij de steen. De leden stonden er ,,mei kromme teannen’’, schrijft Haarsma. Het stuitte hen tegen de borst dat
er een Nederlandstalig toneelstukje opgevoerd werd en dat op kritiek op de herdenking, die daags daarvoor in deze krant verscheen, niet inhoudelijk werd ingegaan.
Haarsma schrijft dat een paar jaar geleden ook al eens door jongeren is geprobeerd de herdenking een andere opzet te geven. Over dit initiatief werd destijds gestemd. De helft was voor en de helft tegen, waarna vernieuwing werd tegengehouden.
Bernlef vindt dat een gevoel van ,,grutskens en ienheid’’ meer naar voren moet komen tijdens de bijeenkomst. De enige die daar de afgelopen keer wat in de buurt kwam, was FNP’er Johannes Kramer, die in ieder geval positivisme uitstraalde, aldus Haarsma. Van het bestuur van de Stifting Slach by Warns was vanochtend niemand bereikbaar voor commentaar.
Boarne: Leeuwarder Courant, 16-10-2006De Fryske beweging hat in temin oan selsfertrouwen. Dêrom is der hieltyd wer de rop om in taalwet, of it freegjen om in ynstelling as de Welsh Language Board yn Fryslân. Dy soe fiergeand foech hawwe moatte oer it plak fan it Frysk yn it ûnderwiis.
BERTUS MULDER
deputearre
Dat temin oan fertrouwen yn de takomst fan it Frysk fan de Fryske beweging komt oerien mei al dy oaren dy’t de ûndergong fan it Frysk foarsizze. Dat barde in skoft lyn by de presintaasje fan de útkomsten fan ûndersyk troch Omrop Fryslân en dat barde begjin augustus yn in ûndersyk fan Geert Driessen nei de posysje fan streektalen.
Fansels, it Nederlânsk is oerhearskjend, ek yn Fryslân. Mar dat is al fiifhûndert jier sa, en al dy tiid hat it Frysk him hanthavenje kinnen.
Ien fan de útkomsten fan it resinte ûndersyk fan de skoalle-ynspeksje oer it Frysk is dat de bern op skoallen yn Fryslân yn mearderheid thús Frysk prate. Ik haw Omrop Fryslân der net oer heard. En diskear gie it net om in behyplike stekproef, mar giet it om ûndersyk ûnder alle skoalbern yn Fryslân. Der is alle reden om op in goede manier mei it Frysk oan de gong te gean. Want it kin better. Dat die bliken út it rapport fan de ûnderwiisynspeksje út 2001 en dat wurdt befêstige yn it ynspeksjerapport fan juny 2006.
Yn 2001 sette de ynspeksje helder del dat op in soad skoallen
- net neigien wurdt hoefolle bern fan hûs út Frysk prate;
- net útgien wurdt fan adaptyf learen, wêrby’t kennis en feardichheden fan bern útgongspunt binne;
- der amper of gjin sprake is fan differinsjaasje op learlingnivo;
- net wurke wurdt oan wikselwurking tusken Frysk en Nederlânsk (transfer);
- in trochgeande ûnderwiisline oer alle jierren ûntbrekt.
It foech oer it plak fan it Frysk yn it ûnderwiis yn dizze provinsje leit by de skoalbestjoeren. Der is in wetlike ferplichting, mar folle wichtiger as dat binne hâlding, opfetting en oertsjûgings fan boppeskoalske direksje en skoalteams. Dy moatte wol foar de geast hawwe dat it Frysk der sûnder eksplisyt belied net komt. Der komt neat fan it Frysk op de hispel as learkrêften it belang fan it jaan fan Frysk net ynsjogge.
Op in gearkomste foar learkrêften fan it iepenbier ûnderwiis yn Drachten haw ik besocht dat belang oan te jaan. Der spilet yn ’t foarste plak it âlde didaktysk-pedagogysk argumint dat jo oanslute by de belibbingswrâld fan de bern en wurkje út it selsfertrouwen fan de bern wei. It fak Frysk is te faak sjoen as allinnich in opstapke nei it Nederlânsk.
Dêrom dat it Frysk faak yn de earste groepen noch wol in plak hat, mar letter hieltyd minder. Tagelyk docht bliken dat de learprestaasjes fan de Fryske bern yn deselde snuorje ôfnimme; in foarsprong yn de groepen ien oant en mei fjouwer ferdwynt yn groep fiif en seis, om yn in efterstân te feroarjen yn groep sân en acht. Ek dêrom soe der oanlieding wêze om ris goed nei it plak fan it Frysk te sjen.
Lang is tocht dat de iene taal de oare yn de wei sitte soe. Mar bern binne linich mei taal, en binne by steat om mear talen tagelyk te learen. Oars as hiel lang sein is, is goed en trochtocht meartalich ûnderwiis in pree foar de bern.
Yn in hieltyd grutter wurdende wrâld is der in drift nei unifikaasje. Alles ítselde. Oeral Mc-Donalds, rûnom op de wrâld. Oeral Ingelsk. Mar tagelyk is der ferlet fan it eigene en fertroude. En sa’t der plak foar it Nederlânsk yn Nederlân, sa is der ek plak is foar it Frysk yn Fryslân. Us bern meartalich, mar net langer analfabeet yn de memmetaal. Ut it eachpunt fan kultureel ferskaat, fan pluriformiteit is dat de iennichste wei.
Der is ek in hiel praktysk argumint. De measte bern sille har takomst fine yn dizze twatalige provinsje. Wat is der better en handiger as dat jo dy twa talen ek yn de macht hawwe, as ferpleechster, ûnderwizer, autoferkeaper, dokter, logopedist of advokaat?
Boarne: Leeuwarder Courant, 13-10-2006, s. 7
FFU: Sjoch ek de mienskiplike reaksje fan de FFU en de Ried fan de Fryske Beweging op de konseptûnderwiisnoata Boppeslach fan juny 2006. Dy is te finen by ‘Brieven 2006’, 02-10-2006 > Provinsje: Reaksje op de ûntwerpûnderwiisnoata ‘Boppeslach’. Klik dêr of hjir op: FFU-Boppeslach.pdf om ús mienskiplik brief oan de steaten te iepenjen.
En klik dêr of hjir op FFU-Boppeslach en BenM.pdf om ús wurdearring foar en krityk op dy noata te iepenjen. Dy is troch Tom Dykstra, foarsitter fan de FFU, mei út namme fan de Ried fan de Fryske Beweging útsprutsen yn in gearkomste fan de Steatekommisje Boarger & Mienskip op 18-10-2006.In moai nustje amtners fan de provinsje wie juster yn ’e Snitser Martinitsjerke yn ’t spier om de ideeën fan de Fryske befolking op te tekenjen. It wie de ôftraap fan trije publike debatten oer de takomst fan Fryslân, dy’t fan provinsjewege organisearre wurde. De opkomst fan de ynteressearre boargers foel dizze reis wat ôf, mar se krije noch twa kânsen, op 31 oktober yn Ljouwert en op 7 novimber yn Drachten. De jongeren krije har eigen debat, en de Friezen om utens meie yn Grins (27 novimber) en Amsterdam (30 novimber) har sechje sizze.
Op ’e pleats fan cdk Ed Nijpels yn Diken komme ûnderwilens de deskundigen gear, sis mar de befleine fakidioaten. Hja meie har kreativiteit loslitte op in Fryslân sa’t dat der neffens har yn 2030 útsjen moat. It komt oan op it fersterkjen fan de Fryske identiteit. Benammen lju ôfkomstich út de Rânestêd witte wat dy identiteit krekt ynhâldt, en hoe’t dy identiteit ‘in de markt kan worden gezet’.
Twa fan dy jûnen hawwe al west. Ryksboumaster Mels Crouwel stiel op de earste jûn de show mei syn plak om de Ofslútdyk fol te bouwen mei filla’s, as dy skielk dochs ferhege wurde moat. En de Drachtster skouboarchdirekteur Stef Avezaat kaam op de twadde jûn mei it plak fan in ‘gouden kooi’, in oase op it plattelân dêr’t ynternasjonale keunstners har weromlûke kinne. Hy hie dêrby grif net it each op de skriuwersarke op ’e Feanhoop. Trouwens, âld-Snitser Klaas Rusticus, bekend tv- en filmregisseur om utens, hat dat plak al earder lansearre: in sintrum foar kreativelingen, earne midden op ús wide romte.
Of wat te tinken fan in pretinsjeus wittenskiplik ynstitút à la Clingendael? It iene proefskrift soe it oare jeie. Dat op de Fryske Akademy ek de iene nei de oare promovearret, falt bûten har eachweid, mar dat mei hinnebruie, de saakkundigen noch de leken hoege har remme te fielen yn it uterjen fan ideeën.
Oer jild hoege se har net te bekroadzjen, dat komt der aanst by it sekfol, as de provinsje de Nuon-oandielen fersulveret. Dat smyt tusken de 1 en 1,5 miljard euro’s op, is de hjitting, dat kom mar op mei dy ideeën, en leafst foar konkrete projekten!
De amtners postearren har by de flap-over fan har dissipline – ekonomy, ûnderwiis, kultuer, soarch en wolwêzen, toerisme, romte, wetter en enerzjy – en noatearren flitich elk syn winsken. Ta sokke fiersichten as fan Crouwel en Avesaat kaam it net – immen woe alle wiken in Snitswike, mei hieltyd in oar tema, in oar woe hawwe, der moatte mear festivals komme, dêr’t Fryslân sjen lit wat it allegearre yn ’e hûs hat, leafst de hiele simmer lang, fan Oerol oant en mei de iepenloftspullen.
Fansels kaam it hieltyd grutter wurdende probleem oan ’e oarder fan boeren dy’t ophâlde en in lege pleats efterlitte. Ynstee fan in probleem, moat dat in nije kâns wurde. Meitsje der ‘zorgboerderijen’ fan, oasen yn it lânskip om te ‘ûntstressen’.
It moat Lammert Jansma, de fuortstjoerde direkteur fan de Fryske Akademy, deugd dwaan dat syn idee fan in universiteit fan minderheidstalen ek yntsjinne waard. Foar de grutte universiteiten binne lytse talen as Hebrieusk en Armeensk in bongel oan ’e poat, weistoppe as se binne yn in efterkeammerke. Fryslân kin de universiteiten fan har minderheidstalen ferlosse en der in eigen universiteit foar optuge, dan krije al dy talen it plak dat se fertsjinje en is tagelyk it Frysk út syn isolemint ferlost.
Ik moast fuort oan de frisist Germ de Haan fan it Frysk Ynstitút yn Grins tinke. Dy fûn dat gjin goed idee, om’t Fryslân gjin wittenskiplik klimaat hawwe soe, sokke teare plantsjes kinne hjir nea ta blei komme.
Mei dy mentaliteit moat foargoed ôfweefd wurde, begripe ik út de wurden fan de futurolooch-ekonoom Willen de Ridder, de begelieder fan de Fryske Fiersichten. As it klimaat der net is, dan moat it der komme, it tij sit no mei, dat gryp dy kâns, it is now or never.
Al dy oandroegen ideeën komme op de webside www.fryskefiersichten.nl en wurde yn desimber hânsum gearbrocht yn in soarte fan ideeëkalinder, bedoeld foar de nije provinsjale steaten dy’t ankom jier maart oantrede. Politisy meie net aktyf meidwaan oan de debatten. Fan in debat is oars gjin sprake by dizze ynventarisaasje. Juster gong it sa: Nijpels iepenet de jûn om goed kertier foar achten en praat fierstente lang, De Ridder praat (ek fierstente lang), it publyk spuit syn ideeën dy’t op de flap-over notulearre wurde (fierstente koart), de Ridder fandelet wat fan de teksten byinoar en fettet koart en rûch gear, Nijpels giet út en troch mei de mikrofoan de seal yn om immen syn statement sizze te litten, en stelt in pear stikeljende Rottenbergiaanske-fragen – oars net allinnich oan de boargers, mar ek oan de saakkundigen en bestjoerders lykas arsjitekt Merwin Haak en boargemaster Arno Brok. Om healwei tsienen wie it tiid foar de drankjes en de hapkes. De boarger wie alsa oan de krapperein kommen, mar gjin noed, se meie har ideeën ek tastjoere oan de provinsje, dy sil se dan op de webside tafoegje.
Hooplik kinne de ynlieders yn Ljouwert en Drachten koarter krieme, elk wit no wol wat fan him/har ferwachte wurdt, hy of sy wurdt achte de geast waaie te litten. Jou se dêrnei wat langer de gelegenheid om ek elkoar te ynspirearjen. It kin samar wêze dat immen dan ek noch yn it Frysk begjint. Dat doarst no nimmen oan, sels foarbyld-Fries Brok ferbruts him en prate yn eptige Hollânske stedhûstaal. Hy sil dochs net omlizzen gien wêze foar ús ‘anarchist in loondienst’ Huub Mous, dy’t op syn hiemside it Brok-Frysk bespotlik makke hat?
Ien fan de oanwêzigen sei it al: “Het ontbreekt de Friezen aan trots.”
PIETER DE GROOT
Boarne: Leeuwarder Courant (‘DWERS”), 13-10-2006Liever degelijk denkwerk
De media en politiek reageerden twee jaar geleden apetrots. Uit een internationale test (het Pisa-onderzoek) wasd gebleken dat Nederlandse middelbare scholieren in wiskunde tot de besten ter wereld behoorden. Alleen Finnen en Koreanen deden het iets beter. Maar scholieren uit 38 andere geïndustrialiseerde landen die aan Pisa meededen, scoorden minder goed dan de Nederlanders. En het leek geen toevalstreffer, want drie jaar eerder waren Nederlandse scholieren zelfde de nummer één van de wereld, ware het niet dat ons land gediskwalificeerd werd vanwege overtreding van statistische regels. Leuk natuurlijk, maar tegelijk een beetje vreemd. De hoge internationale resultaten staan namelijk haaks op de klachten van docenten en hoogleraren van universitaire bètastudies. Die foeteren al jaren dat nieuwe eerstejaars wiskunde steeds minder weten dan vroeger. Het gevolg, zeggen die docenten: ze zijn een deel van het eerste collegejaar kwijt aan het bijspijkeren van wiskundestof die eigenlijk op de middelbare school thuis hoort. Dat komt allemaal door dat verfoeide studiehuis waar slap gebabbel hard denk- en stampwerk verdreven heeft, zeggen sommigen erbij.
Voor het Utrechtse Freudenthal Instituut – de bedenker van het wiskunde-onderwijs in het voortgezet en basisonderwijs – was deze paradox reden om de internationale Pisa-onderzoek eens nader te analyseren. De conclusie die vorige week naar buiten kwam: er valt nogal wat af te dingen op de hoge Nederlandse Pisa-score.
In de eerste plaats waren de vragen van de Pisa-test ongelofelijk simpel. Te simpel eigenlijk voor scholieren die waarschijnlijk naar de universiteit doorstromen. Over hun niveau zegt de test dus vrij weinig. De internationale vergelijking zegt vooral iets over hert wiskunde-onderwijs aan de onderkant van het schoolsysteem. En dat blijkt in Nederland dus dik in orde. Wie in Nederland een vak leert, krijgt in de praktijkgerichte leerwegen van het vmbo toch een redelijke dosis wiskunde.
Tweede kanttekening is dat veel opgaven van de Pisa-test sterk overeenkomen met het soort wiskunde dat Nederlandse scholieren krijgen. Simpel gezegd: ‘verhaaltsjessommen’ met veel grafieken en tabellen. Op die Pisa-onderdelen scoren de Nederlanders dan ook bijzonder goed. Maar bij abstractere opgaven met formules doen Nederlanders het helemaal niet zo goed. En sommen waarbij meedere stappen nodig zijn om bij het antwoord te komen, daarmee moet je bij de Nederlandse jeugd evenmin aankomen. Dan geven ze snel op, schrijven de opstellers van het Freudenthal-rapport. ‘Ze hebben gebrek aan wiskundig doorzettingsvermogen’. Wie daar wel goed in zijn? De Duitsers.
De analyse van het Freudenthal Instituut bevat dan ook een duidelijke aanbeveling: ‘Er dient in het Nederlandse onderwijs meer aandacht te komen voor de meer formele en abstracte aspecten van de wiskunde’. En dat is frappant, want wie was er ooit verantwoordelijk voor de vervanging in het Nederlands middelbaar onderwijs van de klassieke ‘droge’ wiskunde door de ‘verhaaltjeswiskunde’. Juist, het Freudenthal Instituut.
Kees Versluis
Boarne: Intermediair 41, 12 oktober 2006, s. 55
FFU: Hoe soe it sitte mei it omtinken foar de mear abstrakte en formele eigenskippen fan taal, bygelyks foar it ûntleedzjen? En dat tapast op it Frysk?Tige fereare bin ik fansels dat ik op sneon 23 septimber, by de betinking fan de Slach by Warns, troch de foaroanman fan de FNP, Johannes Kramer, beneamd bin as goeie twadde FNP’er fan it jier. Ik hie dit komplimint alhiel mist as Johannes it letter net yn de Ljouwerter Krante (freed 29 sept.) skreaun hie. Fansels bin ik oan it flirten mei de FNP-kiezers yn Fryslân. Mar net omdat ik fyn dat it CDA it kontakt mei de Fryske kiezers kwyt rekke is. Myn flirt hat alles te meitsjen mei de kommende Twadde Keamerferkiezings. Ik sjoch dat de stimmers fan de tredde partij fan Fryslân lanlik sjoen dakleas binne. Ik wol op dat lanlike mêd graach harren lanlike folksfertsjintwurdiger wêze. Dêrfoar hoech ik net nei de FNP te krûpen. Ik ha my altiten hurd makke foar de Fryske ûnderwerpen en de Fryske kultuer, de Fryske taal foarop.
Fansels hat eltse FNP’er it by it rjochte ein as hy of sy fynt dat in stim op Rendert Algra in stim is op it CDA. Der is ek neat mis mei it CDA. It is sels de iennichste lanlike partij dy’t him yn it ferkiezingsprogramma sterk makket en útsprekt foar de Fryske kultuer en taal. Boppedat is it CDA in brede folkspartij en dat makket dat de fertsjintwurdigers net allegear oer ien kaam skeard wurde kinne. In brede folkspartij makket dat der in ferskaat fan mieningen is oer in protte ûnderwerpen.
Jubbega, Rendert Algra
Boarne: Leeuwarder Courant, 11-10-2006 [ynstjoerd stik]Door Fedde Dijkstra
In Sneek vindt donderdag weer een debat plaats over Frieslands toekomst (Martinikerk, 19.30 uur). Als het om cultuur gaat, wil burgemeester Arno Brok, voorzitter van de VNG-delegatie cultuur, wel een paar voorzetten geven. Geld of ideeën genereren is niet het grote probleem. Wat dit gewest volgens Brok nodig heeft, is lef.
De taal is de drager van de Friese cultuur. Juist daarom is Arno Brok zo slecht te spreken over de nieuwe taalnota van de provincie. Hij vindt het een “âldfrinzich stik”: wat hij mist is ambitie. Friesland moet op het gebied van cultuur en onderwijs veel meer baas in eigen huis willen zijn.
Dat terrein gaat de Sneker burgemeester aan het hart: hij bekleedt twaalf - onbezoldigde - culturele nevenfuncties. Zo is hij sinds kort voorzitter van de cultuurdelegatie van de VNG, die namens 452 gemeenten met de minster onderhandelt.
De debatten over Frieslands toekomst onder de noemer Fryske Fiersichten zijn een mooi initiatief, vindt Brok, maar als de achterliggende gedachte is ‘wat doen we met dat Nuon-miljard’ wil hij meteen de wissel opzetten. “It ferpartsjen fan jild is bysaak. It giet om de takomst fan Fryslân.” Al heeft de nieuwe opzet van het middenbestuur - de provincies - hier geen directe gevolgen, Friesland moet erbij zijn.
Het gestrande project Fryslân Fernijt uit 1995 deelde de provincie meer zeggenschap toe op terreinen als politie en milieu. “Dat is mislearre, mar je kinne it wol brûke om mei in nije ynset te praten oer it oerdragen fan foech, fan it ryksregear nei Fryslân, en ek fan de provinsje nei de gemeenten”, aldus de Sneker burgemeester.
Het rijk kan zo inhoud geven aan het erkennen van het Fries en het ondertekenen van Europese afspraken over minderheidstalen. De bureaucratie in de cultuur wordt meteen aangepakt en het geeft Friesland de kans een cultuurbeleid te voeren “dat ús past”. Het Noorden herbergt 10 procent van de Nederlandse bevolking, maar krijgt slechts 3 procent van de middelen voor cultuur toebedeeld, rekent Brok voor.
“Wylst Fryslân - mei Seelân - per haad fan de befolking it measte docht oan kultuer. It primaat leit hjirre, mar it foech net.”
Die zeggenschap zou Friesland ook voor het onderwijs moeten claimen. “It dragen fan it kulturele belied kin net sûnder trijetalige skoallen.” Alle basisscholen in de provincie zouden drietalig moeten zijn: Fries, Nederlands, Engels. Dat komt de taalontwikkeling van de kinderen ten goede, vindt Brok. Te veel wordt het Fries naast het Nederlands gezet. “It Frysk moatte je folle mear sjen yn Europeesk perspektyf. Dat mis ik ek yn de taalnota.”
Er wonen 250 tot 300 miljoen mensen in Europa. Maar liefst 45 miljoen spreken een minderheidstaal. Van die grote gemeenschap maakt Friesland deel uit en juist met die verwante gebieden zou deze provincie zich meer moeten verbinden, vindt Brok. Dan komen er meteen andere ambities om de hoek. Zoals Wales een ‘language board’ heeft, zou ook Friesland baat kunnen hebben bij een breed orgaan dat op het gebied van taal en taalontwikkeling geen kans laat liggen.
De provincie stelt zich op het gebied van taal en cultuur veel te defensief op, meent Brok. “It bliuwt no hingjen yn dingen lykas regiomarketing.” Friese etiketten, Friese reclamespots, allemaal aardig, maar daarmee komt Friesland er niet. “Ik ferwachtsje ambysje fan de provinsje.” Brok bepleit een jumelage met een andere, vergelijkbare streek in Europa met een minderheidstaal - om van elkaar te leren. Aan Wales denkt hij niet meteen - eerder streken als Friulië (in Italië) of Catalonië (in Spanje).
Taal is belangrijk als middel tot ontplooiing van het individu, doceert Brok. Hij kwam negentien jaar geleden naar Friesland en heeft zich het Fries snel eigen gemaakt – mede dankzij de Afûk, waarvan hij sinds 2003 voorzitter is. “Ik bin in nij-Fries. Mar by my hat bliken dien dat dy taal dingen losmakket.” En al negentien jaar lang hoort hij (Brok zet een neuzelstemmetje op): ‘It komt net goed mei it Frysk’, maar hij gaat er niet in mee. “Wat der allegear bard is by de Afûk, dat is mear as in revolúsje.” Er gebeurt van alles op het gebied van muziek (Liet), Friese film, toneel, iepenloftspullen, het gebruik van het Fries door “nije Friezen”. Eén van de moeilijkheden is nu juist “dat de Friezen sels sa dreech omgeane mei it Frysk”.
Bestuurders zouden zich meer bewust moeten zijn van hun voorbeeldfunctie, vindt Brok. Bij alle kritiek op de taalnota heeft hij bewondering voor gedeputeerde Bertus Mulder, die deze kar in z’n eentje lijkt te moeten trekken. De ambities op het gebied van de Friese taal en cultuur zouden straks in het nieuwe college veel meer “in mienskiplik fielen” moeten worden.
Naast meer zeggenschap moet de provincie nog wat van het rijk zien los te krijgen: een nationaal huisgezelschap. “Dat mist Fryslân, en benammen Ljouwert as kulturele haadstêd.” Het Princessehof als nationaal keramiekmuseum en toneelgezelschap zijn al voorzieningen om mee voor de dag te komen, maar een nationaal huisgezelschap zou een parel zijn. Op dansgebied bij voorbeeld, al is de dans in Friesland minder geworteld. “It soe ek in oar selskip wêze kinne. Soks soarget - lykas earder it konservatoarium - foar in soad nije dynamyk en it is in moai eksportmiddel.”
Waarom moeilijk doen over een nieuwe bestemming voor de huidige Fries Museumpanden aan de Tweebaksmarkt? “Dat kin dochs wer in kulturele bestimming wurde? Besykje der in nije nasjonale kulturele ynstelling yn te krijen.” Een museum gewijd aan de Nassaus bij voorbeeld. “Dêr soe it Eysingahûs in prachtich plak foar wêze. Miskien in moai inisjatyf foar myn âld-kollega Bearn Bilker om op te pakken.”
Kansen en mogelijkheden zijn er genoeg voor taal en cultuur. De enige bedreiging ziet Brok in het gebrek aan lef, het vasthouden aan oude concepten. Eindeloos gediscussieer, waarin ook de verhuizing van het Fries Museum dreigt te stranden. Dat moet als het kan morgen nog naar het Zaailand. “As wy hjír net útkomme, stel ik foar dat wy de kommende tweintich jier net wer prate oer de kultuer yn Fryslân.”
Boarne: Leeuwarder Courant, 07-10-2006
Neiskrift FFU:Spreek je boers tegen je kinders?! Mei jo ferlof, ja, jin myn eigen bern En bringe de moade ’t mei, yn frjemde spraak Ja, thús by wiif en bern, dêr sprek ik Frysk, HARMEN S. SYTSTRA (1817-1862) |
Spreek je boers tegen je kinders?! Met uw verlof, tegen mijn eigen kinders En brengt de mode tegenwoordig mee Ja, thuis bij vrouw en kind, daar spreek ik Fries, Oersetting: Jan Popkema |
FFU: Praat mar Frysk tsjin jim bern, dat soe it biedwurd fan de Friezen wêze moatte. Dan hat ús taal noch in swide takomst. Wy hearre dat net te litten om ‘’t noaswiis ûnferstân’. It boppesteande gedicht fan Harmen S. Sytstra kin ús noch altyd ynspirearje. It hat stien yn Swanneblommen, 1857, s. 49, en is dus al oardel ieu âld! De boppesteande ferzje is allinnich omstavere yn de hjoeddeiske stavering en letter oerset yn it Hollânsk troch Jan Popkema.
Sjoch ek by ‘Poadium’, 3, 4 en 5-08-2006.Datum antwurd: freed, 6 oktober 2006
Merkteken provinsje: 00657518
Ljouwert, 21 septimber 2006
Underwerp: Skriftlike fragen oer dopdomeinnammen
Achte hear Kramer,
Op 25 augustus 2006 hawwe jo skriftlike fragen ynstjinne rjochte oan ús Kolleezje (merketeken 654846). Hjirby beänderje wy jo fragen.
1. Hawwe DS kennis naam fan it nijs dat de Aland Eilannen as nasjonale minderheid yn Finlân in eigen saneamde topdomeinnamme op ynternet krigen hawwe?
Ja.
2. Binne DS op de hichte fan de stappen en kritearia dy’t it ferantwurdlike ynternasjonale orgaan hantearret om as regionale oerheid sa’n topdomein te krijen?
Ja. Dizze ynformaasje stiet op www.icann.org.
3. Binne DS it, sjoen de rapportaazje dy’t ICANN jout oer de talitting fan de Aland Eilannen, mei ús iens dat in eigen Fryske ynternetmienskip ûnder in eigen Fryske topdomeinnamme lykas .frl of .fy hiel wol mooglik is?
Nee. Sjoch punt 6
4. Binne DS ree prikken yn it wurk te setten foar de tarieding hjirfan?
Nee. Sjoch ek by punt 6.
5. Sa ja, wolle DS dan in koarte startnotysje mei in stappeplan neffens it model fan Aland foar beslútfoarming oan PS takomme litte?
Net fan tapassing.
6. Sa nee, wolle DS dan foar PS beargumintearje wêrom’t dit yn Fryslân net kinne of moatte soe?
It krijen fan de topleveldomeinnammen (TLD) .fr en/of .fy hat neffens ús ynformaasje gjin kâns fan slagjen. Op it webstek fan de Internet Assigned Numbers Authority, IANA, (http://www.iana.org/cctld/cctld-establishment-procedures-19mar03.htm), de organisaasje die ûnder oaren behearder is fan de ynformaasje oer topleveldomeinen, stiet hjiroer it folgjende:
“The IANA is not in the business of deciding what is and what is not a country, nor what code letters are appropriate for a particular country (..).For quite some time now, individual persons or organizations interested in obtaining their "own" TLD have been requesting the inclusion of "new" country names into ISO 3166-1 in order to get a new alpha-2 code element from the ISO 3166/MA and subsequently a ccTLD from ICANN. Such requests are absolutely futile, however, because the only way to enter a new country name into ISO 3166-1 is to have it registered in one of the following two sources: United Nations Terminology Bulletin Country Names or Country and region Codes for Statistical Use of the UN Statistics Division”.
Yn tsjinstelling ta Fryslân wurde de Aland-eilannen neamd yn it lêstneamde oersjoch, dat te rieplachtsjen is op it webstek fan de Feriene Naasjes (http://unstats.un.org/unsd/methods/m49/m49alpha.htm).
Deputearre Steaten fan Fryslân,
drs. E.H.T.M. Nijpels, foarsitter
mr. J. Wibier, sekretarisERIK BETTEN
Sneon 23 septimber wie it safier. It Afûk-eksamen. De 25 lessen Frysk fan juf Martsje hienen [hiene] tarieding genôch wêze moatten, mar doe’t ik sitten gie om oan it earste ûnderdiel te begjinnen, wie ik dochs wat benaud. Sa giet dat skynber [blykber] mei eksamens. No wie it skema fan dy dei op himsels al ûnhúslik neamen. Ik waard om njoggen oere ferwachte by in sealenkompleks [sealekompleks] yn Ljouwert, en krekt om healwei fjouweren soe ik it ôfslutende mûnling eksamen efter de rêch hawwe.
Gelokkich wie it earste part net it dreechste. In stik fan Meindert Talma oer de opskuor wêr’t [dêr’t] de namme fan syn band ‘The Negroes’ soms foar soarget, mei fragen oer de tekst. Mar doe folge in wurdskattoets, wêryn [wêryn’t; dêr’t ... yn] ik de betsjutting jaan moast fan guon wurden dy [dy’t] ik myn libben lang net mear brûke sil. Sûpenmoallenbrij bygelyks. Oft dat no ‘karnemelksegortpap’ is of ‘bloempap’(it lêste kloppet [is goed], ik tink net dat ik dêr oait [ea] om freegje sil. En ik kin my ek net yntinke dat ik hierwaskersguod sis, wannear’t ik ferlet ha [haw] fan sjampoo [sjampo].
Om’t de Afûk de eksamens fan alle nivo’s trochinoar yn deselde seal hold, koene de ‘net-Friezen’ dêrnei fyftich minuten mei skoft [skoft hâlde]. Doe folge it dreechste ûnderdiel: de tiidwurden. Is it mulwurd fan sliepe no ‘slept’ of ‘sliept’? Doe opnij [op ’en nij] in lang skoft, en úteinlik it mûnling. Dêrfoar moast [dêr moast ik foar] ik troch it stek, efterom, it Afûk-gebou yn. It wie hast yntimidaasje, sa lang duorre it foar [foar’t] it stek iepene waard. Mar se koene my de kop net mear oerstjoer meitsje, nei dy hiele moarn skriftlik eksamen. It healoerke Fryske prate [praten] wie dan ek samar om.
Doe’t ik wer op ’e Bûterhoeke stie, wie it healjier Fryske les, mei alle wille en soms in bytsje argewaasje, ynienen foarby. No ja, sa ynienen wie it net. Friezen binnen nofteren, sizze se wol, mar de Afûk naam rom de tiid foar dit ôfskie.
Boarne: Friesch Dagblad, 02-10-2006
FFU: Dit is it earste folslein Fryske stikje fan Betten as ôfsluting fan in Hollânsktalige rige (sjoch ûnder). Aardichdienfoar in begjinner! No mar op nei leargong-A of in oare Fryske taal- en staveringskursus om it skriuwen sûnder flaters wat better yn ’e macht te krijen!
Sjoch ek de oare kollums fan FD-ferslachjouwer Betten by ‘Poadium 2006’ op: 11-09-2006, 04-09-2006, 21-08-2006,10-08-2006, 07-08-2006, 24-07-2006, 26-06-2006, 03-04-2006, 20-03-2006, 06-03-2006, 20-02-2006 en by ‘Wytboek’, 07-02-2006 (Betten syn earste stikje oer ‘Friese les’).ANNEKE VISSER
Leeuwarden - “Er zou een Friese sms-taal moeten komen”, stelde Siem Jansen zaterdagmiddag voor in De Harmonie in Leeuwarden. Jansen, lid van het college van bestuur van ROC Friese Poort, was een van de sprekers tijdens een symposium over ‘Lezen en bewegen’, georganiseerd ter gelegenheid van het tienjarig bestaan van het Platfoarm Lêsbefoardering Taalryk Fryslân (PLTF).
“Het zijn gouden tijden voor de beeldtaal”, zei de oud-gedeputeerde. Moderne schrijfwijzen als ‘ff tsjekke’ bewijzen volgens hem dat taal niet meer hetzelfde is als pakweg tien jaar geleden. “Taal verandert ontzettend. Beeld speelt in de taalontwikkeling van jongeren een steeds grotere rol. Dat hoeft niet te betekenen dat de taal verloren gaat. Sms-taal zorgt ook voor vernieuwing.” En het Fries heeft daarin nog wat in te halen.
Verbeelden kunnen jongeren misschien goed, maar lezen moeten ze wel leren, stelde Jansen. “Taal leer je niet met computerspelletjes. Alleen met taalonderwijs kun je kinderen de structuur erachter bijbrengen.” Lezen is als het krijgen van een gouden medaille, zei Jansen, “maar jet moet er wel wat voor doen”.
Er zou in het onderwijs volgens hem daarom een grotere nadruk moeten komen te liggen op de eenvoud van het lezen. “Scholen krijgen steeds meer taken naar zich toe geschoven. Ouders verwachten ook steeds meer van de school. Maar verkeersles bijvoorbeeld kunnen kinderen ook thuis leren. Laten we ons meer concentreren op lezen. Dat is de basis voor alles.”
Keuze
Onderwijsgedeputeerde Bertus Mulder pleitte zaterdag ook voor een moderne benadering van het Fries. “De Friese taal moet met de tijd meegaan”, zei hij. Met de nieuwe taalmethode Studio F kunnen basisscholen daarin volgens hem een inhaalslag maken.
Ook het nieuwe programma Tomketiid ziet hij als een aanwinst voor het Friese taalonderwijs. Het Tomke-programma voor peuters was een van de eerste projecten van het PLTF. De ‘verjaardag van Tomke’ werd zaterdag tegelijkertijd met het symposium in De Harmonie gevierd met een jubileumfeest voor kinderen. Een populaire figuur, zo bleek: de kaarten waren al voor de zomervakantie helemaal uitverkocht.
Tweetaligheid is een keuze, stelde Mulder. “Op school heb ik geen woord Fries leren schrijven. Maar toen ik als kind voor het eerst zonder mijn ouders op vakantie was, besloot ik ze een brief in het Fries te schrijven. Het voelde zo onnatuurlijk om dat in het Nederlands te doen.” Veel docenten en kinderen kiezen volgens hem vaak uit gemakzucht voor het Nederlands.
Docenten hebben een veel te negatief beeld van de Friestaligheid van kinderen, vindt hij.
Uit een rapport van de Onderwijsinspectie dat vrijdag werd gepresenteerd, kwam naar voren dat docenten de Friestaligheid van kinderen zwaar onderschatten. “Het beeld was weer niet optimistisch”, zei Mulder. “De lessen sluiten nog te weinig aan bij de achtergronden van de kinderen. En daar hoort Fries gewoon bij.”
Niet alleen Fries spreken, maar vooral ook lezen en schrijven verdienen volgens de gedeputeerde meer aandacht.
Ook Aad Meinderts, directeur van Stichting Lezen, benadrukte het belang van lezen in het Fries. “Wie zijn eigen taal niet verstaat, begrijpt zijn eigen cultuur niet.”
Boarne: Friesch Dagblad, 02-10-2006‘Johannes Kramer sprak heldere taal’ lies ik moandei nei de betinking fan de slach by Warns yn ’e LC. Ik wie der net by en as ik it ferslach lês, dan muoit my dat ek net. As ik it goed foar it ferstân ha, leit it, neffens him, wer alhiel oan de Friezen sels as it net goed giet mei harren taal, en dat is no krekt wat ik net hearre wol. Yn alderhanne fermiddens doch ik myn bêst om safolle mooglik Frysk te praten en ik moat earlik sizze, dêr fiel ik my net altiten like noflik by. Ik bin nammentlik wol Fryskprater, mar dêrom noch net dom en ik haw dus wol troch hoe’t der, as ik der net by bin, oer my praat wurdt. Dan falle der wurden as ‘drammerig’, ‘fanatiek’ of ‘diepfries’ en ik wit wier wol, dat datsoarte fan wurden net as komplimint bedoeld binne.
In grut part fan de Friezen hat der net altyd nocht oan om foar ‘Typstra’ troch te gean en past him dus oan by de oerhearskjende taal, mar om dan te sizzen dat se sels skuldich binne oan it ferdwinen fan har taal giet my krekt efkes te fier. Soms dream ik derfan dat it gewoan fûn wurdt dat elkenien yn Fryslân de taal praat dy’t him of har it bêste past, mar ik bin sa stadichoan bang dat dat wol in utopy bliuwe sil.
Goutum, Anneke van der Woude
Boarne: Leeuwarder Courant, 30-9-2006 [ynstjoerd stik]
Neiskrift FFU:
Anneke van de Woude hat it grutste gelyk fan de wrâld. Wy (FFU-bestjoer) binne ek net dom. Wy wolle ek net hearre dat it (allinnich) oan de Friezen sels leit. Foar it Frysk moat fochten en striden wurde en dat is net maklik. Dat ropt wjerstannen op. As FFU-bestjoer hawwe wy allegearre ús minne ûnderfinings. As de taalmachtsferhâldings yn Fryslân net feroarje - en dêr sit de oast!- dan bliuwt it ‘fanselssprekkend’ praten en skriuwen fan de eigen taal yndied in moaie dream.
De FFU stribbet der nei om de Fryske taal enkultuer op syn minst in oan it Hollânsk lykweardich en lykberjochtige plak te jaan yn it ûnderwiis. Dat kin net sûnder taal- en ûnderwiiswetten dêr’t soks goed yn regele is. En ek net sûnder alderlei plichten foar de skoallen, dy’t kontrolearre wurde moatte. En sanksjonearre as se net neikommen wurde.
Dêrom wolle wy û.o. it Frysk as funksje-eask foar it pjutteliedsters en ûnderwizend en ûnderwiisassistearjend personiel yn it Fryske ûnderwiisdomein. Mar ek yn oare maatskiplike domeinen binne funksje-easken foar it Frysk needsaaklik. Tink oan it bestjoerlik ferkear en rjochtsferkear. En de soarch. En sa fierder. Soks feroaret in stikje yn de besteande, ferkearde machtsferhâldings. Sûnder Frysk gjin baan yn Fryslân (sjoch ek ús ynformaasje yn ‘Poadium’ oer de Finske Åland-eilannen: 23-09-2006, The Autonomy Act for Åland)!
Al yn 1991 kaam de Ried fan de Fryske Beweging mei it manifest: Eigen taal... earste taal! As dat realisearre wurde soe, dan hoecht nimmen mear in ‘Typstra’ te wêzen.
Klik op: RFDFB-Eigen taal... earste taal!.jpg om it manifest te iepenjen.
Sytze T. Hiemstra, skriuwer fan de FFU, hat dêrom op de moarnsgearkomste fan de Stifting Slach by Warns op 23 septimber 2006 (de dei fan de betinking op it Reaklif), mei út namme fan de FFU, in ynlieding holden oer in stikmannich wichtige knyppunten yn it taalbelied dy’t foar ’t neist mei in bettere taalwetjouwing foar it Frysk op te lossen binne. It muoit ús dat jo dêr net wiene.
Yn syn ynlieding ferwiist Hiemstra nei it manifest fan de Ried fan de Fryske Beweging út 1991: Eigen taal... earste taal!
Klik op: STH-Taalwet of net?.pdfOpset fan it ûndersyk
It ûndersyk bestie út:
1. in survey-ûndersyk mei fragelisten foar direksjes, learaars, âlden en learlingen en
2. observaasjes fan lessen Frysk. Op de fragelisten is in respons fan mear as 80% kaam.
Alle Fryske skoallen foar primêr, basis- en fuortset ûnderwiis, skoallen foar spesjaal ûnderwiis en skoallen foar praktykûnderwiis dy’t gjin frijstelling hawwe foar it jaan fan it Frysk, binne yn it ûndersyk behelle.
By de observaasjes binne yn it basisûnderwiis 58 lessen Frysk besocht en by it fuortset ûnderwiis 42 lessen Frysk.
Basisûnderwiis
- By 51% fan alles basisskoallen yn Fryslân binne Frysktalige learlingen yn de mearderheid. By 31% fan alle basisskoallen is mear as 75% fan de learlingen Frysktalich.
- Learaars prate ûnder elkoar Frysk yn 66% fan de skoallen.
- It persintaazje learlingen dat fan hûs út Frysktalich is, is by 36% fan de basisskoallen tebekrûn, by 45% is it lykbleaun en by 2% is it omheech gien yn de ôfrûne 5 jier.
- 76% fan de âlden fan bern yn it basisûnderwiis fynt it wichtich dat it Frysk op skoalle jûn wurdt. Fan de learlingen fynt 73% it Frysk op skoalle wichtich.
- Op 6% fan de reguliere basiskoallen wurdt gjin Frysk jûn.
Fuortset ûnderwiis
- By 63% fan de skoallen foar fuortset ûnderwiis binne Frysktalige learlingen yn de mearderheid. By 26% fan alle skoallen is mear as 75% fan de learlingen Frysktalich.
- Learaars prate ûnder elkoar Frysk yn 60% fan de skoallen.
- 67% fan de âlden fynt it goed dat der Frysk jûn wurdt oan harren bern yn it fuortset ûnderwiis.
- 7% fan de learlingen is bot motivearre foar it Frysk en 13% fan de learlingen yn it earste learjier soe it Frysk graach as eksamenfak kieze wolle.
- 40% fan de learaars hat gjin foech foar it jaan fan it fak Frysk
Alden tinke by sawol it basis- as it fuortset ûnderwiis in stik positiver oer it fak Frysk as dat direksjes en learaars tinke.
Boarne: Inspectierapport 2006-21. De kwaliteit van het vak Fries in het basisonderwijs en het voortgezet onderwijs in de provincie Fryslân. Technisch rapport. Utrecht: Inspectie van het onderwijs, juni 2006 (gearfetting Provinsje Fryslân)
FFU: Sjoch ek by ‘Aktueel’ en ‘Poadium’, 29-09-2006, Inspectie van het Onderwijs: ‘Frysk op skoalle’De kwaliteit fan it fak Frysk yn it primêre en fuortset ûnderwiis yn Fryslân
It ynspeksjerapport ‘Frysk op skoalle’ (juny 2006) is op 29-09-2006 ferskynd. De ynspeksje docht periodyk ferslach oer de stân fan saken oangeande it twa- of meartalich ûnderwiis yn de provinsje Fryslân. Dat is yn oerienstimming mei de ôfspraken dêroer yn it Europeesk Hânfêst foar regionale talen of talen fan minderheden
It ûndersyk dêr’t oer rapportearre wurdt, is útfierd yn it skoaljier 2004/2005. Alle skoallen foar basisûnderwiis, spesjaal ûnderwiis en fuortset ûnderwiis binne derby behelle, foarsafier’t se gjin ûntheffing hawwe foar it jaan fan Frysk. As dat relevant is, binne de ûndersyksresultaten yn ferbân brocht mei de resultaten út de ûndersiken dy’t de ynspeksje earder nei it Frysk die (1999 en 2001). It rapport jout de ûndersykbefinings op haadlinen wer, de folsleine ûndersyksresultaten binne dellein yn in apart technysk rapport dat ek oer te heljen is fan it webstek fan de ynspeksje: www.onderwijsinspectie.nl (s. 6).
Gearfetting
Yn de rin fan de tweintichste ieu hat him in grut tal feroarings foardien oangeande de posysje fan it Frysk yn it ûnderwiis. Yn de earste santich jier fan de ieu kamen der hieltyd mear wetlike mooglikheden om Frysk te ûnderwizen. Dêrnei waard it Frysk as ferplichting yn de ûnderwiiswetten opnommen. De ûntjouwing waard fersterke trochdat Nederlân mei it tekenjen fan Europeeske ferdraggen him ferplichte ta it beskermjen en befoarderjen fan it Frysk.
It ynspeksje-ûndersyk fan 2004/20005 jout oan dat de ferplichting op de measte, mar net op alle belutsen skoallen yn Fryslân, liedt ta it brûken en ûnderwizen fan Frysk. By neier besjen docht lykwols bliken dat der noch in soad te ferbetterjen falt.
Alderearst wurdt sawol yn it basisûnderwiis as yn it fuortset ûnderwiis benammen de ferplichting oanfierd as reden om Frysk te jaan. Ek de beskerming fan de Fryske kultuer wurdt geregeld neamd. Suver ûnderwiiskundige redenen, as it leare te funksjonearjen yn in twatalige omjouwing en it oerbrêgjen fan de kleau tusken thús- en skoaltaal wurde minder faak neamd.
Sawol yn it basisûnderwiis as yn it fuortset ûnderwiis ûnderskatte direksjes it belang dat âlders hechtsje oan it fak Frysk.
Sawol befoege gesaggen en skoallen yn it basisûnderwiis as ynstellings en festigingsdireksjes yn it fuortset ûnderwiis hawwe amper belied fêstlein op it mêd fan Frysk. Ek wurdt net folle neigien hokker taalachtergrûn [oft] learlingen hawwe.
Yn it basisûnderwiis hat in tredde fan de leararen gjin foech foar Frysk. Yn it fuortset ûnderwiis hat fjirtich prosint fan de leararen gjin foech foar it fak.
Op de basisskoalle ûntbrekt faak in trochgeande line yn it oanbod, omdat der gjin dúdlike ôfspraken binne. Tusken basisskoallen en it fuortset ûnderwiis is net folle kontakt oangeande it Frysk. As basisskoallen yn it ûnderwiiskundich rapport al ynformaasje opnimme oer it Frysk, wurdt dy selden brûkt troch de skoalle yn it fuortset ûnderwiis.
Leararen dy’t Frysk jouwe, binne trochgeans pedagogysk foldwaande kundich, se hawwe harren klasse yn ’e hân en jouwe ynstruksje fan reedlike kwaliteit. Sy geane lykwols faak net adekwaat om mei de ferskillen tusken Frysktalige en net-Frysktalige learlingen. (s. 55)
FFU: Sjoch ek by ‘Aktueel’: 30-09/1-10-2006, Fries minder in trek op scholen; 30-09-2006, Inspectie treedt strenger op bij verzuim van Friese les; 29-09-2006, Ouders vinden Fries belangrijker dan gedacht.In het Nova-debat van 23 mei 2006 stelde professor Pols dat het noorden zijn achterstand meer te danken zou hebben aan gebrek aan innovatiekracht dan aan de vermeende slechte verbindingen. Dit is een ferme uitspraak die niet zonder reactie mag blijven. Als de heer Pols zich in de geschiedenis van de provincies Groningen en Friesland zou hebben verdiept, dan zou hij deze stellingname waarschijnlijk niet voor zijn rekening hebben genomen.
Al ver voor de Gouden Eeuw waren in de Noordelijke Nederlanden Friesland en Groningen belangrijke gewesten. De oorzaak daarvan was vooral de verbindingsweg met de Oostzee in combinatie met de handelsgeest. Mede daardoor behoorden deze twee provincies tot de belangrijkste gewesten van de Republiek der Verenigde Nederlanden.
Dat het met het Noorden na de bloei tijdens de turfperiode bergafwaarts is gegaan, heeft dan ook niet met gebrek aan innovatief vermogen, maar veel met het feit dat sinds de Franse tijd ons land bestuurlijk steeds centralistischer is geworden. Daardoor hebben de perifeer gelegen gewesten steeds minder kansen gekregen. […] Net als in een onderneming geldt echter ook voor een land dat een centraal gericht bestuur initiatieven aan de basis belemmert. Het is daarom geen gebrek aan innovatie dat de heer Pols het Noorden ons aanwrijft, maar gebrek aan ruimte voor eigen initiatieven, dat ons op achterstand heeft gezet en houdt. Je kunt nog zo innovatief zijn, maar voor de uitvoering van plannen is wel geld nodig. […]
Er is dan ook alle reden om van ons strikt centraal geregeerde landje weer wat meer elementen van voor de Bataafsche republiek te herintroduceren en de gewesten onder meer een stuk eigen belastinggebied terug te geven. […] Een ontwikkeling naar een beperkte autonomie van landsdelen past trouwens uitstekend in het proces van Europese eenwording. Op den duur zullen we immers naar zogenaamde Europese regio’s met eigen bevoegdheden en inkomstenbronnen gaan. De EU kent al een Comité van de Regio’s. De Europese grondwet, afgestemd door de Nederlandse kiezers, bevat al een erkenning van de regio’s die een zekere autonomie hebben. De regering in Den Haag beschouwt Nederland als geheel echter al als een Europese Regio, waardoor Noord-Nederland buitenspel staat. In België, Engeland en Frankrijk is men met de regiovorming echter al veel verder dan bij ons. De Duitse Länder kunnen in Europees verband al mee beslissen. Noord-Nederland heeft alleen nog maar een Openbaar Lichaam, het Samenwerkingsverband Noord-Nederland (SNN). Dit is gebaseerd op de Wet Gemeenschappelijke Regelingen en heeft nog weinig of geen bevoegdheden. […]
Het lijkt zo een belang voor het Noorden dat het als Europese Regio wordt erkend en zitting krijgt in het Comité van de Regio’s. Het Noorden zou dan mede kunnen beslissen over de besteding van de financiële middelen vanuit Brussel. Een mooie taak voor het SNN. Eventueel zou het dan kunnen besluiten om samen met de oosterburen, een sterke verbeterde treinverbinding met Bremen aan te leggen om aldus beter toegang te kunnen krijgen tot de nieuwe EU-landen en tot Scandinavië.
Goede verbindingen blijven namelijk wel degelijk cruciaal. Dat is altijd al zo geweest. Zo is dankzij de aanleg van spoorwegen en de ontwikkeling van het stoomschip de Verenigde Staten de grootste macht in de wereld geworden. Dat men daar toen veel geld voor over had, zonder dat er nog kosten-batenanalyses volgens het recept van de heer Pols bestonden, moge blijken uit de lotgevallen van de Trans Canadian Railway. Alleen al aan een bergachtig traject van 615 km hebben 15000 man zeven jaar gewerkt. Een stad als Calgary zou zonder die spoorlijn nu niet op de kaart gestaan hebben.
Natuurlijk zijn spoorwegen in onze tijd minder cruciaal voor de economische ontwikkeling dan rond 1900. Toen bestonden auto en vliegtuig nog niet. Maar voor die laatste twee moeten steeds hogere maatschappelijke offers gebracht worden vanwege hun effecten op milieu en klimaat. Het is daarom goed denkbaar dat de trein een revival beleeft. In ieder geval vormt de aanleg van een Europees hogesnelheidsnet om die reden een prioriteit van de EU. Maar welke van de spoorvarianten ook het beste mag wezen, waar het om gaat is dat de regio die het aangaat bij de keuze een doorslaggevende stem krijgt, zeker als het voor een groot deel om door die regio zelf opgebrachte middelen gaat.
Jan Lambers
Jan Lambers heeft economie gestudeerd aan de RUG en is daarna lange tijd bij de NV Nederlandse Gasunie werkzaam geweest. Sinds een paar jaar is hij opnieuw actief in onderzoek op energie- en milieugebied.
Boarne: Nieuwsbrief 45, Partij voor het Noorden, 29-09-2006, s. 5
Bruxelles - Brussel, Friday, 29 September 2006 by Davyth Hicks
EBLUL France, comprising NGOs representing Breton, Occitan, Catalan, Basque, Corsican, Alsacian and Flemish speakers, are calling on the Francophone summit, held today in Bucharest, Romania, for language rights in France.
La Francophonie, a community of countries and people who use French in their domestic or international relations, brings together more than 60 states and governments from five continents every two years, as an organisation it is similar to the British Commonwealth.
EBLUL France highlights that the francophonie organisation : "aims at helping: installation and development of democracy, prevention, management, and appeasement of conflicts, and support of the Rule of Law and of human rights; intensification of dialogue between cultures and civilizations; bringing together peoples through mutual understanding…"
However, EBLUL France state that “the ‘interior French’, as they are sometimes called to differentiate them from those of the border territories, are the only monolingual French speakers. We, the others, Alsatians, Bretons, Basques, Corsicans, Occitans, inhabitants of overseas departments and territories, share with you a bilingual, or even multilingual situation, even though bilingual people are becoming daily less and less numerous in France because of a policy of linguistic eradication which has been carried out with great constancy for almost two centuries by successive French regimes.
“Nevertheless, a number of important personalities of the French Republic have decried these infringements upon human rights and upon the equal dignity of languages and cultures. Let us quote a few of them: François Bayrou and Jack Lang when they were ministers of Culture or Education, Michel Rocard, Prime Minister, and François Mitterrand who declared on March 14th 1981 in Lorient (Brittany) that France was "the last European country to refuse its constituents the elementary cultural rights recognized by international conventions it has itself undersigned".
“The present head of state, Jacques Chirac, receiving representatives from American Indian peoples on June 23rd 2004, has spoken of "the silent tragedy" occurring under our eyes, "the slow disappearance of cultures and minority languages crushed by dominant movements". But Mr. Chirac has opposed the ratification by France of the European Charter for regional and minority languages of the European Council: he refused to modify the Constitution which in 1992 declared French to be the only language of the French Republic … a few days before the Council of Ministers of the EU Council adopted a European convention to preserve and protect the European linguistic heritage.
Calling to francophone states the letter requests that “France reconsider its linguistic policy outlawing the languages of our regions, that France acknowledge rights which you have acknowledged in your own countries.
“Should our languages die out and disappear, this would jeopardize the whole political discourse of francophonie. An yet France in July adopted the UNESCO Convention on the protection and promotion of the diversity of cultural expressions and the preservation of intangible cultural heritage, which explicitly refers to minority languages of indigenous people like us.
“With respect to the status and protection policies of languages in other European countries and in many countries in the world, France is the shame of Europe and also, we believe, of francophonie.
“Is France going to take at last concrete measures and go beyond its propaganda before it is too late?
“How could anyone trust the discourse of a country which keeps refusing to acknowledge within its borders the cultural and linguistic diversity it demands abroad?”, concludes the statement.
Romania, member of la Francophonie and given the go ahead for EU entry this week, had to satisfy numerous criterion regarding their treatment of indigenous languages and national minorities in order to gain entry, while France fails to meet these same criterion. Recent accession states to the EU have highlighted this as a double standard. (Eurolang 2006)
BLUL France letter to the le Francophonie summit
Lettre de BELMR -EBLUL France au sommet francophonie
Sommet francophonie http://www.sommet-francophonie.org/pag.php
It docht sear oan ’e earen
Dat se ús yn har advertinsjes sa yn it Frysk yn ’e mjitte komme, stiet har te priizgjen, de lju by Connexxion. Dat, alle wurdearring, soe ’k sizze. Allinnich: wat grutte omkoal hat har by it brûken fan it Frysk advisearre? ‘Connexxion giet riden’ en se ‘geane wurkjen’. Dat docht ús ommers sear oan ’e earen! ‘O yes, go you there work?’ soe ik har yn like knoffelich Ingelsk freegje wolle. En dan dy healwize nammen fan de op himsels net sa gekke bus: de Frysker. Dat klink krekt sa raar as bygelyks ‘de Hollandser’. Ik soe, as ik har wie dy Fryske konneksje mar gau dien jaan en in nijen-ien sykje, dy’t wat mear doel hat oer wat Frysk is.
Goutum, Reinder Reitsma
Boarne: Leeuwarder Courant, 26-09-2006 [ynstjoerd stik]
Neiskrift FFU:
Reitsma hat grut gelyk. Dat der reklame makke wurdt yn it Frysk, is treflik, mar dan ek goed en sûnder flaters. De FFU wol dan ek dat der geef Frysk leard wurdt op ús skoallen en by de Afûk. Oars binne der aanst gjin geef-Frysk-skriuwers mear en krije wy sok wanskepen taalgebrûk as yn de advertinsje fan Connexxion yn de LC fan freed 22 septimber 2006.
Ed Knotter fan de Opskerpers-kommisje hie nei oanlieding fan dy advertinsje ek in ynstjoerd stikje oan de LC takomme litten, mar dat mocht der net yn. Se hiene al in stikje oer it ûnderwerp krige ... Hoe treft it sa mâl!
Soks soe in reden wêze kinne om de ferantwurdlike redakteur op syn plak te setten yn ús ‘Swartboek’. Noch de helte slimmer is it hast dat de beskamsume wegering fan it Frysktalige stikje ek noch yn it Hollânsk skreaun is. Sels folgjend taalgebrûk liket noch in te grutte opjefte te wêzen (sjoch hielendal ûnderoan) foar de redaksje. Fij, Willems, skamje jo en skerpje jo op!
Wy binne sa flau net en jouwe Knotter hjirûnder de romte foar syn bydrage.
Frysk iepenbier ferfier
Fan 10 desimber ôf sil in oar bedriuw it busferfier yn Fryslân op ’e noed nimme. Dan nimt Connexxion de konsesje fan Arriva oer. Dat waard freed (22-09-2006) oankundige mei in opfallende advertinsje fan in hiele side yn dizze krante. Mar de nije busmaatskippij wol noch mear, nammentlik him ferbine mei Fryslân en dy konneksje wurdt stal jûn troch no al Frysk te learen. In treflik idee! De ynwenners fan Fryslân meie hoopje dat it goed komt mei it ferfier en ek mei it Frysk learen. Op de sabeare siden 42 en 43 út it boekje ‘Wat & Hoe in het Fries’, dy’t yn de advertinsje ôfbylde is, giet it op twa plakken net hielendal goed. De taalregel dat it tiidwurd gean net lykas yn it Hollânsk mei alle mooglike oare tiidwurden ferbûn wurde kin, hawwe de opstellers fan de advertinsje oer de holle sjoen. Dat is in ferkearde ‘connexxion’. Yn de oersetting fan “Connexxion gaat in Fryslân rijden” en “daar gaan wij hard aan werken” kin it tiidwurd gean net brûkt wurde. “Tenei sil Connexxion hjir ride en sille se der hurd oan wurkje”. Gean drukt altyd konkreet in beweging út. As Connexxion “giet’, dan moat der wer in oare busmaatskippij komme. Dêr wurdt by dizze yntroduksje grif net op doeld.
Yn it regiokatern fan dizze krante stiet alle dagen in taalflater yn de Opskerper (min en geef Frysk). De kwestje fan dy gean-konstruksjes komt dêr ek geregeld yn foar. De Afûk-kommisje dy’t dy rubryk gearstalt, wol de lêzers en de advertearders warskôgje foar it gefaar fan sokke (frekwinte) taalflaters.
Wy tidigje derop dat de nije busmaatskippij net allinnich te sjen wêze sil op de Fryske wegen, mar ek yn geef taalgebrûk. Dêr sille wy yn Fryslân wiis mei wêze.
Ed Knotter
(kommisje Opskerpers)
Reaksje fan redakteur Willems, 26 septimber 2006 (e-post):
Geachte heer Knotter,
De brief die u ons stuurde over Connexxion zullen wij niet als ingezonden stuk publiceren. We hebben namelijk in de LC van vandaag al een ingezonden brief van R. Reitsma uit Goutum geplaatst met vrijwel dezelfde strekking.
Met vriendelijke groet,
Hans Willems
Redactie LC
Brief fan Ed Knotter oan Connexxion
Ed Knotter hat de busmaatskippij it wegere ynstjoerde stikje tastjoerd mei in begeliedend briefke (e-post, 30-09-2006). Dat litte wy hjirûnder folgje:
Achte Connexxion,
Lokwinske mei it takennen fan de konsesje om in grut part fan it busferfier yn Fryslân te fersoargjen. Yn in grutte advertinsje, dy’t ik in wike lyn (freed 22 septimber) yn de LC seach, wurdt dat op in orizjinele wize oankundige, mei sin yn it Frysk. Us nije busmaatskippij hat gefoel foar taal en kultuer en dat is in komplimint wurdich. Mei sa’n hâlding is in busmaatskippij yn Fryslân fan herten wolkom.
Ik kin dit dus bêst yn it Frysk skriuwe. De reden dêrfoar is net allinnich it feit dat jimme sjen litte dat jimme in sin hawwe by it Frysk as kommunikaasjemiddel mei de klanten (reizgers), mar ek it feit dat de sjofeurs, dy’t de tsjinsten útfiere sille, ynwenners fan Fryslân binne. De nije klanten èn de meiwurkers binne Friezen, dat Connexxion kin net oars as rekken hâlde mei de taal fan Fryslân.
Spitigernôch stiene der taalflaters yn de neamde advertinsje en dat is de lêzers opfallen. Kommentaar dêrop hawwe jimme lêze kinnen yn in ynstjoerd stik op tiisdei 26 septimber. R. Reitsma, dy’t ek krityk hat op de namme de Frysker (in nuvere namme), wiist ûnder it kopke knoffelige konneksje op in taalkundich fersin (it brûken fan it tiidwurd gean yn ferkearde konstruksjes), dat twa kear yn de advertinsje foarkomt. Sa hie it net ûnder de lêzers - en jimme nije klanten - komme meien. It is spitich, om’t it de wille oan sa’n aardich idee wer bedjert en skande fan it jild. In goed taalkundich advys hie wol wat wurdich west.
Ik hie ek in stik nei de krante stjoerd oer itselde ûnderwerp. Mei út namme fan de kommisje dy’t alle dagen yn de LC in rubrykje fersoarget oer min en geef (Frysk) taalgebrûk, de Opskerper. De krante hat myn stikje net opnommen, om’t it neffens de redaksje tefolle fan itselde wie. Om jimme de gelegenheid te jaan om myn krityk ek te lêzen, heakje ik de tekst oan dit berjocht ta. De taalflater yn de grutte Connexxion-advertinsje sil troch de Opskerper-kommisje yn de deistige rubryk (yn it regiokatern fan de LC) ferwurke wurde. Sjoch de krante fan moandei 2 en 9 oktober, mar as Frysklearders soene jimme alle dagen efkes yn de krante sjen meie.
Ik hoopje dat myn goed bedoeld boadskip dúdlik oerkommen is. Geregeld sit ik yn de bus en ik gean der fan út dat it mei in busmaatskippij dy’t it goed mient mei de taal yn it ferfiersgebiet, noflik reizgjen is. Dat it Frysk yn de bus en op de stasjons, yn advertinsjes en oare publikaasjes op in goede wize sichtber wurde mei.
Glaschu - Glasgow, Monday, 25 September 2006 by Màrtainn MacLeòid
Gaelic-medium education is to remain optional rather than becoming standard in the most viable Gaelic community in the Scottish Gàidhealtachd as the result of a decision by Highland Council’s education committee.
Following a consultation process on the option of designating Sleat primary in the Isle of Skye as a Gaelic-medium school where monolingual English-medium education would be discontinued, the council have instead chosen a compromise position. The school is to be designated a Gaelic-medium school but with an English-medium unit which will continue to offer monolingual education in a separate building within the school grounds for those not wishing their children to learn Gaelic. A final decision on the matter will be taken by the full council next month.
A group of parents with children in Gaelic-medium education had requested that Sleat primary school be designated a Gaelic school. The area is an energy centre for Gaelic activity, being home to Scotland’s national Gaelic college Sabhal Mòr Ostaig, and the majority of children within the school are currently being educated through the medium of Gaelic. Campaigners believed that an all-Gaelic school would support pupils’ ability and confidence in Gaelic and would strengthen the language in the community. Some others in the community fiercely fought the proposal, however, believing that learning Gaelic should continue to be optional and that an all-Gaelic school would create division locally.
The compromise solution is unlikely to please either side of the argument. Those against a Gaelic school are concerned that the proposal will divide local children. Those supporting a Gaelic school are unhappy that Gaelic-medium education will not become standard and are worried that the existence of the English-language unit will limit the Gaelic ethos of the school and restrict the use of Gaelic in all-school events.
Gaelic activists believe that the council’s decision has set a worrying precedent for the future development of Gaelic-medium education. To date, entrance to Gaelic-medium education even in strongly Gaelic-speaking areas has been entirely voluntary with parents having to positively opt-in and often having to transport their children some distance to school.
The designation of Sleat primary school as a dedicated Gaelic school would have established the principle that it is acceptable for Gaelic-medium education to become the normal form of education in Gaelic-speaking areas and that parents wishing their children to be educated monolingually in English should have to actively opt-out and be willing to transport their children to schools outside their community. This would have brought Scotland in line with the Irish Gaeltacht and strongly Welsh speaking areas of Wales.
Another local authority, Comhairle nan Eilean Siar, which serves the most strongly Gaelic speaking area of Scotland, earlier this year backed down from designating two schools as dedicated Gaelic schools following local opposition. (Eurolang 2006)
‘Taalwet of net?’, dat wie de fraach dy’t sintraal stie yn de moarnsgearkomste fan de Stifting Slach by Warns op 23 septimber 2006 (de dei fan de betinking op it Reaklif). Sytze T. Hiemstra jout, mei út namme fan de FFU, yn in ynlieding in stikmannich knyppunten oan yn it taalbelied dy’t foar’t neist mei in bettere taalwetjouwing foar it Frysk op te lossen binne.
Klik op: STH-Taalwet of net?.pdf
Yn syn ynlieding ferwiist Hiemstra nei it manifest fan de Ried fan de Fryske Beweging út 1991: Eigen taal... earste taal!
Klik op: RFDFB-Eigen taal... earste taal!.jpg om it manifest te iepenjen
Dat guon skriuwers en meiwurkers fan de Afûk it net al te krekt nimme mei de taalnoarm fan it Frysk falt de lêste jierren faker op, benammen as it giet om berneboeken. Kamen wy (FFU) lêstendeis it folslein ûnfryske ‘fligerjen’ foar it goefryske ‘draakjefleanen’ yn in Afûk-berneboek tsjin, no hjit in ‘harkboek’ yn it Frysk ynienen in ‘lústerboek’, wylst dat winliken yn it Hollânsk ‘fluisterboek’ betsjut. En dat is it net fansels. It Friesch Woordenboek fan Waling Dijkstra ferwiist by ‘luisteren’ ek al nei ‘harkje’.
By it besprekken fan it Aksjeboek Tomke yn ’e bistetún falt Jant van de Weg dêr dan ek mei rjocht oer: “Utjouwer de Afûk hat foar in letterlike oersetting keazen, en net foar it folle moaiere, Fryske ekwivalint fan it ‘harkboek’. Dêrmei ha se in kâns slûpe litten om sa’n wurd yngong te jaan. Spitich! Lês- en lústerboek hat fansels wol in moaie alliteraasje, mar likegoed.”
De Afûk sil as útjouwer dochs ris wat minder frisofobysk wurde moatte en it (taal)ark wat better opskerpje. Taaltúch heart net thús yn berneboeken. Lytse en grutte bern moatte geef Frysk te hearren en te lêzen krije en net alderlei Hollânske ynslûpsels. Soks is perfoarst gjin taalbefoardering. In misser neffens de FFU!
Boarne: Friesch Dagblad, 23-09-2006 [oanhaal út Jant van der Weg, Lyts mantsje alwer tsien! Feest foar Tomke yn Ljouwerter Harmony, ‘Sneinspetiele’, s. 26-27]Er doen zich wonderlijke ontwikkelingen voor rond het gebruik van het dialect. Steeds minder mensen spreken het, maar steeds vaker duikt het op in tv-programma’s en op concertpodia.
Ineke Strouken, directeur van het Nederlands Centrum voor Volkscultuur in Utrecht: “Ik denk dat steeds meer mensen opnieuw dialect zullen gaan spreken.” Zelfs al is dat dan een verwaterde versie of een zelfs geheel nieuw aangeleerd dialect. De inspiratie komt allang niet meer van de dorpsbrink. Zo is Sgt. Pepper’s van de Beatles opeens populair in Venlo’s dialect. Nepcultuur of een volstrekt logische ontwikkeling?
De Radboud Universiteit kwam in het holst van de komkommertijd met alarmerende cijfers. Uit ondervraging van 35.000 scholieren en hun ouders bleek dat thuis nog maar zo’n 18 procent dialect spreekt. In 1995 was dat bij een vergelijkend onderzoek 25 procent. De kinderen krijgen het Fries (na het Nederlands de tweede rijkstaal), Nedersaksisch en Limburgs (de twee erkende streektalen) en dialect dus steeds minder met de paplepel ingegoten.
Volgens een onderzoek van de Radboud Universiteit in Nijmegen liep in amper tien jaar het Fries in de dagelijkse gesprekken met zo’n 20 procent terug. Volgens andere deskundigen kloppen die cijfers niet, maar de trend is onmiskenbaar.
Ineke Strouken maakte zelf het verdomhoekje van het dialect van nabij mee. “Ik heb een Twentse moeder en een Limburgse vader, maar we werden opgevoed in het Algemeen Beschaafd Nederlands. Met als voornaamste reden dat de dialectsprekenden erg in dat verdomhoekje zaten. Dialect spreken werd gezien als lomp en boertig – mede daardoor zijn veel dialecten de laatste jaren behoorlijk verwaterd.”
Professor Anne van de Meijden vertaalde de bijbel naar het Twents, hij spreekt ook de mensen in het Twents toe bij bruiloften en begrafenissen en gelooft persoonlijk niets van de teruggang van het dialect. Dat onderzoek bij de Radboud is allesbehalve representatief, oordeelt hij vanuit Nijverdal.
BOUWPLAATSEN
“Niet alleen het ouderlijk huis is de toevoerlijn van het dialect. Je mag ook de invloed van het schoolplein of de vriendenkring niet onderschatten. Of het werk: op bouwplaatsen in Twente wordt nu weer meer dialect gesproken dan pakweg twintig jaar geleden. Het is kennelijk ook een norm waartoe je in je sociale leven gedwongen wordt.”
Van der Meijden herinnert zich nog het sombere betoog van wijlen hoogleraar Karel Heeroma, die een leerstoel in de Saksische talen bezette en riep dat het Nederlands het Saksisch binnen twintig jaar zou hebben overgenomen. Niets bleek minder waar, zegt Van der Meijden.
“Na de Twentse bijbel is ook een Groningse bijbel in voorbereiding. Daar is veel belangstelling voor, het is ook een referentiepunt te noemen, zoals de bijbel van Goethe dat in het verleden voor het Duits is geweest. Hoe schrijf je, hoe spreek je? Er komen steeds meer kinderboeken en kookboeken in het dialect.”
De eerste kentering was in de jaren zeventig zichtbaar en popgroep Normaal komt alle eer toe, zegt Strouken vanuit Utrecht. Die zongen voor het eerst in de streektaal en ze waren juist trots op de boerse lompheid. In de jaren tachtig kwam er gestaag aanhang.
Nieuwe tijden, nieuwe politiek ook: de Europese Unie zette door. “Daarmee groeide de grootschaligheid, we moesten wereldburger worden, maar daar konden we ons weinig bij voorstellen. In een steeds grotere wereld ga je op zoek naar eigen identiteit: je taal, je geschiedenis, je eigen volkscultuur.”
BOERS
In zo’n mechaniek wordt dialect gaandeweg ook weer belangrijker. “Dat boerse werd beschouwd als geuzenvlag - er werd nog een schepje bovenop gedaan - als manier om je af te zetten tegen het randstedelijke, burgerlijke denken.” Door die nieuwe tijdgeest betraden ook anderen dat pad. Twarres en De Kast deden pop op z’n Fries, Skik op z’n Drents en Rowwen Hèze op z’n Limburgs.
Er is een nieuwe golf aan regio-geschriften gekomen en dankzij de regionale tv-zenders kwamen er zeer lokale soaps op de buis: ‘Baas Boppe Baas’ als eerste echte in het Fries. In Twente en Gelderland is ‘Van Jonge Leu en Oale Groond’ een grote hit - met Herman Finkers als creatieve motor. Ineke Strouken kijkt er graag naar in Utrecht, waar de regionale tv de serie uitzendt. Sterker nog: het is een kijkcijferkanon geworden, en dat is raar, want het Twents waarom je vroeger werd uitgelachen in de grote stad, wordt nu charmant gevonden.
“Het is de hang naar geschiedenis, eigenheid - de geborgenheid die in dit soort series doorklinkt, ook al is dat in feite andermans geborgenheid.” Het dialect heeft toegevoegde waarde in zo’n serie, en Herman Finkers was er heel precies in om naast de taal ook het Twentse denken zorgvuldig in de serie te verwerken.
Aanvankelijk had de (randstedelijke) scenarist in en dramatische scène, waarin een vrouw aan een hartaanval bezweek, haar echtgenoot nog laten zeggen: ‘Oh Mini, nu ben je dood en ik hield zo erg van jou’. “Zo zou een Tukker dat nooit zeggen”, vond Finkers. Hij veranderde de toonsoort van het zinnetje om het drama meer recht te doen: ‘Oh Mini, en ie leupn mie nog niks veur de veut’. (Oh Mini, en je liep me nog helemaal niet voor de voeten.)
PREKEN
Van der Meijden: “Toen ik ermee begon, was ik de eerste met preken in het Twents, nu zijn er hele series predikanten en pastoors die dat doen. Het is een terrein ook waarop het dialect zich heeft teruggevochten. Het is de taal van het hart - een taal die veel meer in staat is troost te geven bij verdriet. Men kan het daardoor beter behappen.”
Natuurlijk is er wel enige reden voor zorg: dialecten verwateren, ze worden steeds slordiger gesproken, de taalvaardigheid in het dialect verdwijnt. Dat is een breder verschijnsel , vindt Van der Meijden. Precies hetzelfde zie je ook met het Nederlands gebeuren. Ook daar verdwijnen woorden en worden taalconstructies vereenvoudigd.
De waardering voor het dialect is er, en een Fries zal in beginsel ook waardering hebben voor cultuuruitingen in het Limburgs: de dialectsprekenden herkennen de goede intentie bij elkaar. Nu ook de (televisie-)cultuur gaandeweg wordt veroverd, denkt ook Ineke Strouken van Volkscultuur dat er voor de streektaal langzaam maar zeker winst te halen valt.
“We komen wel weer zo ver dat dialect statusverhogend kan werken”, zegt ze. “Ik denk dat het in de toekomst een wervende werking zal hebben. Je ziet al weer taalcursussen voor mensen die graag opnieuw willen inhaken. Het is een manier om erbij te horen.”
Anne van der Meijden: “Als je iets vertaalt uit z’n oorspronkelijke taal, en je transporteert het naar de eigen taal die je spreekt, dan gaat er altijd wat verloren - dat kan niet anders. Dan verdwijnt iets van de oorspronkelijke kleur. Er komt ook wel weer iets van kleur voor terug. Als je als Limburger Sgt. Pepper’s pakt, dan kijk je er met je eigen ogen naar, en je voegt er een eigen verrijking aan toe.”
JELLE BOONSTRA
Boarne: Leeuwarder Courant (‘SNEON en SNEIN’), 23-09-2006, s. 2Nei oanlieding fan de betinking fan de ‘Slach by Warns’ krigen wy (FFU) Ingelsktalige ynformaasje ûnder eagen oer de taalsituaasje op de Åland-eilannen, dy’t tusken Finlân en Sweden yn lizze. Dy eilannen hearre ta Finlân, mar fierwei de measte ynwenners (sa’n 27.000) hawwe it Sweedsk as memmetaal. Foar Friezen is it tige nijsgjirrich om te lêzen watfoar rjochten oft dy hawwe om har taal te beskermjen. Om oergeunstich op te wurden ... Dat rjochtfeardiget sadwaande inkelde wiidweidige oanhalen út it materiaal.
Language provisions
The Act states that Åland is unilingually Swedish. Swedish is to be the official language in the administration of the Province of Åland, in State-run organs in Åland and in the local districts. The State is to take active measures to ensure that information about goods and services as always available in Swedish.
The language of instruction in the Åland schools is Swedish. Changes in this respect can only be effected through a law adopted by the Åland Parliament.
Regional citizenship
The new Act (1993) includes only a few alterations of regional citizenship. As previously, any Finnish citizen who has lived in Åland for five years may upon application be granted regional citizenship by the Åland Executive Council.
A new feature is the requirement for satisfactory knowledge of Swedish. Under de current Act, a woman automatically obtains regional citizenship upon marriage to an Ålander. For reasons of equality this regulation is to be omitted.
- Passports issued to persons with Åland regional citizenship are to bear the word ‘Åland’;
- State land in Åland is to be transferred to the province of Åland, except for that required for the actual needs of State administration;
- real estate in Åland belonging to a person who dies without heirs will go to the Province of Åland, not to the State as has previously been the case;
- the Åland flag can be used on merchant ships and fishing and pleasure boats hailing from Åland.
Lagtinget - the Åland Parliament
Åland’s autonomy gives it the right to pass laws in areas relating to the internal affairs of the region and to exercise its own budgetary power. Åland’s legislature, its ‘parliament’, is known as lagtinget. The Parliament appoints the regional Åland Government, landskapsregeringen.
Åland’s autonomy is regulated by the Act on the Autonomy of Åland passed by the Parliament of Finland. An amendment of the Autonomy Act must follow the same legislative procedure as constitutional amendment and requires the consent of the Parliament of Åland. The division of power between Åland and Finland can thus only be changed on a consensual basis. The current Autonomy Act, the third in line, entered into force on 1 January 1993.
In which areas is the parliament entitled to pass laws?
The autonomy Act lists the areas where the Åland Parliament has the right to pass legislation. The most important of these are: education, cultureand the preservation of ancient monuments
In these areas Åland functions practically like an independent state with its own laws and administration.
In which areas is the State the competent authority?
In those areas where the Åland Parliament does not have law-making powers, Finnish State law applies in the same way as in other parts of the country.
These include:
State taxation
To ensure that Åland’s interests are taken into account also in these areas, Åland has a representative in the Finnish Parliament. Åland’s Member of Parliament is elected in the same way as other Finnish MP’s.
How is the Åland Parliament elected?
The Parliament has 30 members, who are elected every four years by secret ballot under a system of proportional representation. The voting age is 18, but the right to vote and stand for election is also dependent on possession of right of domicile in Åland.
Economic Autonomy
Apart from passing laws, the main task of the Parliament is to distribute the budget of Åland. The income consists of Åland’s own revenues and a lump sum received from the Finnish Government, which constitutes a form of repayment of a part of the taxes paid by Åland to the Finnish State.
The State collects taxes, duties and fees also in Åland. In return, the Finnish Government places a sum of money at the disposal of the Åland parliament. De sum is 0.45 per cent of total Government income, excluding Government loans. Åland uses this ‘lump sum’, about € 160 million in 2003, to pay for services that would otherwise be provide by State authorities.
Legislative Control
The laws adopted by the Åland Parliament are referred to the Finnish President, who has a right of veto only in two cases: if the parliament has exceeded its legislative authority or if the bill would affect Finland’s internal or external security.
The President bases his decision on the opinion of a body known as the Åland Delegation and occasionally also on the opinion expressed by the Supreme Court. Half the members of the Åland delegation are appointed by the Finnish Government and half by the Åland Parliament.
The Government
The Åland Government is responsible for all areas of government in which the Autonomy Act devolves authority to Åland. The regional government and civil service thus handle tasks which in other parts of Finland are handled by the Finnish Government and their ministries, the county administration and various central government authorities.
Right of Domicile
Right of domicile in Åland is a requirement for the right to:
The limitation in the right to own or be in possession of real property was introduced to ensure that the land would remain in the hand of the local population. It does not prevent people from settling in the Åland Islands.
Right of domicile is acquired at birth if it is possessed by either parent. Immigrants who have lived in Åland for five years and have an adequate knowledge of Swedish may apply for the status, provided they are Finnish citizens. The Åland Government can, occasionally, grant exemptions from the requirement of right of domicile for those wishing to acquire real property or conduct a business in Åland. Those who have lived outside Åland for more than five years lose their right of domicile.
Language Rules
Under the Autonomy Act Swedish is the only official language in Åland. This means, among other things, that Swedish is the language used by regional, municipal and State authorities in Åland. Publications and documents sent by Finnish Government agencies to Åland must also be in Swedish. The language if tuition in publicity funded schools is also Swedish.
Åland in the EU
Foreign affairs is not transferred to Åland under the Autonomy Act, but remains under the control of the Finnish Government. Even so, Åland has a degree of influence on international treaties that contain provisions relating to areas where Åland is the competent authority. The Autonomy Act states that an international treaty of this kind entered into Finland requires the consent of the Parliament of Åland to become valid also in Åland.
Thus, when Finland became a member of the European Union in 1995, Åland’s accession was dependent on the consent of the Åland Parliament. After the population had expressed its opinion in two separate referendums and it had been decided that Åland’s relationship to the EU would be regulated in a special protocol, the Parliament of Åland expressed its consent. The protocol, which is part of Finland’s treaty of accession, states that Åland shall be regarded as a third territory with respect to indirect taxation. It also contains certain special provisions relating to the purchase of real property and the right to conduct a business in Åland, and confirms Åland’s special status under international law.
Åland as a Model
Politicians, academics and journalists around the world often study Åland as an example of a successful solution to a minority conflict. The division of power between Åland and Finland, and the principle that any amendment to that division requires the consent of both parties, as well as the right of domicile, the restrictions on land purchases and Åland’s power to influence international treaties are some of the aspects of Åland’s autonomy that have attracted the interest of outside observers. Åland is considered a unique case for several reasons: its autonomy has existed for a long time, the solution was arrived at without force of arms, and Åland is both self-governing and demilitarised.
Boarne: New Autonomy Act for Åland en Åland in Figures 2004
info@ls.aland.fi www.ls.aland.fiMAASTRICHT - De hersenen van puber zijn niet rijp voor nieuwe vormen van leren. Dat zegt de Maastrichtse neuro-psycholoog Jelle Jolles in een interview met Schooljournaal, het blad van de Onderwijsbond CNV. “Als we luisteren naar wetenschappelijk onderzoek, kunnen we er niet omheen dat het anders moet.”
De leraar moet weer elementaire kennis gaan overdragen en sturend optreden en niet meer alleen vanaf de zijlijn leerlingen begeleiden. “Leraren moeten ook meer kennis hebben van de werking van de hersenen van hun leerlingen. Ze moeten weten dat vaardigheden als zelfstandig werken, organiseren, plannen en structuur aanbrengen in puberhersenen nog niet goed zijn ontwikkeld. Daarom zijn het studiehuis en het nieuwe leren ongeschikt voor deze leeftijdscategorie als er niet een duidelijke hulp en sturing is door een ervaren leraar."
Boarne(n): Leeuwarder Courant, 14-09-2006; en: Ciska de Graaff, ‘Hersenen pubers niet rijp voor studiehuis en nieuwe leren’, Schooljournaal, nû. 25, 2006, s. 18-19
Neiskrift FFU:
Wy begripe sadwaande ek better wêrom’t stúdzjehûseftige wurkfoarmen en it selsstannich learen almeast sokke minne resultaten by pubers jout. Foar it Frysk moat men dus ek tige foarsichtich wêze mei it saneamde ‘nije learen’! Foar it ûnderwis yn ús eigen taal en kultuer moatte dy flaters net wer makke wurde! Hast alle learlingen kinne net sûnder in goede learaar dy’t harren ek goed stjoere kin. Eltse saneamde ‘âlderwetske’ learaar wist dat winliken ek al op grûn fan ûnderfining en yntuysje. Ek lju dy’t tinke dat se alle heil fan it learen mei de kompjûter ferwachtsje moatte, slagge de planke mis. Winliken binne sokke ideeën te absurd foar wurden. Yn in goede skoalle is der in protte direkt kontakt tusken learling en dosint. Sels op it nivo fan in topuniversiteit lykas Cambridge (twadde op de wrâldranglist) docht bliken dat it sukses leit yn de dialooch, de diskusje, de ynspirearjende ynteraksje mei dosinten en de swiere seleksje fan de studinten. De boeken fan professors fan Harvard of Cambridge binne digitaal al foar elts tagonklik, mar ek it sukses fan in topuniversiteit sil lykwols nea digitalisearre wurde kinne (sjoch bgl.: Laurien Crump, ‘Leren kan nooit alleen thuis op de computer’, Trouw, 4. aug. 2006).
Sjoch ek ris by ‘Poadium’, 18-02-2006, Modieuze ideeën over leren ‘ongefundeerd’ en 09-09-2006, Mokkende pubers gebruiken hun hersen niet goed. Foar it Frysk binne sadwaande hiele goede learaars nedich, mei in protte kennis fan de taal (taaleigen en taalregels) en de kultuer, dy’t learlingen goed stjoere kinne. Learkrêften hearre as taalfoarbyld foar de bern, as model de taal sa ryk en sa suver mooglik brûke te kinnen. En krekt ‘ôfstudearre’ en ‘jonge’ learkrêften hearre harsels net te degradearjen ta saneamde ‘begelieders’, bygelyks omdat se te min taal- en kultuerkennis meikrige hawwe yn har foaroplieding en dus net mear oars kinne.
Noch in aardich ferske fan Ivo de Wijs as warskôging fan in ‘wiis’ man:
GROOTMOEDERS TIJD
Noem het hier geen school hier
Nee, asjeblieft
Ik doe het anders
Alternatief
Ik geef geen lessen
Ik begeleid
Ik doe het liever attractiever, progressiever dan in
grootmoeders tijd
Noem me geen leerkracht
Neenee, merci
Noem me geen juffrouw
Zeg Leoni
IK werk hier zonder
Boeken en krijt
Dat gaat veel beter, up-to-dater en completer dan in
grootmoeders tijd
We houden hier elke dag opnieuw een fijn gesprek
Probeer dat nog maar ’ns, Freek
Pas op, of ik breek
Je je nek
Neem me niet kwalijk
Slip of the tong
Kijk ’m nou bezig
Wat een lief jong
Ja, ze zijn wilder
Dat is een feit
Alternatiever, agressiever, explosiever dan in
grootmoeders tijd
(Ik begrijp best Christopher, dat jij de hele morgen geen mond open wilt doen – maar daar moeten we toch over kunnen praten)
(Kijk, dat die proppen op de grond vallen, dat komt door de zwaartekracht. De zwaartekracht – interessant hè, Bjorn?)
(Nee Maikel, ik zou nog geen sigaar opsteken – wacht nou tot het speelkwartier)
(Dat was een prachtig werkstuk over de Zuidpool, Jennifer – toen je het vorig jaar inleverde, vond ik het ook al zo mooi!)
We hebben hier echt een tolerante fijne sfeer
Ja, durf dat nog maar ’ns, nou
Dan rammel ik jou
Toch een keer!
Sorry hoor, sorry
Nee, serieus
Alle moet kunnen
Dat is mijn leus
Ik weet dat straffen
Nergens toe leidt
Ik doe het liever attractiever, progressiever dan in
grootmoeders tijd
Alternatiever, positiever en sportiever dan in
grootmoeders tijd
Al zou ik willen dat ik villen kon en drillen als in
grootmoeders tijd
Muziek: onbekend (‘I want you around’)
Boarne: Ivo de Wijs, ‘Het gaat goed met Nederland’, yn: Pluche, de mooiste liedteksten van Drs. P., etc. Amsterdam: Nijgh & Van Ditmar, 2006, 112-114De leukste bijdrage in het nieuwe nummer van Hollands Maandblad komt van Jan Pen, oud-hoogleraar economie in Groningen. De oud-Lemster neemt zijn Friesheid onder de loep. Hij vindt zelf dat hij een echte Fries is, “maar dan één aan de sentimentele kant. Vooral als er in het Fries gezongen wordt - en er wordt in Friesland veel en luid gezongen”. Zijn kennis van wat er allemaal wordt gezongen, acht hij vrij compleet. Op de piano bij Pen thuis liggen het Frysk Lieteboek en het Nij Frysk Lieteboek, “Vooral het lied ‘Jurjen en Syt’ mag ik graag zingen: het heeft als refrein: ‘ha ha ha, dy frijerij!’.”
Groningers zijn wat dat betreft heel anders, aldus Pen, die in het Groningse Haren woont. Die zingen niet op straat en vinden iemand die dat wel doet, een beetje eigenaardig. “Zij hebben, om een Groningse uitdrukking te gebruiken, ‘daar geen belang bij’.”
Op de Lemster openbare lagere school zat hij in de klas bij Piter Terpstra die volgens hem van de Friese pen heeft kunnen leven. Zijn kennis van de Friese geschiedenis beperkt zich echter tot het feit dat wij hier ooit een koning Redbad hebben gehad. Pen spreekt zijn moederaal nog geregeld. En hij heeft onder zijn studenten de man gehad ‘die het mooiste Fries spreekt dat er bestaat’, Lense Koopmans uit Sondel. Die komt altijd op zijn verjaardag langs met oranjekoek en sûkerbôle.
Er bestaat ook nog zoiets als het Stadsfries, schrijft de oud-hoogleraar, zoals het Luwadders. “Naar mijn gevoel is het een platte taal; het sociolect van de mindere man die noch het beschaafde ABN, noch het oude, eerbiedwaardige Fries beheerst”.
Introspectie brengt Pen uiteindelijk tot de conclusie dat hij een Fries om utens is met ‘veel Nederlandse insluipsels’, maar de Friese taal blijft voor hem een emotionele lading houden die het Nederlands niet heeft.
WIM VERVOORT
Boarne: Leeuwarder Courant, 13-09-2006Noordfriezin Marlene (18) woont een jaar in Fryslân
ARJEN BAKKER
Leeuwarden - “Oant sjen!” roept Marlene Christiansen (18) vrolijk naar de fotograaf, nadat die haar op de foto heeft gezet. Het zijn haar eerste Friese woordjes. Dat wil zeggen: haar eerste woorden in het Westerlauwersk Frysk, het Fries zoals de Nederlandse Friezen dat spreken. Zodra ze weer aan het tafeltje van de Koperen Tuin in Leeuwarden zit, babbelt ze druk verder in een heel ander soort Fries: het Noardfrysk.
Marlene komt uit Bredstedt (“Braïst in het Noardfrysk, het ligt vlakbij Denemarken”) en ze is sinds een week in Fryslân om een jaar als ‘Ynterfrysk Taalassistent’ te werken op de Noordelijke Hogeschool Leeuwarden en het Dockingacollege in Ferwert. Wat dat precies is kan haar begeleider Henk Wolf - taalkundedocent op de NHL - het beste uitleggen. “It is de bedoeling dat hja studenten Dútsk helpt by harren útspraak en dat sy studinten Frysk leart oer de Noardfryske taal en kultuer.”
In de praktijk betekent dat het geven van een cursus Noardfrysk op de NHL en een soort gastdocentschap op het Dockinga. “Ik wil ze leren dat Noord-Fryslân niet ‘Fryslân boven Dokkum’is, maar een streek in Duitsland, met een eigen taal en eigen gebruiken. Het feestvuur met Sint Piter bijvoorbeeld, ringrijden, klootstokspränge …” Marlene giechelt om de niet-begrijpende blik van de verslaggever. Tot nu toe kan hij haar zangerige taal, die voor de leek eerder op Duits of Deens lijkt dan op Fries, aardig volgen, maar nu haakt hij af. “Fierljeppen”, schiet Wolf te hulp. “Ja, maar niet als sport zoals jullie het doen, hoor”, corrigeert Marlene. “Meer voor de folklore, op boerenfeesten enzo."
Marlene is in Fryslân op uitnodiging van het FYK, het Frysk Ynternasjonaal Kontakt. Of, preciezer gezegd: ze heeft samen met Wolf en andere leden van deze jongerenvereniging bedacht dat een jaartje in Fryslân wel wat voor haar zou zijn. “Wy hiene yn 2003 ek al ris in taalassistint hân”, legt Wolf uit. “Dat wie Sabrina Jessen en dy wie wer in buorfamke fan Marlene.” Toen de drie elkaar tegenkwamen op een van de interfriese reisjes van het FYK (Marlene en Sabrina zitten bij Rökefloose, de Noordfriese zustervereniging) was voor Marlene het idee snel geboren om Sabrina’s werk in Leeuwarden voort te zetten. “Ik wilde wel graag een tijdje naar het buitenland na mijn eindexamen en dit leek me wel mooi en spannend.” Henk had er ook wel oren naar: “It is foar de studinten Dútsk en Frysk hiel goed om kontakt te hawwen mei leefydsgenoaten. Marlene kin ek soargje foar oare kontakten op skoallen yn Noard-Fryslân.” Bovendien gaat ze samen met een docent Duits een dvd maken met Fries en Noordfriese volksverhalen. "Dêr is Sabrina ek noch by belutsen. Dat is wol hiel aardich.” Omdat de provincie Fryslân ook altijd voor meer contacten tussen Friese jongeren is, kon er zelfs nog een mooie subsidie af. “Dat it kostet de skoalle net iens sa folle.”
Plezier
Een gesubsidieerd bestaan als taalassistent is natuurlijk een hele verantwoordelijkheid, maar Marlene is ook van plan “gewoon een hoop plezier” te maken. Ze woont nu in Burdaard bij een gastgezin, vooral om het ‘Nederfries” te leren verstaan, “maar ik hoop binnenkort een kamer in de stad te krijgen.”
Eén ding is haar alvast opgevallen: de volkomen vanzelfsprekendheid waarmee mensen Fries met elkaar spreken. In haar woonplaats (5500 inwoners) is het Noardfrysk toch wat een ondergeschoven kindje. In sommige gezinnen is het wel de voertaal, maar op straat kiezen de meeste mensen voor het gewone (Hoog-)Duits of het plattdútsk. “Op de omringende eilanden spreken ze het wel meer, maar op het vasteland maar nauwelijks. Je moet er echt voor naar de vereniging.”
Boarne: Friesch Dagblad, 12-09-2006 [7 staveringsflaters yn de Frysktalige oanhalen binne ferbettere]De Kommissaris drs. E.H.T.M Nijpels
De Boargemaster G.J. Kuiper
De Boargemaster A.A.M. Brok
11 septimber 2006
Heechachte Kommissaris, tige achtbere Boargemasters,
De Ljouwerter hie it der net oer, it Deiblêd wol: de sechstsjinde fan septimber noegje jimme de buorlju op ’e kofje. Hokker merk? Wy hawwe ús Douwe Eiberts fansels, wy hawwe ús Trije Mollen, wy hawwe ... Lang ferlyn wie it fan ‘Koop Nederlands Fabrikaat’ yn Hollân. Yn it gefal dêr’t it no om te rêden wie, komt dat del op kofje fan De Jouwer, of kofje fan Boalsert, of Dokkumer kofje, tink.
Mar wêrom der net foar út te kommen, dat jimme ‘de kofje brún hawwe’? Alleman en wrâld kin dat wol lêze, dat ‘de kofje is brún’ en oars ‘de kofje stiet klear’, as jimme sa wolle. Fansels, jimme hawwe it doarplaatsje fergees krige, en oars as miggen slacht men yn dit lân net ôf.
Elk fan jim trijen hat weet fan de nije taalnota ‘better sichtber, mear fertroud’. Jimme hiene dêr aldermaklikst in lytse bydrage ta leverje kinnen: sels in kofjeplaatsje meitsje litte of oars de lânstalige kofjetekst op in moai stikje papier skriuwe en dat op ’e foardoar plakt. Neat liket my tefolle ta foar har dy’t it bêste foarhawwe mei minsken, mienskip en maatskippij.
Mei Mitgummoolster achtinge,
(Dit stikje is skreaun nei oanlieding fan in berjochtsje yn it Friesch Dagblad fan 7 septimber 2006 mei as kop ‘Nijpels. Kuiper en Brok heten hun buren welkom’. Op harren doar hiene se in buordsje oanbrocht mei de tekst ‘De koffie staat klaar’.)
Boarne: Lytse Frisia, tydskrift foar Fryske striid en literatuer, jrg. LV nû. 4, sept. [= desimber] 2006, s. 64ERIK BETTEN
Toen ik begin februari met deze columns begon, deed ik een plechtige belofte. Ik zou na afloop van mijn vijfentwintig lessen, een half jaar later dus, een stukje geheel in het Fries schrijven. Dat leverde prompt een e-mail op van een trouwe FD-lezer. Hij loofde mijn enthousiasme en zei dat hij me aan mijn woord zou houden.
Begin augustus kreeg ik opnieuw een e-mail van hem, maar nu op een andere toon. Hij was teleurgesteld. Diep teleurgesteld. Had ik niet toegezegd een half jaar later een column in het Fries te schrijven? En was die belofte die maandag niet precies een half jaar eerder gedaan? Hij had dan ook vol verwachting de krant opengeslagen, maar trof daar toch weer een Nederlandse column aan. Alleen wat telwoorden waren in het Fries geschreven.
Op de letter beschouwd had deze lezer natuurlijk alle gelijk van de wereld. Over de lengte van een half jaar valt niet te twisten, in welke taal dan ook. Ik had bij mijn planning in februari echter geen rekening gehouden met de zomervakantie, die ook bij de Afûk geldt. De vijfentwintigste les volgt dan ook pas volgende week en het afsluitende examen is de zaterdag daarop. En pas als ik dat met goed gevolg heb afgelegd, lijkt me een column in het Fries op zijn plaats. Dat schreef ik dan ook aan deze punctuele lezer.
Maar daarmee was onze correspondentie nog niet afgerond, want twee dagen later arriveerde een dikke envelop op de redactie. Al mijn columns zaten erin, uitgeknipt. Dat was in goed Fries wel een statement te noemen. Eén collega opperde dat dit een soort motie van afkeuring was, maar een ander zag het eerder als een bewijs van betrokkenheid. Hoe dan ook, het is me nu wel duidelijk dat er iets verwacht wordt. Dus het beloofde Fries komt er echt, al is het misschien wat later. Uitknippen mag, terugsturen liever niet.
Erik Betten is verslaggever bij het Friesch Dagblad
Boarne: Friesch Dagblad, 11-09-2006ERIK BETTEN
Afgelopen woensdag was de eerste cursusdag na de vakantie. Na twee maanden van gelegenheidsgesprekjes in het Fries, was het nu weer zaak om de tiidwurden correct te vervoegen. En veel tijd hebben we daar niet meer voor, want over drie weken wacht ons het examen. Er op ons gemakje even inkomen is er dus niet bij.
Enkele dagen tevoren had juf Martsje een email rondgestuurd. Of we niet vergeten waren dat we weer zouden beginnen. Ze kent haar pappenheimers, en weet hoe de vakantie de motivatie van cursisten kan aantasten. De subtiele herinnering was dus wel op zijn plaats.
Toch bleek ik woensdag de enige cursist te zijn die was komen opdagen. Een aantal had met goede redenen afgezegd, maar dat gold zeker niet voor iedereen. Juf Martsje en ik besloten nog even te wachten, maar dat leverde geen extra cursisten meer op. Het werd een privéles.
Als huiswerk hadden we een oud examen opgekregen, en gelukkig had ik dit keer mijn plicht gedaan, omdat het me wel een heel slappe smoes leek om na dik twee maanden voorbereidingstijd te zeggen dat je er niet aan toegekomen bent.
Een kleine twee uur was ik aan het voorlezen, vragen beantwoorden en zoeken naar het juiste woord. De privéles was een onverwachte luxe, maar gaandeweg begon ik mijn medecursisten steeds meer te missen. Om dat te illustreren viel op een gegeven moment zelfs het licht uit, dat in de locatie Bouhof van de Noordelijke Hogeschool Leeuwarden, waar de cursussen plaatsvinden, wordt ingeschakeld via bewegingssensoren. Het was er te stil.
Toen we in februari begonnen met de cursus waren er nog zeker tien deelnemers. Als in het boek van Agatha Christie was dat aantal gestaag afgenomen. Dan viel de ene af, dan de andere. Dat ik er nog wel zat, kon volgens de ijzeren logica van Agatha maar twee dingen betekenen. Net toen ik me dat bedacht, viel het licht opnieuw uit. Privéles kan best eng zijn.
Erik Betten is verslaggever van het Friesch Dagblad
Boarne: Friesch Dagblad, 04-09-2006Harje
Pieter de Groot
Tegen de Engelse ziekte van middenstanders valt niet meer op te boksen. In Harje van 5 augustus* signaleerden we hier de verengelsing van de Nieuwestad, de belangrijkste shoppingstreet van de capital van Friesland en het zou ons niet verbazen als over enige jaren, wanneer de verbouwing van het shoppings-centre aan het Zaailand is voltooid, deze attractie naar Amerikaans voorbeeld The Sowing Mall wordt gedoopt – je moet toch wat om kopers te lokken.
In Drachten, dat sinds Philips dit dorp in de jaren vijftig op z’n kop zette, worstelt met z’n identiteit, was het de laatste zaterdag in augustus weer ‘Crazy Saturday’, een initiatief van de plaatselijke middenstand. De eerste ‘Crazy Saturday’ was vorig jaar een groot succes, vandaar dat middenstandvereniging H&I tot prolongatie besloot van dit door haar tot ‘uniek in Friesland’ bestempelde ‘event’. Door middel van posters en in advertorials was het publiek al ruim vantevoren crazy gemaakt, mee dankzij de welwillende medewerking van The Frisian Press.
Alle gekheid op een stokje: waarom moet dit idee, afgekeken van de middenstand in het Overijsselse vakantiedorp Rijssen, die in juni zo’n ‘Crazy Saturday’ heeft, even klakke- als fantasieloos worden gekopieerd? In Hoofdorp is een discotheek, The Challenge, die Crazy Saturdays organiseert, en als de Drachtster discotheken op de Kaden zulke partynights voor kinky people willen houden, valt dat nog te billijken. Zulke nachten zijn besloten, ze maken deel uit van een subcultuur, waar je bij wil horen of niet.
Maar de Crazy Saturday van de Drachtster middenstand kenmerkt zich juist door een oerhollandse gezelligheid of zo men wil poerfryske smûkens, waar zowel jong als oud zich wel bij vinden, en dan krijgt zo’n reclamekreet iets aanstellerigs. Roel Oostra, oud-directeur van schouwburg De Lawei heeft er vorig jaar onder het motto ‘Elk is gleon op gekke sneon!’ de draak mei gestoken in ‘Pakepraat’, zijn toenmalige rubriek in de Pluskrant voor ouderen, die in de vrijdageditie van de Drachtster Courant was opgenomen.
H&I heeft zich er niets van aangetrokken, misschien wel, omdat ze vindt dat pake niet zo moet zeuren. ‘Pake’ herinnert zijn lezers aan de tijd dat de Drachtster Courant in plaats van een advertentieblad nog een abonneekrant was, waarin hoofdredacteur Freark Dam ongezouten commentaar leverde op misstanden in zijn ‘drok, drok Drachten’. Dam zou zich fel hebben gekeerd “tsjin dat healwize gedoch om in frjemde taal te brûken as der twa oare, ofwol Nederlânsk ofwol Frysk, foar hannen binne”, stelt Oostra zich voor.
En de keuze tussen die beide is in Drachten al moeilijk genoeg. Dezelfde Dam beschreef ooit treffend het dilemma waarvoor hij zich in het metropolitische Drachten soms geplaatst zag. Moest hij zijn ‘selsgefoel’ laten prevaleren en principieel Fries spreken, of moest hij zijn memmetaal voor eigen bestwil laten varen in verband met mogelijke consequenties?
Dam zag zich al als slachtoffer in Nij Smellinghe liggen, met aan zijn bed een alwetende medisch specialist. ‘Rint men, troch sa’n ien yn it foar jin sa ôfhinklike posysje ta kleurbekennen yn de taalstriid te twingen, net de kweade kâns dat men, lykas mefrou X ûnderfûn hawwe moat, beglimke wurdt mei de allessizzende replyk: ‘Zóóóó’.kom jij uit Houtigehage?! …”
Dus in plaats van te strijden over sljochte sneon of zotte zaterdag, kiest H&I liever meteen voor Crazy Saturday. Dat verstaat tenslotte iedereen in deze small, small country.
Reacties: harje@leeuwardercourant.nl
Boarne: Leeuwarder Courant, 29-08-2006
FFU: Sjoch ek by ‘Poadium’: *05-08-2006, De Engelse ziekte [Pieter de Groot, ‘Harje’]Limburgers worden steeds trotser op hun provincie. Inez Piso (18) spreekt met twee Limburgse nationalisten
Limburg heb ik altijd gezien als een uithoek van de samenleving waar het gezamenlijke accent als zangerig bestempeld wordt en de mensen als dom. Voor mij is het slechts een tijdelijke verblijfplaats waar ik mijn jeugd en pubertijd doorbreng.
Toch zijn er jongeren die hetzelfde lot als ik beschoren zijn, hetzelfde accent hebben en ook gedoemd zijn om de heuvels op en af te fietsen, maar die mijn mening verbazingwekkend genoeg niet delen. Sterker nog, ze zijn tróts op Limburg. Ze voelen zich één. Zetten zich af tegen Nederland. Onafhankelijkheid is waar ze naar streven.
Dit gevoel van saamhorigheid zie ik steeds meer om me heen. Het aantal tassen versierd met een Limburgse vlag wordt groter en groter. Jongens met shirts waarop Limburgse teksten afgedrukt zijn, passeren mij steeds vaker in de schoolgangen.
Alfons Burlet (16), bijvoorbeeld. Hij gaat naar 5 VWO, wil geschiedenis studeren en heeft letterlijk en figuurlijk een grote mond. “Van alle landen, ken ik de geschiedenis van Limburg het beste.”
Dus je ziet Limburg als een land, vraag ik verbaasd. “Als toekomstig land”, verbetert hij me. Hij pakt pen en papier. “Kijk. Dit is Limburg, hier is Belgisch-Limburg en hier ligt Aken. Nederlands en Belgisch Limburg zullen verenigd worden en daarna zal Aken ook tot Limburg behoren.” Hij schetst zijn nieuwe Europa er herkenbaar genoeg omheen. “Zie je hoe centraal wij liggen? Zodra Limburg onafhankelijk is, zullen we binnen de Europese Unie zeker tot de kernlanden van Europa behoren. Maastricht zal als hoofdstad van Limburg fungeren en de groothertog van Limburg zal staatshoofd worden.”
Ik vraag hem hoe hij dit denkt te bewerkstelligen en tot mijn verbazing heeft hij een uitgewerkt plan beraamd. “Op dit moment hebben we als regio aardig wat prestige opgebouwd: we hebben een geweldige infrastructuur, we zij na de Randstad het dichtstbevolkte gebied van Nederland, er worden belangrijke conferenties gehouden en verdragen gesloten zoals het Verdrag van Maastricht, Ned-Car, de enige autofabriek van Nederland, is hier gevestigd en ga zo maar door. In de driehoek Luik-Maastricht-Aken wordt enorm geïnvesteerd. België en Duitsland zien Limburg als uitermate ontwikkeld, alleen de Hollanders kijken op ons neer.
BUITENLANDSE POLITIEK
“We hopen op steun van Europa bij de eenwording van Limburg, en dan vooral van Duitsland. In de 19de eeuw zat Limburg bij de Duitse Bond, dus daar heb ik wel vertrouwen in. België zal misschien een beetje tegenstribbelen, maar het gaat ook hún Limburgse provincie aan. Via een referendum kan de Limburgse bevolking zijn stem laten horen aan de Nederlandse regering en ik hoop voor hen dat dit voldoende is om mijn doel te bereiken, anders zal ik een agressieve manier van buitenlandse politiek moeten voeren.”
Het vredige referendumidee had ik al eerder gelezen op de officiële site van Provincie Limburg. “Deze site is dan ook mijn startpagina”, zegt hij. Ik veronderstel hardop dat hij dan ook vast de Limburgse vlag als bureaubladachtergrond heeft. “Jazeker”, bevestigt hij mijn vermoeden. “Ik heb ook een Limburgse vlag in mijn kamer hangen, ik heb een T-shirt met de Limburgse vlag en verder praat ik gewoon heel veel over Limburg. Ik spreek wel Nederlands, dat moet ook wel om te overleven, maar in feite is het een opgelegde taal.”
Ik vind het geweldig om te horen hoe gepassioneerd hij praat over het gebied waar hij leeft, maar ergens ook wel eng. Ik schraap wat moed bij elkaar en vraag hem of ik een foto mag maken van het T-shirt dat hij aanheeft. Hij stemt toe, maar vraagt wel of zijn gezicht niet in beeld wordt gebracht, “Jammer genoeg zijn er een aantal mensen die het niet eens zijn met mijn ideeën, maar ooit zullen ze het begrijpen.” Zijn naam heb ik ook op zijn verzoek gefingeerd.
Hij is niet de enige jongere die zoveel van Limburg houdt. Jeroen Janssen (25) is bestuurslid van de JOVD (VVD’s jongerenorganisatie) en zijn collega’s noemen hem een Limburg Nationalist. “Maar dat is natuurlijk onzin. Ik ben gewoon enorm trots op Limburg. Ik vind het ook denigrerend dat sommigen Limburg een provincie noemen, ik heb het liever over mijn land.”
Overdonderd door de liefde die hij uitspreekt voor zijn ‘vaderland’, vraag ik hoe hij zijn trots voor Limburg uit. “Ik neem mijn Limburgse vlag mee als ik bijvoorbeeld naar Den Haag ga en verder leef ik gewoon als een Limburger. Natuurlijk praat ik ook Limburgs.” Mijn pen kan zijn woorden nauwelijks bijhouden en mijn blocnote raakt voller en voller. “Kijk, als een Hollander hierheen komt als gast, dan praat ik natuurlijk Nederlands, maar als hij hier woont, moet hij ook Limburgs praten. Gewoon integreren, hoor! Kom nou.”
Hij roert in zijn cola en neemt een grote slok. “Ik heb gewoon duidelijke standpunten. Ik ben van mening, dat de huidige grenzen kunstmatig zijn. Ze zijn opgelegd en daarom moet er één groots Limburg komen. Het lijkt me vanzelfsprekend dat Belgisch Limburg ook onderdeel gaat uitmaken van het Nieuwe Limburg. De Selfkant van Duitsland mag er ook nog bij. O, ja de hoofdstad van Limburg wordt Maastricht.”
WETSVOORSTEL
Hoe hij dit allemaal gaat doen? Nou zo dus: “Op dit moment groeit er een onderhuids gevoel van Limburgse eenheid onder voornamelijk jongeren. Door samen sterk te staan met deze jongeren, probeer ik een basis te leggen. Ik wacht het juiste moment af om mijn plannen daadwerkelijke uit te voeren, door ze bijvoorbeeld in te dienen bij de Tweede Kamer, als wetsvoorstel. Ik wil me dan ook verkiesbaar stellen. Ik ben nog wel jong, maar ik heb de tijd. Stapje voor stapje groei ik de politiek in. Zodra de mogelijkheid zich voordoet, dan zal ik opkomen voor het volk en voor mezelf.”
Nationalist blijft voor mij een ongrijpbaar fenomeen. Waarom steeds meer jongeren hun trots zo expliciet uitdragen, is voor mij nog steeds moeilijk te begrijpen. Mijn leven lang woon ik in hun prachtige Limburg, maar nooit zal ik me Limburgs genoeg voelen om affiniteit met de vlag te hebben. Misschien dat het uiteindelijk verenigd Limburg ooit tot stand komt, maar tot die tijd vestig ik mijn hoop op Europa en het natuurlijke proces van vervagende grenzen.
Provincie Limburg:
www.limburg.nl
Limburgeringscursus:
http://forum.fok.nl/topic/674788
ERIK BETTEN
Toen ik in Leeuwarden op school zat, had ik een leraar Nederlands, die onze opstellen niet zomaar op fouten corrigeerde, maar ook aangaf tot welke categorie ze behoorden. Je had spelfouten, verkeerde vervoegingen, en soms stond er ‘fr’ in de kantlijn. Dan had ik mij weer eens bezondigd aan een frisisme.
Van de andere soorten fouten kon ik begrijpen wat er mis was, maar juist bij die frisismen tastte ik in het duister. Net als de meeste van mijn klasgenoten uit Leeuwarden sprak ik geen Fries, hoorde het slechts bij hoge uitzondering om me heen en had dus ook geen vergelijkingsmateriaal. Dat we desondanks toch een keer of drie per opdracht in de fout gingen, was een bron fan frustratie. Een lesje ‘frisismen in het dagelijkse verkeer’ had me toen bijzonder geholpen. Dat “waar kom je weg?”niet goed was, snapte ik nog wel, maar waarom “ik ga mét vakantie” uit den boze was, begreep ik niet. Pas nu ik me vrijwel dagelijks met het Fries bezighoud, herken ik hoeveel Nederlandse uitdrukkingen die ik uit mijn jeugd ken, eigenlijk aan het Fries ontleend zijn. Om het bij de voorzetsels te houden bijvoorbeeld: het op bed gaan en van bed af komen. Of bij de werkwoorden: zeggen dat je geen spruitjes mag, maar ze toch moet eten, en dat je heel wijs bent met je nieuwe keuken.
Deze zomer zorgt de muggenplaag wel voor een heel vaak voorkomende spraakverwarring bij mij thuis. Mijn vrouw ziet continu muggen, waar ik vliegen zie. En waar ik muggen zie, ziet zij neefjes. Inmiddels weten we dat we dat van elkaar, maar dat maakt het alleen maar ingewikkelder, want als ze dan ook echt mug zegt, bedoelt ze dan ook echt een mug, of toch per ongeluk weer een vlieg? Niet dat het veel uitmaakt, want ik beide gevallen wacht zo’n beestje de vliegenmepper, zodra hij zich ergen ‘neergeeft’.
Erik Betten is verslaggever bij het Friesch Dagblad
Boarne: Friesch Dagblad, 21-08-2006Ofgeande op de foar- en efternammen is it keatsen noch altyd foarbeholden oan autochtoane Friezen, ornearre ik ferline wike (Harje 8 augustus), nei bestudearring fan de 51 jongespartoeren dy’t oan de 104de Freule meidiene. Ik hie de list neier besjoen en ferlike mei de útkomsten fan it ûndersykje fan keatsleafhawwer Dirk Jorritsma dy’t de Freulelist fan tweintich jier ferlyn analysearre hie (yn de moanneblêd De Strikel). Jorritsma sinjalearre yn 1986 de opkomst fan nijmoadrige foarnammen lykas Roland en Ronald, Dennis en Kenneth. De ‘fannen’ wiisden lykwols noch moai de Fryske kant út: Idsardi, Siderius, Sybrandy, ensfh.
De moderne trend hat him net trochset, seach ik, de list oereagjend. Jawis, der diene noch wol Larsen en Nielsen, Kenneths en Patricks mei, mar har tal wie, ferlike mei tweintich jier ferlyn, weromrûn. Dêrfoar yn it plak wiene goefryske foarnammen kommen lykas Bouwe en Fonger, Knilles en Sake, Sievert en Ulbe. Dat wiist derop dat Fryske heiten en memmen wer grutsk op har komôf binne. Guon binne noch gewoan ferneamd nei har pakes fansels, mar de boekjes mei mear as 4000 orizjinele jonges- en famkesnammen, gearstald troch de Fryske Akademy, dogge grif ek fertuten.
Ik miste lykwols nammen fan nij ynkommen Friezen, dy’t ik benammen by de jeugd ferwachte hie: Wêr bliuwe de Hakims en Mohammeds? Tsjut har ôfwêzigens op in yntyltkultuer, dy’t gjin frjemde ynfloeden talit? Ik wie der suver bang foar doe’t immen my op ’e Freule sei dat it keatsten “mar moai fan ús bliuwe moat”. Dêrmei soe it dan tagelyk yn de hoeke fan de folkloare weiset wurde en hoege wy op topsport net mear te rekkenjen.
Jan Terra fan Boalsert brocht my de fersebondel yn ’t sin, dy’t it COS Fryslân yn 1996 útjûn hat: ‘Holland heeft mooi weer op zondag’. Yn it fers ‘Kening’ sjongt Meindert Bylsma de lof fan Hassan Abdul Ibrahim.
Der soe gjin keatsersbloed yn sitte, wol it foaroardiel, en it folk docht lytsachtsjend oer syn earste misse slaggen (‘flechtlingballen’). Mar it folk is foargoed fan syn foaroardiel genêzen as Hassan op in goede dei kening fan ’e PC wurdt, en dan klapt it foar him de hannen stikken.
Giny Bastiaans sjocht foarút nei de PC fan 2025:
wat soe dat moai wêze as yn 2025
dy jonge út Berltsum krekt gjin kening waard
op ’e PC yn Frjentsjer.
al wie er troch syn maten yn ’e midden set,
hie er de stjerren fan ’e himel slein en
foar de safolste kear wer boppe.
net, om’t er ien wie fan Hendrik en Sytske
mar fan Ismaïl en Faira, dy’t yn de foarige ieu
- út Somalië leau ’k -
hjirhinne flechte wiene.
mar inkeld om’t noch altyd dyselde kommisje
- mei lak oan ’t publyk - grouwélich it mier hat
oan soksoartemint keatsers as
eartiids Johannes Brandsma.
Sjochdêr - it duorret net lang of de foarsizzing fan Bylsma en Bastiaans komt út. By keatsferiening De Keatsbal yn Easterbierrum slacht pupil Adnan Harour (11) de stjerren fan ’e himel. Linich, sa ha je net, en tûk yn it perk - útslaan fynt er it moaist’ - en yn it tuskenspul. Hy komt út in Syryske húshâlding dy’t fiif jier ferlyn nei Fryslân kommen is, en jout him der hielendal by. By de fuotbalferiening Tsjummearum is er ûnderwilens in baas fuotballer.
Neffens de Easterbierrumers hat Adnan in echte winnersmentaliteit. As pupil hat er al 34 keatsprizen wûn, takom jier giet er oer nei de skoaljonges. Hy is in grut talint, in foarbyld foar de autochtoane jeugd èn foar de jonges en famkes út in Angoleeske en Libaneeske húshâlding, dy’t ek by ‘De Keatsbal’ keatse.
Der is gjin mis op: yn de Bjirmen is de fiktoarje begûn!
Pieter de Groot (‘Harje’)
Boarne: Leeuwarder Courant, 17-08-2006Taalgenoat
troch Arjen Versloot
Dat it Fryske taalgebiet earder folle grutter wie en ek West-Fryslân, Grinslân en stikken fan Noard-Dútslân omfieme, sil in soad minsken wol bekend wêze. It Frysk hat yn de rin fan de ieuwen dus in grut gebiet ferlern. Foar de hjoeddeistige provinsje Fryslân jildt lykwols net dat it Frysk inkeld mar efterútbuorke hat.
De Friezen wiene yn de iere midsieuwen benammen bewenners fan de klaai. Fierder nei it suden ta wie Fryslân folle leger. Dy kriten bestiene benammen út heide en fean. De eardere gritenij Skoatterlân (no gemeente Hearrenfean) is út it suden wei kolonisearre. De geografy fan it gebiet jout oanlieding om dat te tinken en der binne ek nammekundige redens. De nammen Jobbegea en Ald- en Nijskoat binne lettere ferfryskings fan oarspronklik Nedersaksyske nammen. Dy nammen tsjutte dus op net-Frysktalige stifters fan de doarpen. Nei alle gedachten waard Skoatterlân yn de rin fan de misieuwen Frysktalich.
Yn Opsterlân binne ferskate nammen, lykas Oerterp en Beetstersweach, wol oarspronklik Frysk. De feangebieten fan Opsterlân bine dus út it noarden wei troch in Frysktalige befolking oanmakke.
Fan Surhuzum (Achtkarspelen) nei it suden ta bestie de grins fan Fryslân en dêrmei de taalgrins oant djip yn de njoggentjinde ieu út in brede stripe fean en heide, mei yn it suden de brede Tsjonger-delling as skieding mei it Stellingwerfske taalgebiet. Nei 1500, mar benammen yn de njoggentjinde ieu, wurde heide en fean oanmakke ta boerelân. Yn de nije doarpen as Surhústerfean (± sechtjin hûndert), Bakkefean (santjinde ieu), Haulerwyk en Waskemar (achttjinde ieu) sette har benammen Frysktaligen nei wenjen. Dêrtroch skoot de taalgrins tichter nei de provinsjegrinzen en ek justjes de Stellingwerven yn. De Eaststellingwerver doarpen Donkerbroek en De Haule binne yn it begjin fan de njoggentjinde ieu noch fierhinne Stellingwerfsktalich. Sels yn Hoarnstersweach wurdt dan noch troch guon Stellingwerfsk praat, faaks de lêste rest fan it eardere Nedersaksyske Skoatterlân.
De tarin fan Frysktaligen giet troch. Neist it Stellingwerfske Appelskea ûntstiet yn de njoggentjinde ieu in nije, foar it grutste part Frysktalige feankoloanje Nij-Appelskea. De Fryske feanarbeiders stekke ek de grins nei Grinslân oer: de njoggentjinde ieuske ûntginningsdelsettings De Wylp (by Sigerswâld) en de Grinzer Pein wurde foar it grutste part Frysktalige doarpen. De Frysktalige hoeke fan it Grinzer Westerkertier is dus net it lêste oerbliuwsel fan it eardere Frysktalige Grinslân, mar in gefolch fan it opskowen fan de taalgrins yn de njoggentjinde ieu.
Wylst it Frysk oan de iene kant nei it súdeasten opkringt, ûntsteane tagelyk net-Frysktalige enklaven troch de komst fan minsken út Oerisel nei 1750. Minsken út de kop fan Oerisel, de ‘Gitersen’, waarden spesjaal ynhelle om it leechfean út te baggeljen. Dat hie fan gefolgen dat doarpen as Sint Jansgea, Rotsterhaule, Dolsterhuzen, Ychten, Lúnbert en Tsjalbert yn de njoggentjinde ieu in grut oanpart net-Frysktaligen hiene, soms sels in mearderheid. De taalgrins wie om 1850 dus absolút net skerp: oer it hiele gebiet fan Lemsterlân, Skoatterlân, Anjewier en Eaststellingwerf waarden Frysk en Nedersaksysk neistinoar brûkt. De taalferhâldings binne sûnt dy tiid wol útkristallisearre. It neiteam fan de Gitersen gong op it Frysk oer. East-Stellingwerf noardlik fan de Tsjonger waard aloan sterker Frysktalich, wylst Appelskea tsjintwurdich sels minder Frysktalich is as Easterwâlde. De Tsjonger is dus (op ’en nij) in frij skerpe taalgrins wurden. Yn it Grinzer Westerkertier bliuwt it westen fan de Grinzer Pein behoarlik Frysktalich, wylst de taalferhâldings yn De Wylp sawat heal om heal binne. Al mei al hawwe der dus nochal wat ferskowings fan de taalgrins plakfûn yn it suden en easten fan de provinsje.
Boarne: Friesch Dagblad (‘Sneinspetiele’), 26-08-2006, s. 37De finsters moatte iepen!
DOEDE DAMSMA
In tige ynspirearjend artikel fan dr. Gert-Jan Hospers yn it Friesch Dagblad fan moandei 24 july: de skriuwer jout yn ‘regionalistische én wereldwijze provincie’ oan dat regionalisme en in suksesfolle ekonomy wol deeglik hiel goed tegearre opgean kinne. De ekonoom Hospers skriuwt, dat de sitewaasje fan de Dútske dielsteat Baden-Württemberg in ‘wenkend perspectief voor trotse en zelfbewuste regio’s als Fryslân en Twente’ wêze kin.
Fansels binne der ferskillen tusken Fryslân/Twinte en Baden-Württemberg (B-W), benammen op it mêd fan de skaal en it foech. Mar de fraach is oft dy ferskillen beskiedend binne foar in mooglik sukses by ús. Wy libje yn in provinsje en de regio Twinte is sels dat net iens. Baden-Württemberg is in saneamd ‘Bundesland’ en hat mei de weryndieling nei de Twadde Wrâldkriich in (ekstreem) heech eigen foech krige. De bestjoerskrêft is dêrom by ús in hiel ein minder.
Ek de skaal ferskilt nochal: tsjinoer de tsien miljoen ynwenners fan B-W sitte Twinte en Fryslân fier ûnder it miljoen. En sels as wy alle Friezen yn Nederlân en Dútslân en Denemarken mei rekkenje soene, bliuwe wy noch op maksimaal trije oant fjouwer miljoen stykjen: dy wenje dan ek nochris yn ferskate lannen. Sawol it legere ynwennertal as it folle lytsere foech sette ús en ek Twinte dus op efterstân yn ferliking mei Baden-Württemberg.
Utfiners
Dochs hoecht dat net al te beskiedend te wêzen, want der binne wol degelik ek oerienkomsten tusken de Dútske dielsteat en ús, bygelyks op it mêd fan de patinten. Fryslân is yn Nederlân de provinsje mei de measte útfiners. Op de Fryske klaai kime de nije ideeën blykber maklik út de grûn en dêrom wurde der hjir ek grutte oantallen patinten oanfrege. En dan stûket it: yn de gearwurking tusken de bedriuwen, de Hegeskoallen en de (noch altyd net besteande) universiteit wurde dy fernijende ideeën net omset yn echte projekten en produkten.
Dat ferklearret mooglik ek it ferskil tusken de hege arbeidsproduktiviteit fan B-W en it relatyf lege nivo yn Fryslân. Friezen steane bekend as tige hurde wurkers, mar de stap fan útfinen/fernijen nei it ‘fermerkjen’ en in hegere produktiviteit wurdt by ús net makke. It noch altyd ûntbrekken fan de eigen universiteit en it lege foech fan de provinsje hawwe dêr grif wat mei te krijen.
Heimatliebe
In oare wichtige suksesfaktor dy’t Gert-Jan Hospers neamt, is de dielde ‘Heimatliebe’: “In Baden-Württemberg heerst een eensgezind, regionalistisch gevoel”, sa skriuwt de ekonoom. Ek yn Fryslân hearsket der sa’n ‘ienriedich regionaal gefoel’, mar dat liedt oant no ta net ta it grutte sukses fan de Dútske dielsteat. De kruks sit yn de ynternasjonale oriïntaasje fan Baden-Württemberg: de Swaben rjochtsje harren in protte nei bûten ta en binne ‘een van de meest exportgeoriënteerde regio’s van Europa’.
De oriïntaasje fan Fryslân is foaral nei binnen ta rjochte; wy hâlde ús foar in grut part dwaande mei ynterne saken. Friezen ‘blinke út’ yn de eigen sporten (skûtsjesilen-fierljeppen-keatsen), de eigen folkloare (alvestêde- en kuiertochten) en in grutte tefredenheid mei de eigen prestaasjes. Neat op tsjin fansels, mar in ferskowing fan (in part fan) al dy enerzjy nei in mear ynternasjonale oriïntaasje soe foar ús takomst wolris hiel wat mear fertuten dwaan kinne.
Finsters iepen
De einkonklúzje nei it prikeljende artikel fan Gert-Jan Hospers mei dúdlik wêze; Fryslân is gjin Baden-Würrtemberg! Mar wy kinne ûnder it ferfryske motto ‘wy kinne alles, mar prate Frysk’ dochs in hiele protte fan it artikel oer de Dútske dielsteat opstekke. Earst en foaral: de finsters moatte iepen. Oan allinnich nei binne rjochte (folkloristyske) aktiviteiten en Geert- Mak-eftige tastannen hawwe wy yn dat ferbân hielendal neat.
Fryslân moat it heft yn eigen hân nimme en hat dêrom folle mear foech nedich: de provinsje moat in ‘lân’ yn it Keninkryk wurde. Dat lân kin dan sels de ekonomyske gearwurking tusken de bedriuwen en de Hegeskoallen – krekt as yn Baden-Württemberg – op poaten sette. Én einlings ris dy echte Fryske Universiteit yn Ljouwert stiftsje, mei mooglik de regionale ekonomy fan August Lösch as ien fan de haadtema’s en spearpunten. Sa kinne wy ek foarkomme dat ús natuer fierder fertutearzet en it lânskip nei de barebysjes giet.
Sa kin ‘ús moai Fryslân’ einlings de takomst treast wêze. En de einkonklúzje foar Twinte lit ik fansels oan de ekonoom fan de Universiteit Twente sels oer.
Doede Damsma uit Leeuwarden is publicist
Boarne: Friesch Dagblad, 11-08-2006
FFU: It pleit foar in grutter foech foar de provinsje sprekt ús oan. It tal staverings- en taalflaters yn it stikje net: 43 hawwe wy út ’en roegens teld! Wy hawwe se mar ferbettere. Hat it Friesch Dagblad gjin korrektors? Of is it in tekoart oan goed ûnderwiis? Soks moat fansels oars en better.ERIK BETTEN
Juf Martsje had het goede idee om haar cursisten Fries mee te nemen naar een Iepenloftspul. Niet alleen omdat het als harktekst van 2,5 uur bijzonder educatief zou zijn, maar ook om ons, nu het einde van de cursus nadert, bloot te stellen aan een flinke portie Friese cultuur. De keus viel op ‘Don Juan’ in Dronrijp. Onze partners mochten mee.
We verzamelden ons bij mij thuis, en ruim op tijd stond de eerste op de stoep. Het was Jan-Douwe. “Goejûn!”, zei hij bij het binnenkomen met zijn gebruikelijke enthousiasme. Ook zijn vrouw begon in het Fries. En dat terwijl Juf Martsje er nog niet eens was.
Terwijl onze woonkamer zich langzaam vulde, ontstond er een soort taaltombola waarbij de ene keer wat in het Fries werd gezegd, en de andere keer wat in het Nederlands. Pas toen juf Martsje erbij kwam zitten, won het Fries.
Mijn vrouw, die het moeiteloos spreekt, liet zich daarbij niet onbetuigd, en ook de twee andere meegekomen cursistenvrouwen kletsten vrijuit. Maar degenen voor wie het gesprek de beste oefening vormde, behandelden het noodgedwongen als een luisteropdracht.
Het ging gewoon net iets te snel. Tegen de tijd dat we in ons hoofd een leuke zin hadden gebouwd, was het gesprek alweer drie onderwerpen verder. Alle vogelnamen, beroepen en koeksoorten die we de laatste weken aan onze wurdskat hadden toegevoegd te spijt. Over de cake die ik bij de bakker had gekocht, kun je maar een beperkt gesprek voeren, tenslotte..
Ook bij het Iepenloftspul zelf ging het af en toe behoorlijk snel. Maar dankzij het goede spel en de niet al te lastige verhaallijn kregen we genoeg mee. En zo deden we yn ’t foarbygean wat gave Friese woorden op ook. In een aardige scène werd een prachtig woord wel tien keer herhaald: Ik stean ferbûke, zei de acteur keer op keer. Ferbûke!
Na afloop legde Juf Martsje uit dat dat onthutst of terneergeslagen betekent. Ferbûke, dat vergeet ik niet meer. Maar probeer dat maar eens in een praatje over de heg te verwerken.
Erik Betten is verslaggever bij het Friesch Dagblad
Boarne: Friesch Dagblad, 10-08-2006ERIK BETTEN
Mijn nichtje van vijf wordt Nederlandstalig opgevoed, maar kan al wel tellen in het Fries. Ze gaat moeiteloos van ien tot tsien, maar gaat verder met de woorden: ober, dober, waarna dan wel weer een vlekkeloze trettjin en fjirtjin volgen. Ze weet dus heel goed dat elf en twaalf ook in het Friese systeem van telwoorden uitzonderingen zijn, maar heeft daar haar eigen, nogal Slavisch klinkende, versies voor bedacht.
Daar moest ik aan denken bij de hoog oplopende discussie over de nieuwe Nederlandse spelling, afgelopen week. Hoewel het om een minimale correctie ging op de veel ingrijpender wijziging van 1996, hebben grote dagbladen nu besloten om, anders dan het Friesch Dagblad, hier niet in mee te gaan. Om die ene tussen-n die nu uit ideeënloos verdwijnt, gaat het ze niet. Maar waar gaat het ze dan wel om?
Er worden een hoop argumenten vóór en tegen genoemd, maar die kennen we eigenlijk allemaal nog van tien jaar geleden: van: ‘het voelt niet goed’ tot ‘het is juist logisch’. Het zegt vooral iets over het karakter van degene die dagelijks met taal bezig is, en daarom is het zo’n emotioneel beladen onderwerp geworden in de media.
Uiteindelijk gaat het maar om één vraag: beschouw je je taal als je eigendom, of als een afspraak met anderen? In het eerste geval is deze de zoveelste aantasting van het instrument waar jij je dagelijks van bedient, een hinderlijke, misschien wel onacceptabele inmenging. In het andere geval kan er evengoed frustratie ontstaan, maar overheerst het besef dat er nou eenmaal een systeem moet zijn waar iedereen het over eens is. Want er komt een moment dat mijn nichtje elf wordt. Tegen die tijd zal ze begrepen hebben dat ze dan geen “ik bin ober” kan zeggen. Tenzij er ook in het Fries weer een nije stavering komt natuurlijk.
Erik Betten is verslaggever van het Friesch Dagblad
Boarne: Friesch Dagblad, 07-08-2006De erkenning van het Fries als tweede rijkstaal is door vorige generaties hard bevochten. Het gevolg is dat de provincie het Fries actief bevordert, met veel rijkssteun. Dit wordt echter niet door iedereen met gejuich begroet. Het jongste onderzoek van de Nijmeegse onderwijskundige Geert Driessen* leert, dat steeds minder ouders hun ‘memmetaal’ doorgeven aan hun kinderen. Ze schamen zich ervoor, of vinden het onbehoorlijk om de niet-Friestaligen, vaak import en van verschillende etnische afkomst, ermee lastig te vallen. Onder vriendjes en vriendinnetjes op het schoolplein is de omgangstaal al in hoofdzaak Nederlands, zowel op de dorpen als in de steden.
De neiging is groot om vraagstekens bij dit onderzoek te zetten. Het zal zo’n vaart niet lopen. Maar het heeft geen zin om de scepsis, ja regelrechte afkeer jegens het Fries te bagatelliseren. Ze bestaat, en het beste bewijs is dat het de provincie zelf ook niet lukt naar haar beleid te leven. Van de zes collegeleden zijn er slechts twee bij machte zich behoorlijk in het Fries uit te drukken, de rest vindt passieve beheersing genoeg. Maar als je het Fries wilt laten overleven, moet het actief worden doorgegeven, op alle fronten en in alle sociale lagen, van laag tot hoog. Hoe hoger het niveau waarop het wordt gesproken des te groter de kans op navolging.
Hier heeft de top van bestuurlijk Friesland geen boodschap aan. Het laat ze onverschillig. Onderwijs- en cultuurgedeputeerde Bertus Mulder is een roepende in de woestijn. In het thematijdschrift ‘Skoalle’ houdt hij een hartstochtelijk pleidooi voor het nut van het Fries in een tweetalige provincie. De nieuwe provinciale taalnota die in de maak is**, staat dan ook bol van de goede voornemens. Het Fries krijgt royaal ‘syn gerak’, vanaf de voorschoolse opvang, in de pjutteboartersplakken, tot en met het voortgezet onderwijs, en zelfs in ‘digilessen’.
Komt dit allemaal op tijd om het Fries te redden? Is het al die financiële inspanning waard als het zoveel scepsis ontmoet, zowel bij ouders als leerkrachten? Als je dit allemaal nalaat, weet je zeker dat het Fries geen toekomst meer heeft. Daarom is het te hopen dat Mulders roep in de woestijn eindelijk wordt verhoord. Dat zijn pleidooi breed gedragen en vooral even aanstekelijk en actief wordt uitgedragen door de politici, die na de verkiezingen van volgend jaar op het pluche komen.
Je kunt er alleen maar van dromen. Dat het college, nu als los zand aan elkaar hangend, straks tenminste één bindmiddel kent: de zorg voor het Fries.
dG. [= Pieter de Groot, LC-redacteur]
Boarne: Leeuwarder Courant, 07-08-2006 [haadartikel]
* Sjoch ‘Aktueel’, 03-08-2006, ‘Gebruik Fries als gezinstaal daalt sterk’.
** Sjoch Boppeslach, concept onderwijsnota provinsje Fryslân (Gedeputeerde Staten van Fryslân, juni 2006) en Frysk yn Fryslân: better sichtber, mear fertroud. Untwerp beliedsnota Fryske taal 2007-2010 (Deputearre Steaten fan Fryslân, juny 2006).
FFU:
Sjoch ek by ‘Aktueel’, 28-06-2006, ‘Fries lezen en schrijven moet beter’.
De oanbelangjende Frysktalige ûntwerpbeliedsnoata fan Deputearre Steaten Fryske taal 2007-2010: Frysk yn Fryslân: better sichtber, mear fertroud (juny 2006) is hjir oan te klikken: DS-Frysk yn Fryslân.pdf
Door Somajeh Ghaeminia
De Sneker Willem Altena hoort steeds minder Fries spreken. Volgens Twentenaar Gerrit Kraa wordt het dialect in zijn streek juist populairder.
Er valt Willem Altena (56) en zijn vrouw van alles te verwijten, vinden ze zelf. Het echtpaar is Friestalig opgevoed en met elkaar praten ze het stadsdialect Snekers. Maar ze voedden hun jongens in het Nederlands op. “Dat hebben we heel bewust gedaan. Snekers is het dialect van de straat en ligt erg dicht bij Nederlands. We dachten: dan kunnen we de kinderen beter gewoon Nederlands leren”, zegt Altena.
Op zijn werk praat hij nog Fries, maar in Sneek wordt vaker het stadsdialect gesproken dan Fries. Dus werd ook het Fries thuis niet de voertaal. “We zijn nu een paar jaar verder en dan denk je: ‘wat stom dat we thuis geen Fries spreken’.”
Vooral de welgestelden spraken vroeger het Snekers, tegenwoordig praat vrijwel iedereen in Sneek dat dialect. En is het juist bijzonder als je Fries kunt praten. “Mijn zoon werkt bijvoorbeeld een week op Sneekweek. Daar zijn heel veel Friezen. Als hij Fries zou spreken, had hij toch een leukere binnenkomer gehad. Maar leer het nu nog maar eens, dat valt tegen.”
Niet alleen in huize Altena is Nederlands de voertaal. “Er is wat het gebruik van Fries betreft, een discrepantie. De Friese taal is erkend en wordt officieel toegepast. Maar het gewone volk is daar niet in meegegaan.”
Dat het gebruik van de streektaal is afgenomen, herkent Altena. “Je ziet het overal. In nieuwbouwwijken komen Friestalige mensen wonen, maar ze spreken hun kinderen in het Nederlands aan. Mijn zoons zullen hun kinderen ook niet in het Fries opvoeden, denk ik. Je ziet de taal uitsterven. Jammer.”
In Twente neemt het gebruik van dialect juist toe, beweert Gerrit Kraa. Hij is voormalig streektaalconsulent bij het Van Deinse Instituut, dat de Twentse cultuur in kaart brengt en voor het behoud ervan pleit. “Onze ervaring is dat pubers juist het dialect met elkaar gaan spreken, want dan hoor je erbij.”
Hij ziet Twentse jongeren naar de Randstad vertrekken en daar hun streektaal met trots verdedigen. Zelf heeft hij vijf kinderen in het Nederlands opgevoed. “Dat had ik niet moeten doen, want nu willen ze juist graag in het dialect spreken. Maar rond de jaren zestig werd gezegd dat je niet zoveel in het Twents moest praten, omdat het niet goed voor de Nederlandse taal zou zijn. Op de basisschool ging men helemaal over in het Nederlands. Veertig jaar lang is ons dialect onderdrukt. Maar de Nederlandse taalvaardigheid is daardoor juist achteruitgegaan. Want hoe meer talen je spreekt als kind, hoe beter.”
Boarne: Trouw, 05-08-2006Wetenschappelijk onderzoek heeft aangetoond dat dialecten zoetjesaan verdwijnen. Hele volkstammen willen niet meer aan hun afkomt herinnerd worden en verkeren in de veronderstelling dat wanneer ze maar Algemeen Beschaafd Nederlands spreken, niemand het nog kan horen. Och arme.
Er zijn ook mensen die in huiselijke kring wel dialect spreken - of Fries, want, of schoon een taal, ervaren ze dat niet als een wezenlijk verschil -, maar in gezelschap op hun eigen ABN overgaan.
Af en toe overkomt het een verslaggever. Heeft hij met de geïnterviewde in het Leeuwarders of het Fries zitten babbelen en dan ontsteekt de man in woede als hij zijn woorden in de krant terugleest. Ho, hoe, zo kennen ze hem niet. Hij wenst in het Nederlands te worden geciteerd.
In negen van de tien gevallen gaat het hier om zakenmensen. Ze leveren hun identiteit graag in, als ze er financieel beter van denken te worden. En zij willen ook wel het Nederlands inruilen voor het Engels, als zij daarmee nog meer geld kunnen verdienen. Het eerste wat verdwijnt, is hun Nederlandse of Friese naam op de pui.
Een van de eerste zaken die zich in Leeuwarden met een Engelse fantasienaam tooide, was damesmodezaak Be One op de Nieuwestad. “Dat wordt nooit wat”, sprak een oudere collega cynisch. “De Leeuwarders zeggen er gewoon Bie Oone tegen, zoals ze ook ‘kornet bief’ bestellen en een pakje Bleuband.” Hij vergat dat er intussen een generatie groot was geworden die dankzij kabel of satelliet naar buitenlandse zenders keek. Leeuwarden was een global village geworden.
Het had het effect van een sneeuwbal. Vandaag de dag wemelt het op de Nieuwestad van de anonieme zaken, niet zelden van ketens die in elke stad hetzelfde verkopen: men’s and women’s wear, underwear, sportswear, jeans, jewelry, boots and shoes, spectacles and watches.
Een greep: Mercure, Woods, Spring Garden, Levi’s Store, New Friends, JC Jeans Centre, Skooter Jeans and Fashion, First Man, New York Sportswear, Pearle, Manfield, SPS Superstar, Cool Cat, Wonder Woman, Jack Jones, Miss Etam, WE, Steps, Sissy Boy, Setpoint, Villa Clothes, Up To Date, Specsavers, Henrico House of Flowers, Choice for Women, Running Center, Trends Jewels en Watches, en last but not least Kinky Shoes.
De naam van slechts een handvol zaken verraadt nog hun Leeuwarder oorsprong, zoals Van Erp, Doodkorte, Holwerda, Steenbergen, Copini, Van der Velde en Schweigmann. Zij zijn zichzelf gebleven. Dat zegt wat over henzelf, maar ook over hun producten. Goede waar behoeft geen Engelse krans.
Het kan nog gekker. Leeuwarden had ooit zijn Frieslandhal, zoals Amsterdam z’n Rai heeft, Utrecht z’n Jaarbeurs en Groningen z’n Martini Plaza. Maar omdat van de naam te weinig werving zou uitgaan, werd Frieslandhal herdoopt in FEC, in navolging van het MECC, dat trouwens in gewoon Nederlands Maastrichts Expositie- en Congres Centrum betekent. FEC stond opschepperig voor Frisian Expo Center, maar dat kwam nooit iemand over de lippen.
En nu wil eigenaar Andries de Jong de naam FEC niet meer horen. World Trade Center Expo, kortweg WTC-Expo, dat moet het worden. Een wereldmerk van New York (wegens omstandigheden even buiten gebruik) tot Kuala Lumpur, van Helsinki tot Hongkong, van Santiago tot Sjanghai, van Tallinn tot Tokio.
In Nederland mag Leeuwarden zich meten met de andere WTC-steden Amsterdam, Rotterdam en Eindhoven, en krijgt Cambuur van Andrew Young het geld om te proberen zich tot hert niveau van Ajax, Feyenoord en PSV op te werken. Over een paar jaar zullen ze het in de Sportstad merken. Good luck!
Pieter de Groot [LC-redacteur]
Boarne: Leeuwarder Courant (‘Harje’), 05-08-2006, s. 10 [Regio]Doe’t ik de Opskerper yn ’e krante fan 26 july lies, doe tocht ik fuortendaliks by mysels: dit kloppet net! Yndied, wy sizze net, alteast hearre net te sizzen: Ik kom moarns wat earder myn bêd út. Mar de ‘ferbettering’: ik wie fan ’e moarn ek al earder fan bêd ôf doocht likemin. Wy komme (geane, binne) net fan bêd ôf.
No’t we dochs sa’n bêdepraatsje hawwe, ek noch efkes dit: wy gean jûns net nei bêd, mar op bêd. En nachts lizze we net yn bêd, mar op bêd. Nei bêd en yn bêd binne allebeide letterlik oerset út it Hollânsk en perfoarst gjin geef Frysk taaleigen, mar earder saneamd Omrop Fryslân Frysk.
Ljouwert, A.K.W. Douma
Boarne, Leeuwarder Courant, 03-08-2006 [ynstjoerd stikje]
Neiskrift FFU:
Douma hat gelyk. It hie: fan ’t bêd ôf wêze moatten. It Frysk taalûnrant moat tige om tocht wurde. Wjûde! De Fryske kranten en de Omrop moatten har opskerpje! Nammers: dit kloppet net is ek in ynslûpsel. Dat hie wêze moatten: dat komt net goed/klear. En leaver: wy geane ynstee fan wy gean. De folle foarm dus. En better as ek noch efkes dit is: dit ek noch efkes.
Wy sille de kwaliteit fan it ‘Frysk’ yn de kranten en tydskriften sels ek ris wat better (hjit)folgje. Dy blêden soene wat de taal oanbelanget ommers in foarbyld wêze moatte foar de opgroeiende generaasje. ‘It túch derút’ om mei Kalma te sprekken.
Us earste eksimpel is: Tamara Ziengs (27) út Akkrum (LC, 02-08-2006) : “Myn PC-gefoel is opstean, in stikje bôle ite en myn mantsje Johan Binnema (een van de deelnemers, red.) bystean.” As de redaksje dochs wat taheakket, dan hie dat ‘opstean’ ek wol behoffene wurde kind. Opstean dogge wy winliken ommers allinnich tsjin it ‘gesach’ as wy dat net lije meie. Of, as men soks leaut, stiet men op ‘út ’e dea’. Tamara har oerset Hollânsk hie sadwaande better oanhelle wurde kind as: ‘Myn PC-gefoel is fan ’t bêd ôf [...].’ It wurdboek F-N (1984) moat op dat stik mei in skalk each besjoen wurde. Klik aanst út en troch ris ús ‘Poadium’ oan en sykje it ‘Taaltúch’. Wy hâlde jo op ’e hichte.De grenzen van Friesland maken de Friese literatuur onwenselijke klein. Het is een reservaat. Maar het is verbijsterend hoe rijk flora en fauna daar zijn.
Atte Jongstra
Onder de titel Zolang de wind van de wolken waait verscheen een geschiedenis van de Friese literatuur, een overvloedig geïllustreerd overzicht van de schone letteren in de tweede taal van Nederland.
‘Alsoe langhe, soe di wynd fan dae vlkenum wayth ende gers groyt ende maem bloyt …’ is de wonderschone Oudfriese tegenhanger (uit 1464) van een van de oudst bekende regels in het Nederlands: ‘Hebban olla vogula nestas hagunnan, hinase hic enda thu. Hvat unbidan vi nu …’
Een opening als deze zegt misschien iets over een leeshouding waaraan je je als Nederlander bij deze literatuurgeschiedenis, de eerste omvangrijke over de Friese letteren, moeilijk onttrekt. Bij veel van de beschreven auteurs, van de 16de-eeuwse humanist Reyner Bogerman tot de moderne bard Tsjêbbe Hettinga, heb je de neiging te zoeken naar een Nederlandse tegenhanger. Zo wordt de renaissancist Gysbert Japicks de Friese P.C. Hooft, de strijdbare Hjerre Gjerrits van der Veen de Friese Multaltuli, existentialist Anne Wadman de Friese W.E. Hermans, et cetera. Cultureel chauvinisme uiteraard. Je komt er ook niet mee uit. Grote figuren als de 19de-eeuwse gebroeders Halbertsma (de Friese gebroeders Grimm) kent de Nederlandse literatuur nauwelijks. Ook iemand als genoemde Hettinga is slechts zeer in de verte verwant met een Nederlandse dichter als H.H. ter Balkt. Volstrekt eenmalig zelfs lijkt de dichter/vertaler J.C.P. Salverda (1783-1836), ondanks zijn academische opleiding in culturele kringen niet te handhaven vanwege de ondraaglijke stank die hij overal mee naar toe nam. Legendarisch is het onvindbaar gebleken, roodleren tasje waarin Salverda zijn papieren van de armoede wilde redden. Waarschijnlijk is het verbrand met de jas vol vlooien, die de schrijver tot deken had gediend op zijn sterfbed.
Maar ook gewapend met het voornemen je als lezer van Zolang de wind van de wolken waait te concentreren op het unieke van de Fries-literaire biotoop, ontkom je niet helemaal aan vergelijking met de Nederlandse. Je mist iets. Om één enkel voorbeeld te noemen: op pagina 93 (van de 340) zit je al in 1915.
Even knipperen met de ogen. Pardon? Van een Fries literair continuüm kan in de tijd tussen 1540 en 1822 nauwelijks gesproken worden. Daarvoor werd er te weinig geschreven. Tot het optreden van de Halbertsma’s is de Friese literatuur vooral een kwestie van ‘liefhebberij’.
Erudiete, intelligente mensen, de samenstellers van Zolang de wind van de wolken waait. Ze weten hoe in de Friese Letteren de wind gewaaid heeft: pas laat is deze echt opgestoken. Ze hebben er daarbij een voortreffelijk, mooi boek over gemaakt. Geen twijfel over.
Wat er na 1900 aan Friese literatuur ontstaat, heeft wél alle trekken van een continuüm. Er trekt in Zolang de wind van de wolken waait een tamelijk coherente stoet van schrijvers en dichters voorbij. Wie al die namen van auteurs, dichters, toneelschrijvers, tijdschriftredacteuren tot en met poetry-slammers leest, kan niet anders dan constateren dat Friesland een grote literaire traditie heeft ontwikkeld.
Sipculo
Voor de gemiddelde Nederlandstalige lezer is het echter moeilijk te beoordelen hoe goed het werk van die schrijvers en dichters is. Het werk van de meesten kunnen Nederlanders te Nijmegen, Papekop, Almere, Schin-op-Geul, Utrecht, Sipculo en verder immers niet lezen. Ik kan me evenmin herinneren dat er bij voorbeeld sinds 1945 één Friese schrijver in een Nederlandse vertaling invloed heeft uitgeoefend, of in de natie Nederland ophef heeft veroorzaakt, op plattelandsbard Hettinga na.
Alle mogelijke anderstalige auteurs hebben sinds 1945 een rol gespeeld in het Nederlandse, literaire klimaat. Van Sartre (Frankrijk) tot Roth (VS), van Konrád (Hongarije), Kadare (Albanië), Pamuk (Turkije), Hoeg (Denemarken), tot Grass (Duitsland), Pavese (Italië) of Coetzee (Zuid-Afrika). Maar een Fries-experimenteel als Trinus Riemersma? Ik dacht het net. Of Obe Postma, de dichter die niets minder dan internationale allure is toegedicht? Het staat me niet bij ergens over zijn invloed op de Nederlandse literatuur te hebben gelezen. Heb ik iets gemist? Volgens mij niet.
Schrijver dezes, geboren in het Friese Terwispel, moedertaal Fries, is een renegaat. Nooit anders dan in het Nederlands gepubliceerd. Dat heb ik gemeen met Simon Vestdijk (geboren te Harlingen). Laatstgenoemde heeft zijn sporen getrokken in de Nederlandstalige literatuur, ik probeer hetzelfde te doen, in een taal die op haar minst niet de allerkleinst mogelijke minderheid in Europa vertegenwoordigt. Waar Europa haar wenselijke grenzen heeft – die van Friesland maken de Friese literatuur onwenselijke klein. Het is een reservaat. Maar als je dat laatste eenmaal hebt vastgesteld, is het verbijsterend hoe rijk zowel flora als fauna in dat reservaat is.
Wat dat betreft is Zolang de wind van de wolken waait beslist onthullend. Je kijkt naar een minieme biotoop en verbaast je over de verscheidenheid van alles wat leeft en bloeit. Albertina Soepboer, Hettinga, Sietse de Vries, Jabik Veenbaas, Rink van der Velde, Harmen Wind, Josse de Haan, Bouke Oldenhof, Akky van der Veer, Anne Feddema, noem ze maar op. Specima van een bedreigde diersoort, het Fries wordt steeds minder onversneden gesproken en dus ook gelezen. Op termijn is het trouwens volstrekt niet uitgesloten dat Nederlandse schrijvers in Europa hetzelfde lot beschoren zal zijn. Laten we dus zuinig zijn op onze Friese schrijvers. Het lezerspubliek is klein, maar het bestaat. Er zijn dichters en schrijvers die hun gevoel in hun eigen taal uitdrukken, en dat moeten blijven doen. De Friese literatuur is de korenwolf van de Europese letteren, Zolang de wind van de wolken waait biedt in vele pagina’s een belangrijke bijdrage aan haar bestaansgrond.
Fryslân
Een probleem in deze literatuurgeschiedenis vind ik wel het gebrek aan citaten. Vaak heb ik verzucht: ‘Geeft mij een indruk van het werk van deze of gene, twee regels desnoods!’ Dit boek laat de lezers in dat opzicht onbevredigd, voor niet-Friese literatuurliefhebbers blijft er op die manier veel te raden over. Wat mij betreft had een aantal van de enorme hoeveelheid illustraties – van kleine foto’s tot grafische reproducties – mogen worden vervangen door citaten. Wat verder enigszins stoort is hert consequent gebruik van Fryslân als men Friesland bedoelt. Je spreekt in een Nederlandstalige literatuurgeschiedenis van de Franse, Engelse of Duitse letteren toch óók niet van de literatuur in La France, United Kingdom of Deutschland?
Maar laten we niet zeuren. Zolang de wind van de wolken waait is een overzichtelijke, aantrekkelijk geschreven, breed van platen voorziene literatuurgeschiedenis, van te een onbekende, kleine letterenbiotoop in Nederland.
| Teake Oppewal, Babs Gezelle Meerburg, Jelle Krol, Tineke Steenmeijer-Wielenga (red.): Zolang de wind van de wolken waait. Geschiedenis van de Friese literatuur. Bert Bakker, 339 blz. € 45,- |
Boarne: NRC Handelsblad ( ‘Boeken’), s. 23
Neiskrift FFU:ERIK BETTEN
Fries buiten het cursuslokaal is moeilijker dan daarbinnen, schreef ik laatst. Toen wist ik nog niet dat ik kort daarna als een van de drie FD-vrijwilligers zou worden aangewezen voor een journalistengesprekje op Omrop Fryslân. Live.
We werden geacht ons in twee uitzendblokjes gedachteprikkelend uit de laten over onderwerpen als de hittegolf en het invoeren van een ander gevangenisregime.
Het uurtje tussen de entree van Omropcoryfee Jan Durk de Haan op onze redactievloer en het begin van de uitzending bracht ik in groeiende ongerustheid door.
Op een gesprekje over het weer had de Afûk mij op zich goed voorbereid. Dat het zo brodzich is, bijvoorbeeld, en gleon. Ook had ik Moai waar op ’e Lemmer achter de hand, en als bruggetje naar het onderwerp op de gevangenissen nog: It waar is goed, mar de minsken doge net.
Maar wat was gevangenis eigenlijk in het Fries? Het woordenboek gaf finzenis, it gefang of it tichthûs. Toch vermoedde ik dat de meeste Friezen gewoon gefangenis zouden zeggen.
Toen de uitzending begon had ik nog geen keus gemaakt. Ik hoopte wat te kunnen recyclen uit de woordenschat van collega Kuijper, die naast me zat, maar tot mijn schrik beantwoordde hij de eerste vraag van Jan Durk doodleuk in het Nederlands. Om zeker te weten dat hij precies zei wat hij wilde zeggen, bekende hij later.
Toen mijn beurt kwam, was ik van die verbazing nog niet bekomen en mijn eerste antwoord moet dan ook redelijk onsamenhangend de ether in zijn gegaan. In het vervolg was ik zo hard aan het nadenken over woordkeus en uitspraak dat ik bang ben dat de gedachteprikkelendheid er nogal onder leed. Gevat reageren was er niet bij.
Ergens las ik dat de Omrop geef, mar linich Frysk wil, spreken. Ik ben ervoor. Een beetje linigens is zo gek nog niet, want anders blijf ik voorlopig steken op geef, mar ferfeelsum.
Erik Betten is verslaggever van het Friesch Dagblad
Boarne: Friesch Dagblad, 24-07-2006Toespraak van Z.M. de Koning ter gelegenheid van de Nationale Feestdag, 21 juli 1006
[…] Tot slot, nog enkele woorden over de talenkennis. Deze keer wens ik te benadrukken hoezeer talenkennis onmisbaar is om efficiënt deel te nemen aan de wetenschappelijke en technologische evolutie en om een duurzame baan te bekomen. Het heeft me getroffen dat voor veel vacatures geen passende kandidaten opdagen bij gebrek aan talenkennis. We leven in een wereld die almaar globaliseert, wat vanzelfsprekend een degelijke talenkennis vereist.
Op vroege leeftijd andere talen aanleren werd soms afgeremd uit vrees de moedertaal te schaden. Tijdens mijn bezoek aan der VUB had ik dan ook bijzonder veel belangstelling voor de resultaten van een interdisciplinair onderzoek, uitgevoerd door linguïsten en neurologen van de VUB en de ULB. Het heeft aangetoond dat tweetalige kinderen minder hersenactiviteit nodig hebben om dezelfde taak uit te voeren dan eentalige kinderen. Dat onderzoek wordt voortgezet, en bezorgt een wetenschappelijke basis aan hen die voor meertaligheid pleiten.
Een interessante manier om talen aan te leren is het zogeheten onderdompelingsonderwijs dat in de meeste Europese landen in mindere of hogere mate wordt toegepast. […]
Boarne: www.canvas.be, 21-07-2006 [part út de taspraak fan kening Albert fan België, 175 jier nei’t syn foarâlder, Leopold I, de grûnwetlike eed ôflei]
FFU: Hoe stiet it hjoed de dei mei it brûken fan de twadde rykstaal fan Nederlân, it Frysk, troch de Nederlânske keninklike famylje? Soe dat ek net stikken better kinne?Fries leren kan straks via internet
Bijna twee ton steekt de provincie Fryslân in het e-learling-project EduFrysk. Zo wil de provincie meer personen interesseren voor een cursus Fries taal. Mensen die vanwege tijd of afstand moeite hebben om een cursus op locatie te volgen, kunnen vanaf volgend jaar via internet uit een breed aanbod hun eigen cursus Fries samenstellen. Koen Eekma, directeur van de Afûk, stond aan de wieg van Edufrysk.
Stinkend jaloers kan ik worden op de onderwijsmethoden van tegenwoordig. Wat was het vroeger dan behelpen! Maar in plaats dat wij enthousiaste verhalen lezen over kinderen die hierdoor steeds beter presteren, halen vooral negatieve berichten de krant. Het is treurig gesteld in het onderwijs. Met rekenen, met taal, met geschiedenis niet te vergeten. Dat kan toch onmogelijk aan de moderne methoden liggen?
Aan wie dan wel? De lesgevers die de klas niet meer stil kunnen krijgen? De kinderen die maling hebben aan de school? In ieder geval hoef je een onderwijzer vandaag de dag niet te benijden. Een roeping is het allang niet meer, wel een zwaar onderbetaald beroep.
Een zware overheidscommissie buigt zich nu over een geschiedeniscanon* – een rijtje gebeurtenissen, figuren en jaartallen dat tot de minimale bagage van de schoolverlater moet behoren. Schoolmeesters uit roeping boksten dat vroeger zelf voor elkaar.
Begrijp me goed: ik wil het verleden niet verheerlijken, verre van dat, maar met terugwerkende kracht werd ik stinkend jaloers op de privé-methode van meester Braaksma uit Molkwerum. De methode staat in een schrift dat mevrouw Maaike Strikwerda-Zijlman uit Groningen van haar moeder Pietertsje de Jong had geërfd. Zij zat in de jaren 1914 en 1915 bij meester Braaksma in de klas. Meester had in fraai schuinschrift – door middel van een hectograaf vermenigvuldigd – de hele vaderlandse geschiedenis op rijm gezet, en wel zo, dat de rijmpjes op in die tijd bekende wijsjes konden worden gezongen: de cijfernoten stonden erbij.
Zo combineerde meester Braaksma de zangles met de geschiedenisles. De kinderen staken zingenderwijs wat op van de Friezen en Batavieren, van de Romeinen en de Noormannen, van het Leenstelsel, van de kruistochten en van de Tachtigjarige Oorlog.
Maar ook leerden zij wie Karel de Grote was, hoe Bonifatius werd vermoord, waarom Jan van Schaffelaar in Barneveld van de toren sprong en dat Rembrandt van Rijn onze grootste schilder was (‘Och kon ik schilderen als Van Rijn/ Wat zou ik dan gelukkig zijn! / Jan Steen, Frans Hals of Gerard Dou/ Geen, die het van mij winnen zou.’).
Nu had deze Pieter Johannes Braaksma (1863-1943) wat je noemt een ‘fin mear as in bears’. Tresoar zette mij op zijn spoor. Geboren in Ternaard, begon hij zijn onderwijzersloopbaan op Ameland, waar hij van 1888 tot 1913 voor de klas stond, achtereenvolgens in Buren, Ballum en Nes. Hier kwam in de loop der jaren zijn geschiedeniscanon in 65 versjes tot stand (van de strijd van de Batavieren en de Friezen tot en met het huwelijk van koningin Wilhelmina en prins Hendrik in 1901).
Voor de Amelanders zette hij en passant de eilandgeschiedenis op rijm. Over Nes: ‘Alleen het kerkhof wijst nog aan / waar ’t rijke Foswert heeft gestaan’. Over Hollum: ‘Radbout woonde er zeker veel / op zijn welversterkte kasteel / ’t Erf daarvan heeft nog vandaag / de vermaarde Koningshaag’. Hij berijmde in 1889 de sage Rixt van ’t Oerd, waarbij de grens tussen wat hij uit overlevering had gehoord en wat hij er zelf bij fantaseerde zo goed als wegviel, dit tot wanhoop van echte volkskundigen als Tjaard R. de Haan.
Braaksma publiceerde ook in het Fries. Hij droeg gedichten bij aan het in 1889 door Piter Jelles Troelstra opgerichte tijdschrift ‘For hûs en hiem’ en werkte mee aan het weekblad ‘Sljucht en Rjucht’ en het Friesch Woordenboek van Waling Dijkstra.
Na 25 jaar verruilde Pieter Braaksma Ameland voor de toenmalige gemeente Hemelumer Oldeferd. Na Molkwerum heeft hij nog in Stiens gestaan (tot 1928 aan de school aan het Tichelwurk) en in Huizum, waar zijn twee dochters de roeping van hun vader hebben gevolgd.
Pieter de Groot
Boarne: Leeuwarder Courant (‘Harje’), 13-07-2006, s. 14
* Sjoch oer it stribjen nei in hjoeddeiske Fryske kanon ek by ‘Brieven 2006, útgien ’(03-06-2006 > Provinsje: Hoe fierder mei de Fryske kanon?), ‘Aktueel’, 16-06/05-07-2006, Skriftlike fragen fan de CDA-steatefraksje oan Deputearre Steaten (DS) oer it ûntwikkeljen fan in kanon foar de Fryske taal en kultuer en de antwurden dêrop, ‘Aktueel’, 08-06-2006, Fryslân moet canon samenstellen en ‘Aktueel’, 25/26-02-2006, Canon moet lange weg afleggen.Bitgummole, 10 july 2006
Heechachte Haadofsier,
As andert op jins skriuwen fan 19 juny, skaaimerk 1100-3540-06, it neikommende:
Myn briefke fan 31 maaie – net fan 3 maaie – wie ornearre foar jins foargonger mr. Den Hollander en ek oan him adressearre.1 Ik meitsje út jins brief op, dat er syn wurk doe al yn De Haach hie. Yn jins plak soe ik him de post neistjoerd hawwe, mar sa is it lykwols net gien. Jo hawwe it slûfke iepen makke, dat ik yn jins plak net dien hawwe soe. En jo hawwe it briefke, dat net foar jo skreaun wie, lêzen, dat ik yn jins plak net dien hawwe soe. It is net allegearre comme il faut, tinkt my. Mar it bern is der no ienkear en it moat ret wurde: as jo my it nije adres fan jins foargonger jaan wolle, sil ik him myn skriuwen sels tastjoere.
In oare saak is dy fan de taal dêr’t jins Iepenbier Ministearje ús yn ferklaget (en it Rjocht ús berjochtet): dy taal is uzes net. Wy krije hjir in magistratuer taskikt dy’t wol leart om ús sa’n bytsje te ferstean, mar mear as dat ek al net en fan neisten net fan herten. De taal te praten ‘dêr’t de Skepper fan alle dingen ús folk yn prate lit’2, achtet it Saailân ‘dan weer overdreven’, jins foargonger teminsten.
Nei fjouwer ieuwen fan taalrepressy3 is ús folk deawurch en skjin ynein. Dêrtroch bûcht it yn de rjochtseale net allinnich foar it rjocht, mar ek foar it Hollânsk. En amper in ofsier (en amper in rjochter) fielt ús fernederings.4 Der wurdt sa goed as gjin Frysk yn ’e rjochtseale praat. Mar in ofsier soe in ferklage der op wize kinne, dat soks echt wol mooglik is: ‘Hokker taal wolle jo brûke?’5
By rykswet fan desimber 2004 binne Friezinnen en Friezen de nasjonale minderheid, en sadwaande binne de oaren yn Nederlân de nasjonale mearheid en ek net mear as dat. Sa’t wy oare kant de Sudersee Hollânsk prate, sa heart in Hollânske ofsier (of rjochter) hjirre de taal fan de nasjonale minderheid te praten. It folk yn Fryslân ‘moat him frij fiele om it Frysk as taal te brûken’.6 Der sille lykwols net folle fan ús wêze dy’t har frij fiele yn it har benearjende en ûntmoedigjende taalklimaat fan de rjochtseale.
Jo soene mei al jins ofsieren en amtners wol nei de Afûk ta meie te taallearen – ferstean, lêzen, praten en skriuwen – as teken fan achtinge foar ús taalmienskip, al binne it almeast de sûnders dêrfan, dy’t jo en jins ofsieren yn it deistige wurk treffe. Om jo en har op ’e gleed te helpen, lien ik jo it boekje ‘Wolters’ Fries in je pocket’, dat wol myn eigendom bliuwt. Dat taallearen oangeande, wiis ik jo noch op ’e taalhâlding fan Hollânske amtners yn it eardere East-Ynje.7 ‘de amtner is der foar it folk, en net oarsom’.7 Dy útspraak jildt, tinkt my, ek foar ofsier (en rjochter) te uzes.
Oars, mei Bitgummoolster achtinge,_______________
1 LYTS FRISIA, jiergong LV nûmer 3, septimber 2006.
2 J.Tj. Piebenga, ‘Aarden vaten’, side 37, Ljouwerter Krante 1966.
3 Frou mr. C.M.T. Eradus, ‘Ut ’e Smidte’ 35, april 2001.
4 Ref. 2.
5 Mr. O.F. Brouwer, ‘De Pompeblêden’77, side 26 (2006).
6 Deputearre Steaten, ‘Frysk yn Fryslân: better sichtber, mear fertroud’, juny 2006, side 7.
7 Dr. C. Gerretson, ‘Doch rjocht!’, rede útsprutsen yn de Earste Keamer op 16 april 1952, siden 8 en 9 – oan dit brief taheakke.
By de lêste rigels fan it briefke: neffens Gerretson learden foarhinne de amtners fan it Boargerlik Bestjoer yn Nederlânsk-Ynje har fansels Maleisk oan, mar ek – dêr’t it needsaaklik wie – wol mear as tsien oare, hiel wat slimmers, talen as it Frysk. En dat diene sokken om de folken fan Yndoneezje te tsjinjen. As frou Van Bronsvoort en har ofsieren en her amtners har net fan dy bestjoersamtners pyksette litte soene, dan stiene se yn septimber by de Afûk op ’e stoepe.
Mr. Van Bronsvoort skreau fuort werom. Alhoewol’t se hjir noch mar krekt wie, wist se al fan ús taal.De haadofsier wist, better as it Menamer b. en w.-kolleezje, hoe’t it hjir heart: Frysk brief – Frysk andert. By myn ynspraak yn de Menamer riedskommisje fan 20 july haw ik har folgjend taalgedrach neamd. ‘En de leden fan it kolleezje?Hoe lang wenje dy hjir al?’ De oanlieding ta dy ynspraak wie har Hollânske rou-advertinsje neidat se in Frysktalich deaberjocht krige hiene fan in Menamer brânwachter.
‘Dit is Amearika, praat Ingelsk’, stiet op in huordsje by in kroketkream yn Philadelphia. En ‘Ingelsk is de nasjonale taal’ sizze de Republikeinen yn de senaat. (LC 8 july 2006, Sneon en Snein, side 5) Wa seit hjirre: ‘Dit is Fryslân, praat Frysk, Frysk is de nasjonale taal’? Auwerk? Bewegingsrie? Frysk-nasjonaal? KFS? It soe klearrichheid jaan oan Saailân en Holstmarwei (de nije haadkommissaris).
Boarne: Lytse Frisia, tydskrift foar Fryske striid en literatuer, jrg. LV nû. 4, sept. [= desimber] 2006, s. 50-51Is der noch in takomst foar de taal? Sille jo lêste wurden Frysk wêze? Hokker taal wurdt der yn ’e himel praat? Sechstjin fragen oer it Frysk oan in bekende Fries.
1. Wat fine jo it moaiste Fryske wurd?
Der binne safolle moaie wurden. Dêr heart ‘ferhûneloarte’ ek by.
2. Wat is de moaiste Fryske ‘krachtterm’?
Potjanhinnekontensillewynoha.
3. Hokker Frysk wurd soene jo it earst ôfskaffe wolle?
Lytsbern, as pake- en beppesizzers bedoeld wurde.
4. Prate jo yn alle winkels yn Ljouwert Frysk. Tsjin allochtoan winkelpersoniel ek?
Konsekwint. As men it net ferstiet, gean ik nei de konkurrint.
5. Wat is jo meast traumatyske ûnderfining mei it Frysk?
Dat sa’n protte der in grimelgrammel fan meitsje.
6. Wat tinke jo as jo immen yn in pompeblêdetrui rinne sjogge?
Geveltsje-Frysk.
7. Ha jo ea triennen yn de eagen krigen fan in Fryske tekst?
Hiel faak, fanwegen de flaters.
8. Wa praat wat jo oangiet it moaiste foarbyld-Frysk?
Bernard Smilde.
9. Wat is it lêste Fryske boek dat jo lêzen ha?
‘Wolken en stjerren’ fan Piter Terpstra.
10. Wat is de lêste Fryske cd dy’t jo kocht ha?
‘Akke Kingma sjongt’.
11. As jo ien persoan nei in ferplichte kursus Frysk stjoere mochten, wa soe dat dan wêze?
Pim Gaanderse, de direkteur fan Omrop Fryslân.
12. Seit jo oare helte wolris leave wurdsjes yn it Frysk? Meie wy witte hokker?
Tefolle om op te neamen.
13. Stel jo ha noch in heale minút de libjen en jo moatte gau jo lêste wurden betinke. Wat wurdt it?
Ik hoopje dat it leedmiel jim goed smeitsje sil.
14. As der in himel is, wat soe dêr neffens jo dan de fiertaal wêze?
It tsjerkelatyn.
15. As it Frysk ferdwynt, wat soene jo dan leaver prate: Hollânsk of Ingelsk?
It Aldingelsk, dat it neist oan it Frysk komt.
16. Hoe skatte jo de takomstkânsen foar it Frysk yn?
As der yn it ûnderwiis neat feroaret, giet it nei beppe kelder.
Boarne: Leeuwarder Courant (‘Freed’), 07-07-2006, s. 2
Neiskrift FFU:Trijetalige skoallen binne te uzes skoallen dêr’t yn de trije talen Nederlânsk, Frysk en Ingelsk ûnderwiisd wurdt, net inkeld yn de oanbelangjende fakken, mar ek as fiertaal. Wat mear oft de talen praat wurde, tusken learkrêft en learlingen, troch learlingen ûnder elkoar, wat mear oft se fan dy talen opstekke. It is dan saak dat dy talen moai lykweardich oer de beskikbere lestiid en fakken ferdield wurde, oars komt der, sa’t taalwittenskipper Jim Cummins, de teoretikus fan dit type skoallen, net folle fan op ’e hispel.
Dit trijetalich ûnderwiis is net mei in praatsje klear, meitsje ik op út in artikel fan Mirjam van der Meij yn De Pompeblêden*, tydskrift foar Fryske stúdzje. Mirjam is dosinte Ingelsk en studearret tapaste taalwittenskip oan de Vrije Universiteit. Se hat ferline jier by de Fryske Akademy staazjerûn en op de Van Haersma Bumaskoalle yn De Hommerts neigien hoe’t it dêr mei de ynteraksje learkrêft-learling foarstiet, as it om de trije talen giet. Foar in part fan de Ingelske lessen kriget de fêste learkrêft help fan immen waans memmetaal Ingelsk is, de saneamde taalassistint.
De ûndersykster hat op fjouwer middeis lûdsopnamen makke: op twa Ingelske middeis, ien mei de taalassistint en ien mei de fêste learkrêft, en op in Fryske en in Nederlânske middei mei de fêste learkrêft. Wat die har bliken? Dat de fan hûs út Ingelsksprekker, de assistinte, yn syn Ingelske lessen faker oan it wurd wie as de fêste learkrêft en dat de learlingen faker Ingelsk praten by de fêste learkrêft as by de assistint. Dat kaam mei, om’t de assistint sletten fragen stelde dêr’t de learlingen in koart antwurd op jaan koene, en de fêste learkrêft opdrachten joech dy’t foar diskusje soargen. Mar dy helle noch net by de diskusje yn de Fryske en Nederlânske lessen, dy’t by de learlingen folle langere reaksjes opsmieten. Van der Meij hat dat allegear mei kreaze grafykjes yn kaart brocht. De langste sin yn it Ingelsk kaam fan in learling ús groep 7: ‘Eh because she eh ... thought that the sister was in the water, but she wasn’t.’
Har konklúzjes binne net sa bjusterbaarlik dat wy der sûnder ûndersyk ek net opkommen wiene: de Ingelske lessen binne minder ynteraktyf as de Fryske en de Nederlânske lessen en de ynteraktiviteit fan de Ingelske lessen is ôfhinklik fan de learkrêft. Mar der is mear. De Ingelsktalige taalassistint hie noch gjin praktykûnderfining, hy moast noch oan de dosinte-oplieding begjinne. De fêste learkrêft stie al jierrenlang foar de klasse. Net ûnbelangryk wie ek dat it yn de Fryske en Nederlânske lessen oer skiednis gyng, dêr’t jo mei de klasse in aardige boom oer opsette kinne. Yn de Ingelske lessen moast praat wurde oer eksakte en fangefolgen dregere ûnderwerpen: biology en natuerkunde.
Van der Meij stiet der yn har oanbefellings op oan dat de bern har wurdskat útwreidzje en mear romte krije om frij te oefenjen mei de talen. Dat is makliker sein as dien, want elk fak freget syn eigen oanpak. Ik stel my foar dat it skoaltsje fan ’e Hommerts in modelskoalle is, yn dy sin dat der yn ferhâlding frijwat fan hûs út Fryskpratende bern op sitte en dat de learkrêft yn kwestje in boppe gemiddelde kennis fan it Frysk hat en op syn minst posityf foar de memmetaal oer stiet. Ik soe de studinten dy’t yn it ûnderwiis oan de slach geane, net de kost jaan wolle dy’t it Frysk yn ’t foarste plak as lestige bywein beskôgje. Ingelsk sjogge se it nut wol fan yn, dat de ynteraksjes sil by sokken benammen yn it Nederlânsk en it Ingelsk plakfine. Op guon stedsskoallen ha se it Frysk al ferfongen troch it Ingelsk, mei om’t de masters en juffen it Frysk sels net yn ’e macht ha.
Fierder trunet Mirjam van der Meij de fêste learkrêften oan troch (sels)stúdzje har behearsking fan it Ingelsk te ferbetterjen. Mar hoe stiet it mei har Frysk? Op ’e sân skoallen dy’t oan it foarbyldprojekt fan de trijetalige skoalle meidogge, steane motivearre ûnderwizers fan de klas, foar wa’t it Frysk as iten en drinken is. Op de measate oare skoallen is dat út noch yn net it gefal. Krij dy mar ris oan de selsstúdzje Frysk ...
Dêr komt noch wat by. It slach learkrêften dat it fertellen yn ’e macht hat, stjert út, der rûgelje allinnich foarprogrammearre studinten it basisûnderwiis yn, dy’t har fan de ynspeksje blynstoarje moatte op de easken dêr’t de bern oan ’e ein fan in skoaljier oan foldwaan moatte.
Ynteraksje, it al pratende oanlearen fan talen, leare hja allinnich fan goede fertellers. Sokken as Mindert Wynstra, dy’t, om’t er it út ’e holle docht en net foarlêst, de bern de tiid gunt om yn it ferhaal te kommen, sadat se meilibje kinne, en har der aktyf yn behellet. De taalfakken en it fak skiednis liene har der út soarte it bêste foar. Foar it oanlearen fan it Ingelsk kin men dan ek better in ‘native narrator’ ynhiere, dy’t út en troch de lessen Ingelsk en skiednis oernimt. Foar Frysk en it Nederlânsk jildt itselde. Mear as in skat oan wurden, dy’t mei de jierren nammers fansels grutter wurdt, moat bern alderearst begryp oankweekt wurde. Do you understand me? Letter, yn it ferfolchûnderwiis komt de rest fansels: Tell in your own words about the battle of Warns. O.k. very well spoken. En no noch in kear yn it Frysk, mar tinkt derom: koart krieme!
PIETER DE GROOT (‘DWERS’)
Boarne: Leeuwarder Courant (‘Freed’), 07-07-2006, s. 2
* Mirjam van der Meij, ‘Ynteraksje yn ’e klasse op ’e Trijetalige skoalle’, yn: De Pompeblêden, jrg. 77, juny 2006, nû. 2, s. 27-29. Mirjam hat yn 2005 in staazje- en skripsje-ûndersyk dien yn it ramt fan it Trijetalige Skoalle-projekt. Foar it folsleine rapport is it webstek fan de Fryske Akademy te rieplachtsjen: www.fryske-akademy.nl. In pdf-dokumint fan it rapport is dêr te finen yn de map fan it Trijetalige Skoalle-projekt.Drie kwart van de kiezers van deze Spaanse noordwestelijke regio heeft recentelijk in een bindend referendum ingestemd met verregaande autonomie voor hun regio. Catalonië mag zichzelf vanaf nu als een ‘natie’ beschouwen. Zij krijgt zeggenschap over de besteding van een groot deel van de belastingmiddelen en krijgt invloed bij de benoeming van leden van de rechterlijke macht. Catalonië heeft daarmee gekregen waar Noord-Nederland ook naar smacht: niet langer gepiepeld worden door de nationale regering en zeggenschap over de in de regio verzamelde belastingmiddelen. Catalonië stelt hiermee een voorbeeld omtrent moderne regiovorming in Europa. Naar de mening van de Partij voor het Noorden zullen op termijn dit soort regio’s de bouwstenen van Europa moeten worden. Deze Europese regio’s kunnen zich een maat kiezen die groot genoeg is om problemen daadkrachtig te kunnen aanpakken, steunend op een mandaat van de eigen bevolking. De mate van autonomie was de inzet van het onlangs daar gehouden referendum.
Boarne: Nieuwsbrief 44, Partij voor het Noorden, 6 july 2006, s. 3
FFU: Sjoch ek by ‘Aktueel’ 31-03-2006, Statuut Catalonië door parlement en 24/25-06-2006, Mondiale trend terug naar de regio in tijd van globalisering. En ek by ‘Poadium’, 31-05-2006, Een autonoom Noord-Nederland.Geert Mak: Het unieke landschap verdwijnt onder onze handen. Binnen een paar decennia kan het voorbij zijn. Er kraait bijna geen haan naar.”
De veranderingen op het Friese platteland gaan zo snel dat de mens ze nauwelijks kan bijhouden. Dat hoeft ook niet. De Friezen moeten niet met die veranderingen meegaan. Ze moeten juist consolideren, meent Geert Mak, de succesauteur die Jorwerd een plaats gaf in de wereldliteratuur. Geen nostalgie, geen ‘cargo-cult’, geen oplossingen vinden voor problemen die er niet zijn en vooral niet problemen ‘wegtoveren’ met megalomane technische oplossingen.
[…] De globaliserende samenleving biedt ongekende mogelijkheden, ook voor Friesland. ‘Waanzinnige’ mogelijkheden zelfs, is Maks overtuiging. Want de revolutie die plaatsheeft, heeft tot gevolg dat je ‘op z’n Amsterdams’ kunt werken terwijl je ‘op een boerderij achter Dokkum zit’. Daarom moet de Friese samenleving nieuwe niches scheppen, in combinatie met de oude tradities van dit gebied. Mak denkt aan wondertjes van creativiteit en slimheid, bij voorbeeld aan melkproductie en melktechnologie. Waarom kan die niet worden uitgebreid tot een regionale specialisatie in eiwittechnologie?
Maar de techniek verandert sneller dan de mens. En de traagheid van samenlevingen is nog groter. In die traagheid zitten tegelijkertijd de tradities en structuren verscholen die mensen balans geven en die samenlevingen bijeen houden. “De Friese Zeelanden moeten nu iets doen dat tegen de stroom van de huidige tijd ingaat: consolideren, het actief vasthouden, verdedigen en versterken van bestaande kwaliteiten. Daarbij horen de rust en eigenheid van dit gebied, de Friese openheid en de halfstedelijke traditie van het platteland. Maar ook de Scandinavische overlevingskunst, de bijzondere innovatie en flexibiliteit van met name de Denen en Zweden.”
We moeten de ruimte die we hier hebben, niet verpesten, waarschuwt Mak. “Daar wordt in Friesland slordig mee omgegaan. Dat fantastische landschap is, naast de taal, een bijzondere kwaliteit van Friesland. En dat kun je, kijk maar naar Brabant en Zuid-Limburg, als je niet oppast, in twee decennia naar de kloten helpen.”Om de positie van het Fries in Friesland te verbeteren, moet de taal zichtbaarder worden in het dagelijks leven en wortel schieten bij tenminste de helft van de jeugd. Voor de levensvatbaarheid van de taal is het ook nodig dat veel meer mensen het Fries schriftelijk beheersen, stelt het provinciebestuur in een nieuwe ontwerp-taalnota die deze week verscheen.
Om het gebruik van het Fries in 2020 eindelijk normaal te laten zijn, gaat de provincie meer geld en energie steken in Friestalige gedrukte media en computertoepassingen. Ook zal het midden- en kleinbedrijf en de toeristenindustrie het consigne krijgen om het Fries actief te gebruiken. Fries kan voor hen ook commercieel interessant zijn, heet het. Per slot gaan van alle Nederlanders de Friezen het meest in eigen gewest op vakantie.
“Better sichtber, mear fertroud”, noemt taal- en cultuurgedeputeerde Bertus Mulder zijn dinsdag als praatstuk geopenbaarde plan voor de jaren 2007-2010. Nu de rechten van het Fries ondubbelzinnig zijn vastgelegd en de regering ook van hogerhand (Europa) op de vingers wordt gekeken, wil de PvdA-bewindsman dat Friestaligen de geboden ruimte ook daadwerkelijk benutten.
De recente ophef over het Fries bij de politie bewijst dat zo’n zelfbewuste taalhouding soms tot vervelende confrontaties kan leiden. Toen een Friestalige Boksumer zich erover beklaagde dat hij op het bureau niet werd verstaan, weigerden de politieautoriteiten dit aanvankelijk als misstand te zien.
Mulder ontleent aan de rel bij de politie het besef dat er bij de taalbevordering nog een schepje bovenop moet. Hij houdt daarbij onverkort vast aan de ‘lykweardigens’ en de ‘lykberjochtiging’, die twintig jaar geleden al voor het Fries zijn afgesproken.
Wie zich in Friesland overal en altijd van het Fries wil bedienen, kan formeel zijn gang gaan. Mondeling kom je er inmiddels ook een heel eind mee. Maar het rare is dat de meeste Friessprekers ondanks hun basale trots op de eigen streek en de taal zelf te bescheiden zijn om het te willen.
Daarom wil de provincie de zichtbaarheid van de taal vergroten, die hier aanmerkelijk kleiner is dan die van het Catalaans in Catalonië en het Welsh in Wales. Het Fries moet dan wel eigentijds aan de man worden gebracht, vindt Mulder. Dat kan door de rol van Omrop Fryslân te versterken en door het Fries in ict-toepassingen te verankeren. De provincie wil dat Douwe Egberts en Friese Vlag hun producten van Friese etiketten voorzien.
In de ontwerp-taalnota ontbreekt een financieel hoofdstuk, maar op veel extra geld hoeft Mulder waarschijnlijk niet te rekenen. Hij moet zijn nieuwe beleid vooral bekostigen door subsidies te verhuizen. Zo raakt de taal-advertentie F-side (tweewekelijks in de Leeuwarder Courant en Friesch Dagblad z’n subsidie kwijt ten gunste van tijdschriften. Frysk & Frij - het blad dat elf jaar geleden sneuvelde voor de F-side - kan dus weer uit zijn as herrijzen.
WILLEM BOSMA
Boarne: Leeuwarder Courant (‘Sneon en Snein’), 01-07-2006, s. 7
FFU: Sjoch ek by ‘Aktueel’, 28-06-2006, ‘Fries lezen en schrijven moet beter’. De oanbelangjende ûntwerpbeliedsnoata fan Deputarre Steaten Fryske taal 2007-2010: Frysk yn Fryslân: better sichtber, mear fertroud (juny 2006) is hjir oan te klikken: DS-Frysk yn Fryslân.pdfNeffens Van Dale is in analfabeet immen dy’t net lêze of net skriuwe kin. In 17 persint fan ús folk kin syn eigen taal sa’n bytsje of better skriuwe. Rûchwei 83 persint is sadwaande analfabeet en dêr binne wy it domste folk te wrâld mei. It listke wiist it út. (Oft alle persintaazjes de Van Dale-noarm as grûnslach hawwe, stiet fansels yn ’e kiif.)
Analfabetisme (%):
Sina: 6 (FD, 09-09-1997); Sweden: 7,5 (LC, 09-12-1995); Nederlân: 10 (LC, 19-09-2000), 10,5 (LC, 08-09-1999); Feriene Keninkryk: 20 (FD, 08-11-1997); Amearika: 20 (FD, 08-11-1997); Curacao: 20 (LC, 08-09-1997); Botswana: 30 (FD, 19-01-2002); Guatemala: 33 (LC, 17-07-2000); Yndia: 36 (LC, 29-03-2001); Poalen: 42 (LC, 09-12-1995); Meksik. Yndianen: 44 (FD, 10-03-2001); Jemen: 62 (Safe, nû. 2, 2001); Fryslân: 83% (Fr. Ak. + Van Dale).
De 800 miljoen út it Waadfûns woe ik, teminsten foar in part, útjaan oan it lêzen en skriuwen learen fan de rykskommissaris en de steaten, de foarsitter fan it Bitgummoolster Pleatslik Belang en de leden, ús Hollânsksinnige boargemaster en har suterige gemeente, de foarsitter fan de Harmony en de blazers en tromslagger, de presidint fan it Ljouwerter Hof en de riedsfroulju en - hearen, de foarsitter fan it Bitgumer toanielselskip ‘Mei nocht en ynset’ en de spylders, de nije haadofsier en it Iepenbier Ministearje dat him ek noch alris fersint, de foarsitter fan O.K.K. en de kaats-, eerst- en spelkeatsers, de wjerstribbige en net sa wize haadkommissaris en de plysjes, de freonlike foarsitter fan ús Bosklânstrjitteferiening en de measte bewenners, de maresjeseekaptein en de brigade, de foarsitster fan de frijsinnich herfoarme frouljusferiening ‘Lyts mar Warber’ en de froulju, de fleanfjildkolonel en it bolbjirkene F16-folk, de foarsitter fan ‘Mei-inoar Ien’ en de folksdûnseressen en -dûnsers, Gaanderse en de hiele R(adio), T(elevyzje) F(ryslân)-op-Rein Tolsma-nei en fierders al dyjingen dy’t oars ek rjocht op in plakje yn dizze rige hiene. Mar LYTS FRISIA is te lyts foar in heal miljoen minsken.
Mei de jildlike stipe út it Waadfûns fan 6 hûndert euro de frou/man kinne dy 500 tûzen minsken sûnder eigen kosten foar de Fryslân-diploma’s A en B te learen. Se sille net allegearre slagje, mar mei sa’n 460 tûzen B-diploma’s sille wy net mear it domste folk te wrâld wêze. Mei in noch oerbliuwend persintaazje analfabeten fan acht lizze wy foar op hiel Nederlân. En yn it Waadfûns sit dan noch 500 miljoen euro, foar de oerheid genôch om mei te moaiwaarspyljen.
Bertus J. Postma
Boarne: Lyts Frisia, tydskrift foar Fryske striid en literatuer, jrg. LV, nû. 2, juny 2006, s. 25-26
Neiskrift FFU:ERIK BETTEN
De talen Fries en Nederlands lijken op elkaar. Dat maakt het relatief gemakkelijk om als Nederlandstalige Fries te leren, en andersom. Maar juist die gelijkenis zadelt de nieuw-spreker af en toe ook met behoorlijke problemen op. Nu ons danig geslonken groepje Afûk-cursisten een flink aantal lessen Fries voor niet-Friestaligen heeft gehad, speelt die bedrieglijke overeenkomst ons steeds meer parten. We kunnen inmiddels tellen, groeten, het weer bespreken en werkwoorden vervoegen, en we spreken earst keurig uit zónder, en earder met brekking, maar we zeggen nog altijd net, waar we krekt moeten zeggen. It kin net, roept iedere Hollander zodra het gesprek over Fries gaat. Maar ondanks dat irritante tv-spotje blijven wij het fout doen.
En er zijn meer voorbeelden. Zo heb ik op de redactie Friestalige bellers geregeld verteld dat de door hun gezochte collega wei was, totdat iemand me erop wees dat het misschien toch beter was om in die gevallen het woord fuort te gebruiken, omdat je wei wêze vooral gebruikt als iemand overleden is. Daar werd geruststellend aan toegevoegd dat dat niet zo slim was. Gelukkig wist ik toen inmiddels dat slim in het Fries ook iets anders betekent.
Een paar dagen later liet ik een artikel met veel Friese citaten nakijken door een collega. “Hast in pear flaters makke”, zei hij. Ik schrok ervan. Flaters? Terwijl ik praktisch ieder woord had opgezocht in het woordenboek? Het bleek te gaan om drie vervoegingsfoutjes. Toevallig kwam het woord flater op de eerstvolgende cursus aan de orde. En legde juf Martsje uit dat het gewoon ‘fout’ betekent. En Fries leren zonder fouten te maken, bestaat nou eenmaal niet. Voor de Nederlanders die nog wel denken dat ze het Fries zonder inspanning woord voor woord kunnen volgen, kwam ik onlangs nog een bedrieglijke nieuwskop tegen: Kuieralvestêdetocht wurdt dreech. Dat was vanwege de regen.
Erik Betten is verslaggever van het Friesch Dagblad
Boarne: Friesch Dagblad, 26-06-2006Dat liet troch Klaas op wurden set
Fertelt ús fan in lange wei
Fan lytse folken oeral wei
Altyd knecht en nea net frij
Mar mei-inoar ree ta de striid
Dêrom songen wy it EFA-liet
Europeeske Frije Alliânsje
Kinsto helpe yn ús bestean
Salang’t de wyn waait fan de wolken
En altyd noch de ierde stiet
Frije Friezen, lytse folken
Tink jimmer oan it EFA-liet!
Oane de Boer, Burgum
Boarne: Frijbûtser, juny 2006, nû. 373, s. 5 [ynstjoerd; in part fan de earste strofe is weilitten]Eale, frije Alliânsje,
lytse folken sûnder steat,
al hoe fier ek yn distânsje,
elts fan jimme is in keat
yn it keatling fan de folken,
smeid út frije wil ta bûn.
As in bôge yn de wolke
stean jim op Europa’s grûn.
Eale, frije Alliânsje,
hâld it heech, jim ideaal:
foar elts lyts folk de garânsje –
’t rjocht op eigen aard en taal.
Wês yn sterk en moedich stribjen
’t hoopfol teken en de tolk
fan de romt’ en ’t rjocht op libjen
foar elts frijheidleavjend folk
Lytse folken fan Europa,
yn it grutte parlemint
binn’ jim ’t liet fan nije hope,
dat it âld gekreau oerwint.
Striid de striid foar rjocht en rede
Yn in goed’ en golle geast.
Stribje woltier nei en frede
Dan binn’ jim de takomst treast.
Boarne: Frijbûtser, juny 2006, nû. 373, s. 5
FFU: In prachtige tekst fan Klaas Bruinsma! Rjocht op eigen aard en taal, dat is it FFU-ideaal. Ek yn ús Frysk ûnderwiis…Tsien persint fan reklame op Omrop Fryslân is yn it Frysk
Foar de measte televyzjesjoggers fan Omrop Fryslân went it noait: in healoere lang hearre se inkeld en allinne Frysk, sa gau’t de reklame begjint, wint it Nederlânsk it op alle fronten. Fan alle reklamespotsje op Omrop Fryslân - radio en televyzje - is sa’n 10 persint yn it Frysk. “Reklameburo’s’ leauwe net yn it Frysk as reklametaal.”
Tadek Solarz fan it Ljouwerter reklameburo HSCG sei fjouwer jier lyn yn in fraachpetear oer it Frysk yn de reklame dat de measte buro’s bewust Nederlânske spotsjes foar Omrop Fryslân meitsje. “De gedachte daarachter is dat je met een Friese spot alleen Friessprekers pakt - en Nederlandstaligen uitsluit - terwijl je met een Nederlandse spot alle kijkers pakt.”
Solarz gie der wol fan út, sei er, dat it Fryske gewoaner wurde soe as reklametaal. “Hoe meer mensen het Fries accepteren, hoe natuurlijker het wordt om er reclame in te maken.”
Fan dy foarsizzing is fjouwer jier letter neat op ’e hispel kaam. Noch altyd skommelet it oandiel fan de Frysktalige spotsjes op Omrop Fryslân en by radiostjoerder Waterstad FM om ’e 10 persint.
Reklameman Leo Dijkstra fan Burgum wûn yn april de Fryske reklamepriis foar in filmke foar it Ljouwerter/Wurdumer autobedriuw Haaima. Dy meagere 10 persint jout him alle reden om it belang fan de priis te relativearjen. “De konkurrinsje is lyts, it is gjin Gouden Palm.”
Dykstra fynt it ûnbegryplik dat net folle mear bedriuwen reklame meitsje yn ’e taal fan ’e Omrop. “Omrop Fryslân is foar 100 persint Frysktalich, dan is it folslein logysk dat de reklame ek yn it Frysk is. In Nederlânsk spotsje op in Frysk stjoerder is itselde as in Frânsk spotsje op in Nederlânske stjoerder. Gjin advertearder dy’t it docht.”
“Yn reklamejargon neame se it ‘waste’, minsken dy’t in spotsje net folgje kinne. By de útrikking fan de Fryske reklamepriis yn april begûn de winner fan de priis foar it bêste radiospotsje oer it ferlies dat ûntstiet trochdat in oantal minsken it Frysk net begrypt. Dat soe neffens him goedmakke wurde troch de grutte ‘impact’. In lakredenaasje, dat earste. Elkenien dy’t nei Omrop Fryslân sjocht, ferstiet Frysk. Der is gjin ferlies.”
“Ik wurd wol gauris belle troch kollega’s fan oare buro’s’, want ‘die Leo is zo goed in het Fries”. Dan freegje se oft ik in Fryske rigel of gjalp betinke wol foar in Nederlânske reklamefilm of advertinsje. Dat doch ik net. Dat is in foarm fan geveltsjefrysk dêr’t ik neat mei te krijen hawwe wol. ‘Je wilt er zeker ook een pompeblaadje bij?’ freegje ik wolris pesterich. Want dêr kin ik sa min oer. Oranjekoeke, sûkerbôle, dúmkes, bearenburch, stroffelest tsjinwurdich om de fiif meter oer in pompeblêd. In prachtich symboal, mar ferskriklik banalisearre.”
“Wêrom’t it persintaazje Frysk sa leech is? Sleauwens. De meast reklameburo’s binne net Frysktalich, it tal minsken dat de taal behearsket, is lyts. En se leauwe net yn it Frysk as reklametaal.”
“Faak hinget it ek fan it budzjet ôf. As ik de opdracht krij om in spotsje te meitsjen foar alle by de ROOS oansletten regionale omroppen foar € 100.000, kin it net út om foar de Tukkers, de Friezen en al dy oaren in eigen spotsje te meitsjen. Dan doch ik it ek yn it Nederlânsk.”
“Mar as ik in spotsje meitsje moat foar Omrop Fryslân, doch ik dat yn it Frysk. Dat sprekt sa fansels, dêr tink ik net iens oer nei. Mei in Frysk spotsje ropst sympaty op, spilest op it gefoel fan de Friezen yn. Autobedriuw Haaima presintearret him yn it spotsje dat de Fryske Reklamepriis wûn hat, as in Frysk bedriuw. Dat is eigen, it hat wat fertrouds. Te mjitten is it net, mar ik tink wol dat it sa wurket.”
Tom Dijkstra út Itens is foarsitters/skriuwer fan de kommisje Fryske Reklamepriis. De kommisje is yn 1992 yn it libben roppen op oanstean fan de Ried fan de Fryske Beweging en de Freonen fan Omrop Fryslân om it reklamemeitsjen yn it Frysk te befoarderjen. Mei Fryske reklame kin net allinne it bedriuwslibben syn foardiel dwaan, sa is it betinken, it is foar de taal sels ek fan belang. It helpt om fan it Frysk in folwoeksen taal te meitsjen dy’t yn safolle mooglik domeinen te brûken is.
It probleem is neffens Dijkstra dat by de measte bedriuwen alles as fanselssprekkend yn it Nederlânsk bart. As twadde probleem komt dêr dan noch by dat de measte reklameburo’s net by steat binne om spotsjes yn it Frysk te meitsjen. “Se misse de ekspertize, witte net hoe’t se it oanpakke moatte.”
“Mar se hawwe ek gjin idee fan de gefoelswearde dy’t it hat as minsken yn har eigen taal oansprutsen wurde. Oars soene se noait sizze dat je mei in Frysk spotsje allinne de Frysktaligen pakke en mei in Nederlânsk spotsje de Frysktaligen en de net-Frysktaligen.”
“Wy ha hiel faak sein: minsken dy’t nei Omrop Fryslân sjogge en hieltyd Frysk hearre, ferwachtsje dat de reklame ek yn it Frysk is. Hollânske reklame mist syn doel, wurket ferfrjemdzjend. Mar dat krije jo der by dy bedriuwen net yn.”
“Om wat oan de situaasje te feroarjen, moatte se ynvestearje yn de oplieding fan meiwurkers. Mar dat bart net.”
“Wy rikke no alle jierren de reklamepriis út en wy ha it gefoel dat de bedriuwen ek wol grutsk binne as se de priis winne. Mar it is net genôch. Wy prakkesearje ek wol oer oare wizen om Fryske reklame te befoarderjen. Moat der subsydzje komme foar bedriuwen dy’t yn it Frysk advertearje? Moat de priis omleech foar bedriuwen dy’t yn it Frysk advertearje?”
Salang’t it oandiel Frysk sa lyts bliuwt as no, dogge dy pear dy’t it wol yn it Frysk dogge dêr har foardiel mei neffens Tom Dijkstra. “As Lippe Lap nei in rige Nederlânske spotsjes ynienen yn it Frysk begjint, falt dat op. En dat is wat elke advertearder wol.”
SIETSE DE VRIES
Boarne: Leeuwarder Courant (‘Freed’), 16-06-2006, s. 2
Neiskrift FFU:
It safolle mooglik brûken fan it Frysk yn de media, dus ek yn de reklame, wurket statusferheegjend foar it Frysk en har út soarte dêrtroch ek in positive, ‘opfiedende’ útwurking op bern en learlingen. Reklamebedriuwen sille ynvestearje moatte yn de oplieding fan harren eigen meiwurkers om dy ‘bekwaam’ te meitsje foar Fryslân. Dy meiwurkers misse no de kundichheid en it ynsjoch.
Stânbyld foar muoike Jant en Tiny Mulder
It is nuver, mar ik kin net sliepe! Us memmetaal mealt my hieltyd mar yn ’e holle om. It is dochs te gek, dat der noch sa’n soad Frieze binne, dy’t de memmetaal net lêze en skriuwe kinne. Sels ha ik it sûnt 70 jier yn ’e macht. Tanksij muoike Wike dêr’t ik as 9-jierrich famke de earste Fryske wurdsjes fan learde. ’k Ha 5 jier bûten skoaltiid Fryske les fan har hân. De langste tiid fia It Praathoekje foar de bern en yn ’e oarloch krigen wy fanwegen de papierkrapte de briefkes thússtjoerd as wy útlotte wienen.
Ek muoike Jant, har opfolchster fan It praathoekje yn ’e Ljouwerter en Tiny Mulder, dy’t de bern yn it Frysk Deiblêd de memmetaal bybrocht hat, fertsjinje in stânbyld. Sy alle trije. Ek Jan Piebenga, destiids skoalmaster yn Aldegea (W.) hat syn stientsje bydroegen oan de Fryske taal. En sa soe ik noch wol in hiel skoft trochgean kinne.
St.Japik, A.Buma-Feenstra
Boarne: Leeuwarder Courant, 16-06-2006 [ynstjoerd]Achtbere rie, achtbere folksfertsjintwurdigers,
No al wer sa’n oardel jier lyn sil it wêze, dat ik yn de nammekommisje-Krol fernaam nei de betingsten foar in doarpsnammeferbettering, fan, bygelyks Wirdum dat hjir net thúsheart, yn Wurdum dat hjir sa hiem en eigen is.
‘De gemeente Ljouwert is ree om oer te gean ta ferfrysking fan de nammen fan doarpen sa gau as de ferfrysking gjin kontroversjele saak mear is en de ferienings fan doarpsbelang en de ynwenners fan de doarpen (...) dêr foar binne.”1
a. Wy hawwe ús eigen gemeentenammen: 36% fan de doarpen hat syn eigen namme (werom) en nije strjitten oan de stedsrâne en yn jim doarpen krije passende, i.e. Fryske, nammen. Sadwaande kinne Snakkerbuorren, Wurdum, en sa, gjin kontroversjele nammen mear wêze.
b. As b. en w. oannimme wolle dat in bestjoer praat en skriuwt út namme fan syn feriening, is it dan ôfdwaande dat sa’n bestjoer freget om de passende, i.e. Frysk namme?
c. Wat bedoelt it kolleezje (dan noch) mei “de ynwenners fan de doarpen (...) dêr foar binne”? Ornaris komt it wurdsje ‘de’ del op ‘alle’ en yn dat gefal soe ien dwersbongel de befrijing fan de Hollânske namme keare kinne.
Wat Himpens/Tearns oangiet, wiis ik jim op in grutte mearheid fan de bewenners yn de jiergearkomste fan Doarpsbelang fan 30 maart 2000 foar de nammeferbettering.2
Foar it gemeentebestjoer hie dat doe mear as genôch wêze kinnen om fan Hempens Himpens te meitsjen en Teerns Tearns.
It hat lang duorre, eardat de nammekommisje op 10 maart 2006 wer oer de doarpsnammen teset rekke. Dy kears krige ik op de stelde fragen noch gjin anderten. Wol kamen de antwurden te praat op my net-bekende fragen.3
a. Yn 1991 moat de PTT in 275 gûne hawwe foar in adresferoaring. “Bij verfriesing van de woonplaats zal dat ook gevolgens hebben”, sa waard steld (en de TPG-man dy’t derby siet, rekkene him al ryk). Wie der lykwols better nei fernommen, dan hie bliken dien, dat se der yn Burgum, Grou, Wommels en Ferwert gjin reade sint foar delteld hiene.
b. “De grootte van beide gemeenten (Ferwerderadiel en Ljouwert, BJP) komen overeen. Dus zal het niet veel verschillen qua aantal komborden.” It gie yn Ferwerderadiel lykwols om alle 13 doarpen en alle 105 buorden - de gemeentenamme waard dêr ommers ek ferbettere - en yn Ljouwert om mar 4 doarpen. No komt it wol gauris foar, tinkt my, dat in kolleezje in saak net rjocht sinniget (wakker oanstiet) en de kosten derfan dan te heech (te leech) rûst. It woe de 10de fan maart net by my wei, dat de kommisjefoarsitter eins nul en neat fan de passende doarpsnammen witte woe. Nei de kommisjegearkomste soe ik wol nea wer wat fan Snakkerbuorren en Wurdum, en sa, hearre, hie ’k tocht, mar de foarsitter, nommel en risnabel man, hat it der dochs yn b. en w. oer hân.
Op 17 maaie stie it nijs yn beide kranten: “Leeuwarden wijst Friese namen af” (Ljouwerter krante) en ‘Friese namen” (Deiblêd). Beide neamden myn namme.
a. De kosten fan omneaming fan de 4 doarpen soene in 50.000 euro wêze. Dat wie ryklik en it kolleezje fielde sels wol dat der wat net doogde. De Topografyske Wurkgroep Fryslân koe en woe dêr it bewiis wol fan leverje, mar b. en w. doarsten der net op yn te gean. Ik leau, dat de bedoeling fan de 50.000 euro in warskôging wie oan it adres fan de gemeentebestjoeren: tink derom, dy âldman is ûnderweis. Helje de flapbarten en -brêgen op, beskoattelje de poartedoarren en lit de amtners de wacht rinne.
b. “Alle inwoners zouden ook 125 euro vergoeding moeten krijgen om verhuiskaartjes te kunnen sturen.” (Deiblêd) Dêr koe in húshâlding fan 3 minsken 961 kaarten mei ferstjoere. It kolleezje wie op syn manear oars ek wol sunich: der soe de deis fan it folkeferfarren gjin berop op ’e ME dien wurde lykas yndertiden yn Wommels, en op de Frjentsjerter sielknipers lykas destiden yn Ferwert.
c. “Burgemeester en wethouders denken dat dit – de omneaming fan de 4 doarpen, BJP – op weerstand stuit in de dorpen.” “Dat is in heechhertige stedske hâlding, dy’t tinken docht oan de âlderwetske regintementaliteit.” (Piter de Groot yn syn ‘Dwers’, Ljouwerter 19 maaie 2006.) “Ook de dorpen hebben niet aangegeven dat ze de Friese namen willen.” No moat it net mâlder. Himpens en Tearns wolle, alteast woene, stomme graach fan de Hollânske beneaming ôf.2 It kolleezje wie finaal op ’e doele. Dat de oare beide doarpen, Snakkerbuorren en Wurdum har nea net opponearre hawwe soene, leit oan 4 ieuwen fan taal‘polityk’, dy’t de Hoffoarsitter, frou mr. C.M.T. Eradus, yndertiid taal’repressie’neamde.4 It liket my hiel fansels ta, dat gâns folk deawurch en skjin ynein is fan alle taal‘ûnderdrukking’.
Ik hie eins neat oars frege as om de betingsten, te stellen oan it fersyk fan in doarp(sbelang) om de bewenners har eigentalige namme (werom) te jaan. It ferhaaltsjes yn de kranten fan 17 maaie wie net de bedoeling, b. en w. bedoaren it nammespul der fierhinne mei. Mar moast en woe it kolleezje syn tsjinnigens yn de 5 letters – yn Himpens, Tearns en Wurdum elkmis ien en yn Snakkerbuorren 2 ekstra – perfoarst buorkundich meitsje, dan hie it my út fatsoen dat ferhaaltsje wol tastjoere mocht. Op 30 maaie en 6 juny haw ik der by de foarljochting noch om frege, by in Hakse, wol ik leauwe, mar dy hie it te drok (!). Dat ik sit noch sûnder de oarspronklike tekst.
Ik trúnje by de rie om der b. en w. op oan te stean, dat
1. der yn ’t koart fannijs oer de doarpsnammen praat wurdt, sûnder “de heechhertige hâlding dy’t tinken docht oan de âlderwetske regintementaliteit”;
2. by dat petear/besprek de Topografyske Wurkgroep Fryslân (C. Jousma, Lysterstrjitte 5, 9269 NR Feanwâlden) ek útnoege wurdt om mei te praten, benammen oer de kosten dy’t der amper wêze soene;
3. sûnder in fan tefoaren al ûnferwrigber fêstlein stânpunt, de arguminten fan wjerskanten op’e skealjes lein wurde en de swierste de trochslach dogge;
4. it gjin spultsje wurdt as dat fan de wetternammen, dy’t it kolleezje foar de helsdoarren dellein hiene en dêr’t in oar se dan mar weiskuorre moast.
Oars, mei Bitgummoolster achtinge,
B.J.Postma
1 Skriuwen fan b. en w. fan 18 desimber 2001.
2 Hempens/Teerns wil verfriesing, Ljouwerter fan 31 maart 2000.
3 Brief fan de kommisjeskriuwster fan 6 febrewaris 2006.
4 Presintaasje fan it wurdboek yn Gerjochstshof, Ut ’e Smidte 35 (2001) nûmer 1.
Boarne: Lytse Frisia, tydskrift foar Fryske striid en literatuer, jrg. LV, nû. 3, sept. 2006, s. 43-45
Neiskrift FFU:Het gaat niet goed met het Friese basisonderwijs. Een kwart van de leerlingen kampt met een taal- en rekenachterstand. Een ambitieuze onderwijsgedeputeerde wil het tij keren. Volgens Bertus Mulder is meertaligheid hèt middel.
Tekst Lizette Douma
Op het platteland zijn steeds meer achterstandsscholen. Dat signaleert de Onderwijsinspectie in het Onderwijsverslag 2005. De vier grote steden lijken hun achterstand in te lopen. In de provincie, waar de beroepsbevolking vaak laag opgeleid is en veel autochtone achterstandkinderen zijn, stijgt daarentegen het aantal achterstandsscholen. In Friesland kampt ongeveer een kwart van de leerlingen, op de in totaal 500 basisscholen, met een taal- en rekenachterstand. Zeven Friese basisscholen kregen van de Onderwijsinspectie het predikaat ‘zeer zwak’. Landelijk zijn dat er 63.
De problemen zijn niet van vandaag of gisteren. Al eerder kreeg het Friese basisonderwijs ervan langs van de inspectie. Uit het promotieonderzoek Onderwijseffectiviteit in Fryslân van Bernie van Ruijven kwam een aantal jaren geleden naar voren dat er in Friesland grotere achterstanden zijn dan in provincies als Drenthe of Limburg. “In groep 1 tot en met 4 hebben de Friese leerlingen nog een voorsprong op kinderen in Drenthe en Limburg”, zegt onderwijsgedeputeerde Bertus Mulder (PvdA). “In groep 5 en 6 vervluchtigt die voorsprong. En uiteindelijke lopen de kinderen in groep 7 en 8 een achterstand op.” Mulder wil de problemen te lijf gaan. Bij de debatten over de nieuwe gewichtenregeling, waarmee het achterstandengeld wordt verdeeld, kreeg hij vorig jaar de Tweede Kamer zo ver dat achterstandskinderen van het platteland een gewicht van 1,3 krijgen. Dat betekent dat een school voor zo’n kind 1,3 maal het normale budget ontvangt. De minister had een gewicht van 1,25 in gedachten voor kinderen met ouders van wie de één maximaal basisonderwijs heeft en de ander maximaal lager beroepsonderwijs. In de motie vroeg de Tweede Kamer ook om een verlaging van het percentage achterstandsleerlingen dat scholen moeten hebben om extra geld te ontvangen. “Als de minister in augustus, wanneer de nieuwe regeling ingaat, de Kamermotie uitvoert, scheelt dat de provincie Friesland vijf miljoen euro”, vertelt Mulder trots.
Eilandje
Maar daarmee is het Fries primair onderwijs er nog niet. Vandaar dat het provinciebestuur in de periode 2007 tot 2010 bijna 10,6 miljoen extra in het basisonderwijs wil investeren. Mulder: “Uit Onderwijseffectiviteit in Fryslân blijkt dat er in Friesland minder tijd aan taal en rekenen wordt besteed dan in andere provincies. Dat moet veranderen.” Zo is de effectieve leertijd voor rekenen in groep 7 in Friesland 147 uur, in Limburg 168 uur.
Met de extra miljoenen moeten taal- en rekenachterstanden de komende jaren weggewerkt worden. Een tweejaarlijkse evaluatie, meer brede scholen en nauwe samenwerking tussen onderwijs en zorginstellingen zijn andere elementen uit het provinciale plan. Door het taalonderwijs te verbeteren nemen de basisscholen een voorsprong op de scholen in de rest van het land, hopen Gedeputeerde Staten. Mulder is ambitieus: in 2015 moeten de Friese scholen tot de beste van het land behoren.
Waarom trekt de provincie Friesland extra geld uit voor het basisonderwijs? Is dat wel de verantwoordelijkheid van de provincie?
Mulder: “Als tweetalige provincie kennen wij rijkssubsidie toe aan scholen voor Friestalig onderwijs. Dat geld wordt gebruikt voor lesmateriaal, maar ook om taalachterstanden weg te werken. Wij zijn als provincie primair verantwoordelijk voor een integraal taalbeleid. Friesland is in dat opzicht uniek. Wij zijn ook de enige provincie met een ambtelijk onderwijsbureau.” Meertaligheid is volgens Mulder het middel om leerlingen wat extra’s mee te geven.
Hoe kun je met taal achterstanden wegwerken?
Mulder: “Het kan een stimulans voor andere dingen zijn. Nu is het Friese onderwijs op veel basisscholen een soort eilandje. Een klein vak waar zo af en toe wat aandacht aan besteed wordt. Wij willen dat het foech Frysk vanaf groep 1 een belangrijke plaats krijgt. Dat er een wisselwerking komt met andere vakken. Dat er bijvoorbeeld bij aardrijkskunde of geschiedenis ook in het Fries wordt lesgegeven. Zo had ik vroeger een schoolmeester die mij het verschil tussen de lange ‘ij’ en korte ‘ei’ uitlegde aan de hand van het Fries. De lange ‘ij’ wordt in het Fries namelijk uitgesproken als ‘i’. Ik heb het nooit meer fout gedaan. Zet de woorden ‘skiep’, ‘sheep’ en ‘schaap’ onder elkaar. De leraar kan uitleggen dat een ‘k’ in het Fries een ‘h’ in het Engels is, en een ‘sch’ in het Nederlands. Door op deze manier met taal om te gaan, door iets bekends in te zetten om ze iets te leren wat ze nog niet weten, kun je leerlingen iets extra’s meegeven. Ik zou het liefst ook kinderen die Berbers spreken in één klas zetten en ze met behulp van hun eigen taal nieuwe dingen leren. Maar dat is organisatorisch onhaalbaar. Fries als integraal onderdeel op een Friese school niet. We hebben voor de scholen ook een nieuwe lesmethode ontwikkeld: Studio F. In 2007 is die beschikbaar.”
Tweetalig
Het zijn de meesters en juffen die het Fries een belangrijke plek in het basisonderwijs moeten geven. Hebben zij daar voldoende kennis voor in huis?
Mulder: “Nu is de hoeveelheid tijd die er aan Fries in het primair onderwijs wordt besteed, meestal afhankelijk van de leerkracht. Of die de taal beheerst en of hij het leuk vindt. Er moet een doorlopende leerlijn komen voor Fries. Alle leerkrachten moeten dus voldoende kennis van de taal hebben. En dan gaat het niet alleen om de schriftelijke beheersing, maar vooral ook om de aandacht voor tweetaligheid. Daarom moeten leerkrachten een kwalificatie voor Fries halen. Dat kunnen ze nu al op de pabo doen. In Leeuwarden zijn twee pabo’s waar Fries wordt gegeven. Punt is alleen dat de Christelijke Hogeschool Nederland en de Noordelijke Hogeschool Leeuwarden dat allebei op een andere manier uitvoeren. We proberen daar nu één lijn in te krijgen.”
Het onderwijsverslag 2005 meldt dat impulsen voor verandering ontbreken op scholen die als zeer zwak te boek staan. Is dit in Friesland ook het geval?
Mulder: “De doorstroom naar vernieuwend onderwijs is inderdaad niet goed. De vaak oudere docenten voor groep 7 en 8 moeten op een andere manier uitdagingen krijgen aangeboden. Daarnaast is er in Friesland een probleem met ambities. Wij hebben een beroepsbevolking die veel uitvoerend werk verricht Er zijn veel installateurs, mensen die iets in de bouw doen, die met hun handen werken. Hun kinderen krijgen niet altijd de boodschap mee dat er doorgeleerd moet worden. Ouders hebben een houding van: maak je niet druk, ik heb ook niet doorgeleerd en het is met mij toch allemaal goed gekomen. Onderwijzers moeten dit probleem onderkennen en er alles aan doen om hun leerlingen het meest optimale mee te geven. Ook kiezen ouders vaak een school voor voortgezet onderwijs die dichtbij ligt. Capaciteiten van de kinderen zijn niet altijd de doorslaggevende factor. Er is een mentaliteitsverandering nodig. Docenten kunnen de problemen benoemen, ook tegenover ouders, en actief met die mentaliteitsverandering aan de slag te gaan. De Nederlandse economie draait op kennis, daarin moet Friesland meegaan.”
In de Friese gemeenten Opsterland zijn de problemen helemaal bar. Drie scholen zijn onder verscherpt toezicht van de Onderwijsinspectie gesteld. Op vrijwel alle Opsterlandse openbare basisscholen presteren de leerlingen onder de maat bij taal, rekenen en wiskunde. Ook de Cito-scores zijn te laag. In de inspectierapporten over 2004 stond al dat het aantal scholen met ‘een zwak profiel’ twee tot drie keer zo hoog is als het landelijk gemiddelde. De inspectie schreef dit probleem destijds toe aan een falend schoolbestuur: de gemeente. Had de provincie niet moeten ingrijpen?
Mulder: “De kwaliteit van het Opsterlandse basisonderwijs is primair de verantwoordelijkheid van de gemeente. Zij is hard bezig met het herstel van goede verhoudingen. Voorheen moesten meerdere Opsterlandse scholen het met één regiodirecteur doen. Dat ging niet goed. Nu hebben alle scholen weer een eigen directeur. En ze hebben een externe specialist aangetrokken. Opsterland is ermee bezig. Wij gaan niet over hun problemen. Maar als zij met goede plannen komen om de achterstanden weg te werken, kunnen zij ook aanspraak maken op het geld dat wij vanaf 2007 ter beschikking stellen.”
Het Friese onderwijs reageert overwegend positief op de plannen van Mulder. Wel is er vrees voor een bureaucratische en versnipperde verdeling van de 10,6 miljoen euro. Kunt u dit voorkomen?
Mulder: “Ook wij willen geen bureaucratische toestand. Vandaar dat we een stuurgroep hebben samengesteld met mensen uit het primair onderwijs die advies geven hoe we het geld het beste kunnen verdelen. Ik wil ook overleg hebben met de centrale directies van de basisscholen. En als dit project in 2007 eenmaal loopt, houden we de vinger aan de pols: waar wordt het geld precies aan uitgegeven? En we blijven in gesprek met de directies van de scholen.”
Boarne: het Onderwijsblad, nr. 12, 10 juni 2006, p. 28-30Het is wenselijk dat Noord Nederland een min of meer zelfstandig deel wordt van het Koninkrijk Nederland, met eenzelfde status als De Antillen en Aruba. In dat geval hebben we een eigen landsregering en een eigen Noordelijk parlement. We besturen Noord-Nederland autonoom. Er ontstaat dan een situatie die ook vergelijkbaar is met Catalonië in Spanje en Wales en Schotland in Groot-Brittannië.
Uiteraard dienen er tussen de Koninkrijksregering en het Noordelijk bestuur afspraken te worden gemaakt over de vraag op welke beleidsterreinen de autonomie van toepassing is en voor welke beleidsterreinen sprake is van een gemeenschappelijk Koninkrijksbeleid. Zo zal belastingheffing tot de competentie van het autonome Noord-Nederland moeten gaan behoren, met afspraken over een gedeeltelijke afdracht aan de Koninkrijkskas. Ook over de aardgasbaten zullen afspraken gemaakt moeten worden. De Partij voor het Noorden heeft al eens voorgesteld om automatisch 25% van die aardgasbaten terug te storten in de kas van het in te stellen autonome Noord-Nederlandse bestuur. Dat zou jaarlijks 1,5 miljard euro extra inkomsten betekenen, te besteden aan de versterking van de economische infrastructuur en het realiseren van een grotere onafhankelijkheid van fossiele brandstoffen. […]
Teun Jan Zanen
Boarne: Nieuwsbrief 43, Partij voor het Noorden, 31-05-2006, s. 2Heechachte Haadofsier,
Op 11 desimber 2000 wie der in lyts feestke yn it Ljouwerter Hof, dêr’t it rjochtskundich wurdboek Hollânsk-Frysk oan deputearre dr. Mulder oanbean waard. De doetiidske hofofsier, frou mr. Eradus, hie it by dy gelegenheid oer fjouwerhûndert jier Frysk: lang soe ús folk syn eigen sprake yn de rjochtseale net prate noch sprekke hawwe mocht, en dêrtroch mist it no in formele rjochtstaal. De presidinte neamde fjouwer ieuwen fan taalpolityk fjouwerhûndert jier fan taal‘repressie’, fan taalûnderdrukking dus.
De Kneppelfreedofsier, mr. F. Hollander, moat der yndertiden wakker mei ophân hawwe. “Hy wie in útsprutsen fijân fan ’e Fryske biweging en hier alris útlitten, dat er dêr nochris mei ien klap in ein oan meitsje soe.” (F. Schurer: ‘De bisleine spegel’) Jo Iepenbier Ministearje is fansels noch itselde as dat fan it begjin fan de fyftiger jierren, allinnich de ofsieren binne aldergeloks oare as dy fan doe.
Safier’t ofsieren ientalich binne, komme se út in oarstalige maatskippij yn ús mienskip telâne. Datoangeande is der in prinsipiële oerienkomst tusken in Hollânske ofsier yn ús (Frys)lân en in Turksk-prater yn Hollân. Mar der soe likegoed in prinsipieel ûnderskie wêze tusken dy beide gefallen: in Hollânske ofsier te uzes soe ta kinne mei ferstean en lêzen fan ús taal, mar de Turk yn Hollân moat en sil him teminsten mûnling mei it Hollânsk rêde kinne.
Guon (rjochters en ) ofsieren meie dan in Afûk-kursus fan in fjirtich/fyftich lesoeren hân hawwe, mar oft se allegearre ús fersteane, stiet yn ’e kiif. Benammen oan it Saailân binne Fryskpraters ûnder de (rjochters en) ofsieren in hiel lytse minderheid.
Jo hawwe it josels oe sa maklik makke: “Sommige mensen vinden ook, dat je de taal moet spreken, dat vind ik dan weer overdreven.” (Jo sizzen neffens de Ljouwerter fan 27 maaie.) Wêrom’t jo dat oerdreaun achtsje, dàt stiet der net by. Jo jongste ofsier wit wol dat er net by de rjochter oan hoecht te kommen mei in ‘dat vind ik’. Dêr heart in ‘dêrom’ by. Jo binne net fierder kommen as in ‘dat vind ik (dan weer overdreven)’. Sûnder in ‘dêrom’.
Mei jo Hollânsk hawwe jo de taalpolityk fan fjouwer ieuwen fuortset, mei ús sprake hiene jo ús fan in stikje fan dy polityk – ûnderdrukking, neffens frou mr. Eradus – befrije kinnen.
Mie Bitgummoolster achtinge,
B.J. Postma
Neiskrift FFU:
De FFU en de Ried fan de Fryske Beweging binne der foarstanner fan dat it Frysk de status fan earste taal kriget yn Fryslân. Dêr heart ek in aktive behearsking fan it Frysk by troch de steande en sittende magistratuer. Sûnder Fryskpratende en -skriuwende ofsieren en rjochters kin it nea net wat wurde mei it Frysk by de rjochtbank en it hof en mei it ‘feitlik’ opheffen fan de taalûnderdrukking yn de rjochtspraak.
Aan de Friezen ligt het in ieder geval niet!
Bertus Mulder
Friezen doen genoeg om het Fries levend te houden. Ze trouwen in het Fries en leren hun peuters Fries. Nu het rijk nog.
Het is belangrijk dat de overheid ruimte maakt voor het Fries, concludeerde Trouw op 11 mei. Onder de kop 'Fries laat het er zelf bij zitten' meent Doede N.T. Damsma dat wettelijk alles voor het Fries perfect geregeld is – en dat er toch 'geen donder van terechtkomt'. De Fryske Bewegers projecteren hun falen op Den Haag, op commissaris van de koningin Nijpels, of op jonge moeders die de taal niet doorgeven. Damsma richt zijn pijlen op de veel te enge, taalpolitieke agenda van de organisaties die tezamen de Fryske Beweging vormen. Aan zijn betoog ligt een aantal misverstanden ten grondslag. Het eerste is dat voor het Fries alles wettelijk perfect geregeld zou zijn. Het tweede is dat de overheden geen factor van belang zijn. Het derde is dat de ontwikkeling van het Fries 'volkomen stil is gevallen'.
Vijfhonderd jaar is er op het Fries neergekeken als een boerse taal, een taal van mensen die het Nederlands nog niet machtig waren. Pas na invoering van het algemeen kiesrecht kwam er - schoorvoetend - aandacht en ruimte voor het Fries als cultuurtaal. Langzaam ook dringt het besef door dat meertaligheid in Europa heel gewoon is. Meertaligheid van kinderen is een prima uitgangspunt om nog meer talen te leren. Het Europees Handvest biedt mogelijkheden om eindelijk, op een royale wijze, gestalte te geven aan meertaligheid.
Tot vijftig jaar geleden was het verboden de eed of belofte in het Fries af te leggen. Het gebruik van het Fries in raden en staten werd gezien als strijdig met de rechtseenheid, rechtszekerheid en rechtsgelijkheid van het Nederlandse rechtssysteem. Toch werden de regels veranderd. Na de laatste raadsverkiezingen maakten meer dan tweehonderd Friese raadsleden gebruik van hun democratisch recht om de eed of gelofte in het Fries af te leggen. Maar de opvattingen over de eenheid van taal in het Nederlandse rechtssysteem bleven jarenlang onveranderd.
Toen de provincie Friesland in 1985 systematisch taalpolitiek wilde voeren, stuitte dat op juridische bezwaren, die in 1995 met een wijziging van de Algemene Wet Bestuursrecht werden ondervangen. Pas na het onderschrijven (1996) en het in werking treden (1998) van het Europees Handvest voor Regionale en Minderheidstalen ontstaat een, overigens zeer bescheiden, ruimte voor het Fries, los van het Nederlands.
We staan pas aan het begin van de aanpassing van wet- en regelgeving. Provincie en rijk hebben in 2001 ambities geformuleerd om de Friese taal en cultuur te stimuleren. Maar het rijk neemt geen actieve rol voor zijn rekening, noch op het punt van het onderwijs, noch inzake de ontwikkeling van Omrop Fryslân tot minderheidstaalzender, noch op het terrein van de zorg. Als het rijk zijn ambities wenst waar te maken, moeten provincies meer bevoegdheden krijgen.
Damsma meent dat er niets gebeurt. Hij kan teleurgesteld zijn over het tempo, maar een paar voorbeelden volstaan om zijn ongelijk te onderstrepen. Van 1997 heeft de provincie activiteiten ondersteund om het Fries een plaats te geven in peuterspeelzalen en kinderdagverblijven. Op basis van vrijwilligheid, enthousiasme en kwaliteit doen op dit moment 170 van deze 250 instellingen mee aan het Tomke-project met allerlei 'doelgroepgericht' Friestalig onderwijsmateriaal. Verder is het aantal instellingen met een expliciet Fries- of tweetalig taalbeleid in twee jaar gegroeid van 5 naar 40. Wij pleiten als provincie voor integraal taalbeleid in het basisonderwijs; dus het Fries naast het Nederlands als instructietaal bij bijvoorbeeld vakken als aardrijkskunde en geschiedenis.
Met uitzondering van de gemeente Harlingen deden alle gemeenten op het vasteland mee aan het besluit om de Friese waterwegen te voorzien van een Friese naam.
En dan de Friese burger zelf. Uit onderzoek van het 'Berie foar it Frysk', het provinciaal adviesorgaan voor de Friese taal en cultuur, blijkt dat steeds meer mensen in Fryslân kiezen voor het Fries bij emotionele en belangrijke persoonlijke momenten, zoals bij familieberichten en huwelijkstoespraken. Friezen laten het er niet bij zitten: nooit.
Boarne: Trouw, 31-05-2006Thursday, 25 May 2006
The European Commission DG Education and Culture hosted a well attended conference in Brussels at the end of April gathering many of Europe’s lesser used language experts. The theme focused on education in lesser used languages with the Commissioner Ján Figel indicating that in 2007 the Commission may support a new network to promote regional and minority languages in Europe.
Ján Figel explained that “the Commission is committed to maintaining linguistic diversity” and how the regional and minority languages of Europe are a great wealth. He outlined that specific aims would be to raise awareness and actual language learning and that NGOs and governmental organisations alike should “get ready to take advantage of the opportunities coming up”.
Mr Figel praised the success of the network of language boards, EBLUL and the Mercator Centres, highlighting EBLUL’s successful expansion eastwards into the new member states. He indicated that these organisations could together become “an enlarged network at the EU level”.
Jane Davidson the Minister for Education from the Welsh Government praised Eurolang and the ADUM project and called for continuing Commission support for EBLUL and the language boards. She added that there should be “special attention to declining languages” and that there should be a “linking between those languages with status with those with none”.
Meirion Prys Jones from the Welsh Language Board made a specific call for organisations to join a new network. A working group has already been established following a meeting in Amsterdam. He continued that there are nearly 50 million speakers of 60 indigenous regional or minority languages - 10% of the people of Europe, but that the speakers of these languages do not have 10% of the funding or 10% of the influence. Referring to a Commision statement that "all languages are equal", Mr Prys Jones said “if that is true we need the status that goes with that statement”.
Colin Baker discussed new research showing that it is economically advantageous for a state to have a regional or minority language (RML) partly because of the benefits of bilingualism.
The conference continued on Friday with EBLUL President Neasa Ní Chinnéide discussing EBLUL’s expansion eastwards and the success of PfD and Eurolang, announcing that the news agency is looking for partners. She also discussed the comparative lack of funding from RMLs considering the amount of speakers, 5% of funding for 10% of speakers according to the SMILE Report. She reflected on an issue that many delegates were concerned about where the smaller language communities “are not able to reach the high thresholds required to qualify for language project partnership.”
This last issue calls into question some of the basic aims of “mainstreaming” where RML groups have pointed out that they are simply not able to access mainstream funds or to compete against large state-sponsored language organisations.
The conference closed with Head of the Commission’s Multilingualism Unit Jacques de Moly suggesting that “perhaps what we should do is give a particularly favourable look at RML projects” when they are applying for funding. (Davyth Hicks, Eurolang 2006)
Boarne: Eurolang (digitaal), 2006Fries laat het er zelf bij zitten
Doede Damsma
Nijpels, moeders, iedereen krijgt de schuld van het wegkwijnen van 't Fries. Maar de Fries kan beter zelf in actie komen.
Een sympathiek commentaar over het Fries in Trouw van 11 mei; zo vaak staan die over mijn provincie niet in de landelijke kranten. Laat staan met zo'n positieve inslag, waarvoor alle hulde. De commentator schrijft: “Het is belangrijk dat de overheid voor het Fries ruimte maakt. Het is de erkenning dat een democratie er ook en vooral voor minderheden is.” Een lovenswaardige opvatting die zelfs hier in Fryslân niet breed gedragen wordt. En dat is direct de kern van het probleem: 'Hoe komt het dat wettelijk voor het Fries alles perfect geregeld is en er toch geen donder - om met Oebele Brouwer te spreken - van terechtkomt?'
In Fryslân houdt zich een aantal organisaties met de eigen taal bezig. Naast instituten met 'Beropsfriezen', zoals Afûk en Fryske Akademy, is er de koepel de Friese Beweging en haar 'politieke tak' de Fryske Nasjonale Partij. De opvallendste overeenkomst, de FNP uitgezonderd, is dat zij zich enkel en alleen bezig houden met 'Fryske taal en kultuer'. Daardoor verkeert de taal in onze provincie in een volstrekt isolement, een soort 'splendid isolation'. Massale steun van de bevolking voor het Fries blijft daardoor uit. Dat ligt natúúrlijk niet aan die Beropsfriezen en die moeten daarom op zoek naar een 'schuldige'.
Zo krijgt de elite de schuld (Nijpels moet nu eindelijk eens Fries spreken), of het komt door de 'gewone' Friezen (alsof die niks anders aan hun hoofd hebben) en mogelijk ligt het aan de 'memmen’ (de moeders) die de taal niet doorgeven. Een andere favoriete 'schuldige' is Den Haag. Trouw schrijft daarover: "Maar ook al staat het Fries onder druk, daarmee is de zorg
ervoor allerminst overbodig." Maar daarvoor is wel inzet, strijd en draagvlak nodig.
Of om met onze Friese schaatscoryfee Henk Gemser te spreken, 'we zullen onze krachten moeten mobiliseren' om Den Haag mee te krijgen. Veel brengen de Friese Beweging en aanverwante organisaties er wat dat betreft niet van terecht. Dat Den Haag dan zegt, zoals minister Pechtold laatst over meer bevoegdheden voor Fryslân, 'dat heeft bij ons niet de eerste prioriteit', is niet verwonderlijk. Van enige zelfkritiek of zelfreflectie is bij de 'Frysksinnigen' absoluut geen sprake.
Hoe anders staat het er voor in Catalonië, Vlaanderen, Baskenland, Wales of Schotland. Daar is de eigen taal vaak stabiel en meestal zelfs verbeterd t.o.v. de landstaal. Maar er zijn dan ook twee essentiële verschillen tussen deze gebieden en Fryslân. Zij haalden in de afgelopen decennia meer autonomie binnen. Bij de bevoegdheden van bijvoorbeeld Wales of Catalonië steekt de suterige (armetierige) provinciestatus van Fryslân wel heel schraal af. Feitelijk hebben de meer dan een half miljoen Friestaligen minder in te brengen dan onze eigen overzeese gebiedsdelen Aruba en de Antillen.
Het tweede verschil ligt in het bereik van de bevoegdheden. Door de grotere autonomie beslissen die andere gebieden ook over delen van het sociaal, economisch en belastingterrein; de eigen taal loopt daarin dan automatisch mee. Uit deze ervaringen valt voor Fryslân wel een positief advies te halen. De eenzijdige oriëntatie op taal en cultuur moet om.
De Beweging kan zich breder en meer met maatschappelijk relevante onderwerpen bemoeien. Bijvoorbeeld over sociale, economische en politieke zaken. Waarom geen standpunten over de nog steeds (veel te) hoge werkloosheid, over de economische achterstand, de aanleg van de Zuiderzeelijn, de omgang met het Waddengebied enzovoort. En waarom geen uitspraken over de bevoegdheden van Fryslân zoals vergelijkbare bewegingen in andere landen doen, bijvoorbeeld over een status aparte Zo betrek je de bevolking ook veel meer bij die taal(strijd).
De Friese Beweging boekte in de eerste jaren na Kneppelfreed grote successen, maar die ontwikkeling is volkomen stil gevallen. Sinds de jaren negentig verkeert zij zelfs in een diepe crisis. Waarschijnlijk is dat de hoofdoorzaak voor de slechte positie van het Fries van dit moment. Daarom zal de Beweging haar eigen strategie kritisch tegen het licht moeten houden.
Het is mooi dat de Trouw-commentator het belangrijk vindt 'dat de overheid voor het Fries ruimte maakt'. Maar eerst en vooral is daarvoor een zelfkritische houding binnen bij de 'Frysksinnigen' nodig. Zonder die houding zal Oebele Brouwer - helaas - nog heel vaak kunnen zeggen dat er van het Fries geen donder terechtkomt.
Boarne: Trouw, 24-05-2006Ferslach ynlieding fan Hans Snijder, haadredakteur fan Omrop Fryslân
De fiertaal yn de útstjoerings fan Omrop Fryslân is it Frysk. Dat leit ek foar de hân, de mearderheid fan de Friezen praat Frysk en sawat alle ynwenners fan Fryslân kinne it Frysk goed ferstean. De Omrop hat sels altyd keazen foar it Frysk, de kar is net troch de oerheid oplein. Om it fuortbestean fan it Frysk te stypjen jout de Provinsje Fryslân sûnt 2001 ekstra jild foar de regionale televyzje.
De taalbefoardering is net in doelstelling fan de Omrop; it is in gefolch fan de taalkar. Omrop Fryslân stiet midden yn de Fryske mienskip en makket ûnderdiel út fan it Frysk-eigene, fan de Fryske kultuer. Dat heart neffens Snijder by in publike regionale omrop, dy’t ticht by de minsken stean wol.
De sprektaal moat linich brûkt wurde en útblinke troch ienfâld, helderheid en dúdlikheid. Alderwetske Fryske wurden moatte mijd wurde en de taal by radio, televyzje en teletekst en ynternet fan de Omrop moat tichterby de sprektaal stean as de skriuwtaal. Snijder seit dat it hieltyd wer giet om it finen fan in lykwicht tusken goed en linich Frysk en it oerbringen fan it boadskip. Sjoernalisten wurkje faak ûnder druk en yn situaasjes dêr’t it oankomt op flotte reaksjes en in prikeljende fraachstelling. Omrop Fryslân is der foar alle Friezen. Ferslachjouwers en programmamakkers sille net allinnich Frysksprekkende minsken tsjin it liif rinne.
De fiertaal is Frysk, mar de ynterviewden binne frij om de taal te sprekken dy’t him/har it noflikst leit. Kin de gast gjin Frysk ferstean, dan skeakelet de ynterviewer oer op it Hollânsk. Yn rampesituaasjes mei it taalbelied gjin behindering wêze om letterlik elkenien te berikken. Omrop Fryslân beskôget meartalichheid as in kulturele rykdom en net as in lêst. De redaksje hat ek in positive hâlding wat it gebrûk fan Biltsk, stedsk of Stellingwerfsk oangiet. It op peil hâlden fan de behearsking fan it Frysk is de prioriteit fan de haadredaksje.
Neipetear
Ut it neipetear docht bliken dat der net in groepke fan ‘meiharkers’ is dy’t de útspraak yn de gaten hâldt. Der is fandat gjin strukturele ynbring, al wurdt der wol spontaan reagearre. Snijder is fan betinken dat teletekst wol better kin. Troch de nije digitalisearringstechniken kin de tekst flot ‘omboud’ wurde, mar der is wol ferskil tusken de PR-tekst en sprektekst. It freget in protte selsdissipline fan de redakteur, dy’t meastentiids ûnder tiidsdruk stiet. Mei klam jout er oan dat de Omrop gjin taalpolityk ynstrumint is.
It idee om in fêste groepke harkers in pear kear yn it jier byinoar te roppen om mei de redaksje de flaters troch te nimmen, leit foar it momint gefoelich, seit Snijder. Wol is der sûnt twa en in heal jier in stylboek, dat de meiwurkers hantearje.
Snijder is wol fan betinken dat it doel hat om te skiljen wannear’t der in taalflater ‘de loft yn giet’ en dat bart ek.
Oan de Hollânsktalige reklame by de Omrop kinne se net folle dwaan: ‘de klant bepaalt’. It Berie foar it Frysk hat kontakt mei in reklameburo dat de teksten yn it Hollânsk en it Frysk oanbiedt. Dat makket de kar makliker en it docht bliken dat it Frysk dan mear brûkt wurdt. Snijder seit dat de grutte bedriuwen faak wol Frysktalige reklame brûke en hopet dat soks in foarbyld is foar de lytsere bedriuwen.
Foarsitter Bangma slút ôf mei de suggestje om in harkkommisje yn te stellen dy’t de taalflaters oan de oarder stelt.
Boarne: Ferslach fan de 66ste algemiene gearkomste fan de Nederlânske Kommisje fan it EBLT op woansdei 17 maaie 2006, om 19.30 by Omrop Fryslân yn Ljouwert
FFU: Wy slute ús by dy suggestje fan Bangma oan. De Omrop hat in foarbyldfunksje en dat freget om geef Frysk. Sjoch by ‘Brieven 2004, útgien’ ek ús brief (02-12-2004) oer ‘de taalnoarm en it taalgebrûk by Omrop Fryslân of klik op: FFU-Taalnoarm Omrop Fryslân.pdf De reaksje fan de Omrop is by ‘Ynkommen’ te finen (13-01-2005) of hjir oan te klikken: OF-Taalnoarm Omrop Fryslân.pdfOp it Provinsjehûs waard earjuster even feestlik stilstien by it fyftichjierrich bestean fan de ‘wet houdende enige regelen betreffende het Fries in het rechtsverkeer’. Fyftich jier lang meie Friezen de eed ôflizze of gelofte (‘ûnthjit’) dwaan yn har memmetaal en hoege se har net te ferbrekken as se foar de griene tafel ferskine.
De striid foar de lykberjochtiging fan it Frysk is sûnt 1956 fuortset mei as hichtepunt de erkenning as twadde rykstaal, dy’t in lykweardige posysje garandearret as it Hollânsk. Mar de praktyk leart dat it Frysk ek troch de Friezen sels noch lang net algemien as normaal sjoen wurdt. Ofsier fan justysje Oebele Brouwer hat der yn hast alle kranten en radio-útstjoerings oer prottele. Yn ús krante sei er juster: “It wurdt tiid dat de Friezen grutsker wurde en har ris wat minder hoflik opstelle.”
Brouwer, dy’t no yn Grins wurket, hat syn Frysksinnigens nea ûnder stuollen of banken stutsen. Hy hat der yn syn Ljouwerter tiid foar soarge dat der buordsjes yn de rjochtseal kamen mei de oprop om Frysk te praten en dat it ek op de daging kaam te stean. Likegoed hat it noch net folle holpen. Hy hat dat ta syn spyt memorearre by de fyftichste jierdei fan Kneppelfreed., yn novimber 2001, en docht it no súntsjes oer. Yn Trouw skonk er kleare wyn: “In de praktijk komt er vaak geen donder terecht van de verworvenheden.”
En as de Fries foar de rjochtbank it Hollânsks foar kar nimt, dan dogge de rjochters dat ek. Dat seit himsels. O ja, seit dat echt himsels? In rjochter, in ofsier fan justysje, in abbekaat kin dochs ek it goede foarbyld jaan? Brouwer hat dat as ofsier fan justysje ek wolris dien. It gefolch, sei er juster yn de Volkskrant, wie dat beide Fryske deiblêden dat as foarpaginanijs brochten: “Treurig natuurlijk, je maakt gewoon gebruik van je recht.”
Mar it nijs wie fansels dat hy de iennichste wie dy’t fan dat rjocht gebrûk makke. Hy wie hjir in iensume wite raven. Om him yn Trouw noch even oan te heljen: “Ik ben vaak zittingen begonnen in het Fries, als ik aan iemands woon- of geboorteplaats zag dat ik met een Fries te maken had.” Wa docht dat fierders?
No’t er nei Grins gongen is, hat it Frysk wer in fikse tebeksetter krige. It Frysk mei wetlik tastien wêze, der hat oan it Saailân oant no ta noch net folle te merkbiten west fan in aktyf belied om Frysktalige steande en sittende magistraten te wervjen. Ja, Justysje biedt kursussen oan. Mar dat is, as se har àl opjouwe, foar ymport-juristen in aardich tiidferdriuw – in wike nei Skylge! – en set gjin seadden oan ’e dyk. Yn it deistich wurk kostet it har tefolle ynspanning en ferfalle se automatysk ta it Hollânsk. Nim har dat ris kwea-ôf. Allinnich in foarm fan permaninte edukaasje kin hjir soelaas biede.
Dat jildt trouwens net allinne foar justysje, mar ek foar alle maatskiplike domeinen. Foar it ûnderwiis, it iepenbier bestjoer, de plysje, de sûnenssoarch en ja, lit ús de media beleaven ek net ferjitte.
It is in âld ferhaal: as wy, lykas Brouwer útstelt, wolle dat de Friezen wat minder beskieden en wat mear bewust mei har taal omgeane, dan moat de opfieding yn it ûnderwiis begjinne. Dan kin der op ’en doer faaks in omslach komme, en kinne de wurkjouwers yn publike en private sektoaren net benefterbliuwe. Dat is, sjoen de behyplike boel yn it ûnderwiis, noch in lange reis. Ear’t it safier is, soene dy wurkjouwers lykwols troch har personielsbelied skine litte kinne oft it Frysk har tinken is.
Alex Riemersma fan it Berie foar it Frysk neamde himsels juster foar Omrop Fryslân in ‘profesjonele optimist’, doe’t him frege waard hoe’t er oer de takomst fan it Frysk tocht. Dat is in moai understatement. Der kin noch safolle regele wêze yn wetten en oarderings, as de ‘kaaifigueren’ it net fierder bringe, dan hâldt it op, sei er sa likernôch. Syn wurk bringt mei dat er syn hope op ’e kaaifigueren fêstige hat, dy’t er mei syn advizen ta in aktive rol ferliede moat.
Salang’t it lykwols advizen bliuwe dy’t per definysje frijbliuwend binne, ferwachtsje ik dêr oan de Twibaksmerk net it measte fan. Yn it seiskoppige kolleezje binne de Frysktaligen yn de minderheid, dat in echte foarbyldrol giet dêr yn alle gefallen net fan út.
Kneppelfreed-histoarikus en plysjefoarljochter Peter Boomsma woe hawwe (yn de LC fan woansdei) dat kommissaris Nijpels lang om let op it Frysk oergiet. No, dat sille wy net belibje, bin ’k bang, en mear as geveltsjefrysk soe dat ek net opsmite.
Nijsgjirriger is hoe’t de politike partijen har aanst yn de ferkiezingstiid profilearje sille. Dat is folle wichtiger en hat mei gefolgen foar de nije kolleezjefoarming. Sjogge se bygelyks de setelwinst fan de FNP fan de foarige kear (nei sân sitten) as in ynsidint, feroarsake troch it fûle ferset tsjin it magneetspoar, of binne se wekker wurden en besykje se de FNP de wyn út de seilen te nimmen? It selektearjen fan gaadlike Frysktalige kandidaten is by eintsjebeslút ek in foarm fan personielsbelied.
PIETER DE GROOT
Boarne: Leeuwarder Courant, ‘Freed’, (‘DWERS’), S. 2
FFU: Sjoch ek by ‘Aktueel’, 10-05-2006, Rechten voor Friese taal vijftig jaar geleden ‘bevrijd’. De Groot wiist mei rjocht op de grutte betsjutting fan goed en genôch Frysk ûnderwiis. Dêr stride wy foar. Mar as it ûnderwiis opliedt foar domeinen (bgl. it iepenbier bestjoer, de plysje, de sûnenssoarch en media) dêr’t it Frysk, ek wat it Frysk skriuwen oanbelanget, in fanselssprekkende funksje-eask wêze soe, dan wurdt it belang fan dat ûnderwiis ek mear ynsjoen. Elts domein is dus wichtich om de fisjeuze sirkel troch te brekken.Kleine talen zijn gedoemd uit te sterven. Dat zal dus ook wel met het Fries gebeuren, verwacht Jarich Hoekstra van de Universiteit van Kiel. “Maar dat gebeurt in Nederland niet op korte termijn, en ook niet binnen honderd jaar. Het Fries zal mij in ieder geval overleven.” Hoekstra wordt geciteerd in Onze Taal*. Voor dit blad heeft Marc van Oostendorp onderzocht hoe het ervoor staat met “de tweede overheidstaal van Nederland”.
Van Oostendorp gaat vooral in op de paradoxale situatie waarin het Fries verkeert: de Friese beweging heeft veel doelstellingen bereikt, maar tegelijk spreken potentieel minder mensen in Friesland dan vroeger de Friese taal. Bestuurskundige Piet Hemminga van de Fryske Akademy constateert dat de provinciale elite, die als voorhoede zou moeten optreden, het laat afweten.
De kop ‘De grootste vijanden van het Fries zijn de gewone Friezen’ is een uitspraak van Japik van der Bij van de Ried fan de Fryske Beweging. Het is hem opgevallen dat mensen er vaak van uitgaan dat kinderen het Fries niet beheersen. In een bakkerij in Sneek sprak de verkoopster Fries met Van der Bij, maar aan zijn kleinkinderen vroeg ze: “Willen jullie ook een broodje?”
De komende tien, twintig jaar worden belangrijk, verwacht Johannes Kramer van de FNP-statenfractie: pakt de volgende generatie het Fries op? “De politiek kan er alleen voor zorgen dat de voorwaarden goed zijn – dat het mogelijk is om Fries te leren en dat de ouders en leerkrachten daar ook de zin van inzien.”
FEDDE DIJKSTRA
*Onze Taal. Verschijnt tien maal per jaar. Uitgave van Genootschap Onze taal., Den Haag.
Boarne: Leeuwarder Courant, 10-05-2006Die Nordsee-Akademie war Schauplatz dese Interfriesischen Kongresses 2006. Mehr als 100 Interessierte aus West-, Ost- und Nordfriesland waren nach Leck gekommen, um Perspektiven der Friesischen Arbeit zu diskutieren. Was waren die Eergebnisse? […]
Identität
„ Friese ist, wer Friese sein will .“So heißt es im Kurzprotokoll einer der Gruppen, die sich mit Identität befassten. In dieser Runde bestand Einvernehmen, dass die Bewahrung und Förderung der friesischen Sprache Vorrang hat. Diejenigen Friesen aber, die nicht friesisch sprechen, müssen - so wurde festgehalten - innerhalb der friesische Bewegung als gleichberechtigt anerkannt sein. Was alle eint - so heißt es weiter -, ist die besondere gemeinsame friesische Geschichte und Kultur, die auch abseits der Sprache friesische Identität begründen kann.
Die Nordsee ist der gemeinsamen Lebensraum, so hebt eine andere Gruppe hervor, die vom den Friesen Offenheit fordert, „Zugezogene“ aufzunehmen and ihren Beitrag zur friesischen Arbeit als „Input für die Gemeinschaft“ positiv wahrzunehmen. Auf die friesische Mentalität und das Bedürfnis nach Eigenbestimmung verweist ein weitere Gesprächskreis. Nötig sei die Entwicklung friesischer Lebensmodelle, die etwa auch die Bereiche Pflege und Wohnen umfassen. Als aktive Friesen auf die Menschen zuzugehen, empfiehlt eine Gruppe, und „mit Rückgrat“ und gutem Beispiel die Vorzüge friesischer Identität erlebbar zu machen. Mehr und bessere Kurse müssten angeboten, die Öffentlichkeitsarbeit verstärkt, ein individuelles „Frisian coming out“ durch intensive Erlebnisse ermöglicht werden. Im Vordergrund stehen dabei - wie auch bisher - Reisen zu anderen Minderheiten, auf denen Anfänger in Friesischen zu Fortgeschrittene, Fortgeschrittene zu Friesischsprechern werden. […]
Jugendarbeit
[…] Was die Sprache angeht - so der Schwerpunkt einer der Runden - muss das Bewusstsein für den Wert der Mehrsprachigkeit weiter verbreitet und in die Praxis umgesetzt werden. Junge Eltern, die ihre Kinder von Anfang as zwei- oder mehrsprachig erziehen möchten, sollen ermutigt, beraten und mit modernen pädagogischen Hilfen versehen werden.
Geschichte und kulturelle Traditionen der Friesen sollen, so die Zielvorstellung einer weiteren Gruppe, als Grundlage der Identitätsbildung an Kinder und Jugendliche vermittelt werden. Ganz konkret die Forderungen: auf der politischen Ebene die reguläre Verankerung regionaler Themen im Lehrplan absichern, Einbeziehung solcher Themen in verschiedenen Fächern, zum Bespiel Geschichte, Erdkunde, Religion, Kunst, Friesisch, dabei Austausch zwischen Nord-, Ost- und Westfriesland, Erstellung moderner Lehr- und Unterrichts-Bücher, - CDs und - DVDs zur Region, Legen einer ersten Saat bereits im Kindergarten, Bücher zum Vorlesen auch in den Familien, spannende Lektüre für Kinder und Jugendliche. Ein ganzheitlicher Ansatz mit einer breiten Diskussion über einen kulturellen friesischen Kanon müsse die Grundlage bilden. [fetprint fan ús] […]
Repräsentation und Medien
[…] Behörden und Institutionen sollten, so eine zweite Gesprächsrunde, verstärkt zur Berücksichtigung der Friessiechen Sprache angehalten werden. Sprachliche Schulung der Mitarbeiter und bevorzugte Berücksichtigung friesischsprachiger Bewerberinnen und Bewerber wären, darüber herrschte Einigkeit, gute Wege zu diesem Ziel. Vor allem die höchsten Repräsentanten der Verwaltung wie etwa Landräte und Amtsleiter könnten mit der Anwendung des Friesischen ein gutes Beispiel geben.
Eine politische Dachorganisation könnte die Bemühungen besser koordinieren, die speziell auf den Schutz und die Förderung des Friesischen ausgerichtet sind. In jedem Falle, so war sich eine Themengruppe einig, ist eine verstärkte politische Kooperation der Frieslande vonnöten. Die vierte in diesem Bereich diskutierende Gruppe forderte ebenfalls einen interfriesischen politischen Arbeitskreis. Auf allen Ebenen müsse, wo immer möglich, in den Körperschaften der Repräsentation ein speziell friesisches Segment verankert sein. […]
Fortsetzung der Arbeit
[…] Mit der bei seiner Sitzung am. 5 Mai verabschiedeten „Interfriesischen Erklärung“* ( Wortlaut “Aktueel“, 05-05-2006) bekräftigte der Interfriesische Rat die Grundsätze seiner Zusammenarbeit. Landschaftsrat Dieter Baumann aus Ostfiesland wurde als Nachfolger von Ingwer Nommensen neuer Präsident des Rates. Der nächste Interfriesische Kongress wird turnusgemäß 2009 in Ostfriesland stattfinden.
Boarne: Nordfriesland, Juni 2006, Nr. 154, s. 11- 17 [part fan it ferslach]
*FFU: Sjoch foar de „Ynterfryske ferklearring“ by „Aktueel“, 05-05-2006.Landje van niks
Luxemburg is, met alle respect, een landje van niks. We praten over krap 2600 vierkante kilometer, even groot als de vastewal van Friesland zonder de Stellingwerven. Tellen wij nog 643.000 inwoners, in het Luxemburgse houdt het bij 440.000 op. Slechts drie plaatsen hebben meer dan 2000 bewoners:de hoofdstad Luxemburg (138.000), Diekirch (6300) en Grevenmacher (4200).
Een economische vergelijking roept onmiddellijk de vraag op, waarom zij in het zuiden wel een zelfstandig land vormen en wij in het noorden niet. Luxemburg draait al sinds het midden van de vorige eeuw op een mix, die hier verrassend bekend klinkt: landbouw, toerisme en zakelijke dienstverlening.. […]
Analoog aan Friesland kent het groothertogdom een eigen taal, het van een Duits dialect afgeleide Letzeburgs. De Luxemburgers zijn in dit opzicht zes stappen verder dan de Friezen. Sinds 1985 is het Letzeburgs de officiële voertaal, ook van de overheid. In het dagelijks gebruik zijn het Frans en Duits nog zeer populair. […]
Hoe kan het dat Friesland met vrijwel dezelfde omvang en economische ingrediënten geen kleine maar bloeiende zelfstandige natie vormt, terwijl niemand tornt aan het bestaansrecht van dat groothertogdom?
Loop der historie
Het antwoord is pijnlijk simpel: het is de loop der historie. Tot 1815 was het landje een speelbal van de buren en veroveraars uit verderop gelegen landen. Ontstaan in 963, toen graaf Siegfried van de Ardennen op de weg tussen Reims en Trier een klein kasteeltje (in de taal van toen ‘Lucilinburhuc’) liet bouwen, en zich rond deze vesting al snel een nederzetting vormde.
En vervolgens werd het hertogdom ingepikt door de Duitse keizer Karel IV, de Bourgondiërs, de Spanjaarden, de Fransen, de Oostenrijkers, de Pruisen en, we zijn inmiddels in 1795, opnieuw door de Fransen.
Na de nederlaag van Napoleon I, ingeleid door zijn jammerlijke Russische veldtocht, werd het tot dan Franse België bij Nederland gevoegd. Luxemburg kwam onder de hoede van koning Willem I. In een zogeheten personele unie werd Luxemburg vanuit Den Haag bestuurd als een Nederlandse provincie.
In 1839 erkende het Verdrag van Londen het groothertogdom als volstrekt zelfstandige staat. Nog twee keer, tijdens beide wereldoorlogen, zou het land in de vorige eeuw door de Duitsers worden bezet. Na de bevrijding in september 1944 leed het land ernstig onder de wanhopige Duitse tegenaanval, die als het Ardennen-offensief de geschiedenis zou ingaan. […]
Zo lopen de zaken, in de historie. Maar het blijft een aardige vraag voor commissaris der koningin Ed Nijpels, dinsdag na het handenschudden met groothertog Henri. Wat, geacht en bevriend staatshoofd van dat sympathieke prutslandje, hebben jullie toch goed gedaan waar wij zo jammerlijk faalden?
WIEBE PENNEWAARD
Boarne: Leeuwarder Courant, 22 april 2006 [part fan it artikel}:Achtbere rie,
Nei’t jim yn jim gearkomste fan 16 febrewaris myn brief fan 27 jannewaris ûnder eagen krigen hiene en it fierders mar oan jim boargemaster oerlitten hiene om it te beänderjen, haw ik fan him beskie krige. Yn syn skriuwen fan 27 maart gie er der net ynhâldlik op yn. Hy makke him fan alles ôf mei ‘gjin aktyf belied’.1
Op dy foet wurd ik no fan de muorre nei it sket en fan it sket nei de muorre stjoerd. Min dwaan fan de kant fan de oars sa foarname Crackstrjitte.
Foarop stiet, dat jim boargemaster in alderfreonlikst en earlik man is, fan betinken dat wy as de Frânsen moatte soene mei in ‘oars net as Frysk, it oare kin deafalle’ (Ljouwerter fan 17 desimber 2004). Hy miende it, syn wurd wie in wurd fan wierheid. Hy soe in boargemaster foar àlle Friezen wêze wolle, foar de twatalige Friezinnen en Friezen en foar de ientalige Hollânskpraters.
De rieden fan alle gemeenten-op-ien-nei hiene in hiele haal dien mei har eigentalige wetternammen, doe’t de boargemasters yn deselde grutte ienriedigens harren sint yn it taalponkje dwaan koene. Mar yn ’e goedichheid! Wa hie doe tinke kinnen, dat jim alris, tusken de ierappels en de brij yn, in taalplan betocht hiene om dêr alle Frysk mei út de publikaasjes te kearen? Dat plan/belied soe jim boargemaster wolris raar yn ’e wei komme kinne te stean as er mei in dûbeldtalich boargerjierferslach ienriedich en solidêr wêze woe mei de rykskommissaris en syn kollega’s yn Balk, Burgum, Dokkum, Drylts, Ferwert, Grou, De Jouwer, Snits, Stiens, De Sweach, Wytmarsum en Wommels2 – en dy’t der noch by komme.
Troch myn briefke fan 27 jannewaris rekke jim boargemaster der yndie glêd mei oan: moast er iepentlik stean mei ús rjocht op in dûbeldtalich boargerjierferslach òf de riedsmacht en syn njoggentjinde-ieusk ‘keare dat Frysk’? Hy skreau my: “Foar it boargerjierferslach wol ik net ôfwike fan de algemiene line dy’t de gemeente Hearrenfean hantearret foar har publikaasjes.” Syn ‘wol ik net’ seit datoangeande hiel wat.
Jim boargemaster, taalman as gjin oarenien, stie yn syn rjocht om in dûbeldtalich jierferslach te skriuwen – de rie hat dêr nul en neat oer te sizzen – mar hy bûgde, beleaven net con amore, foar jim, hast kontrafrysk, taalbelied. En dat wie wer fan dy gefolgen, dat er mei in draaiwaarle yn ’e mûle prate moast.
Ik tref genôch folk dat wat op ús delsjocht, en genôch folk dat him foar eigen wat skammet. De boargemaster fan de Brokstêd is net ien fan dyen. Hy hat him ús sprake oaneigene, praat en sprekt no rûnom en oeral as ien fan ús en skriuwt syn boargerjierferslach (ek) yn ús taal.3 En de riedsleden yn de twadde stêd fan ús lân sjogge net (mear) op ús del en skamje har (net) mear) foar har boargemaster, dat der is sadwaande foar jim yn it twadde doarp fan ús lân likemin grûn foar in fielen fan mearweardigens en/of skamte.
Mei jimme formele ferantwurdlikens beheind wêze ta folken en geaën binnen de eigen gemeentegrinzen, jim maatskiplike ferantwurdlikens gier fier oer dy grinzen hinne. Yn Bûtenpost, Frjentsjer en op ’e Lemmer sille se sizze fan: “De boargemaster op It Fean ek al? Dan uzes ek, dy binne gjin stoer minder!”
Ik haw jim al skreaun, útlein en ferklearre, dat ientalich, i.e. Hollânsktalich, boargerjierferslach, yngiet tsjin mear as ien grûnwet en it betinken fan wize en ferstannige Majesteit, en dat delkomt op diskriminaasje en ûnferdraachsumens. Ik rekkenje dat jim mear en better omtinken oan ien en oar jaan sille as yn jim gearkomste fan 16 febrewaris en dat jimme it njoggentjinde-ieuske kontra-argumint fan ‘keare dat Frysk’ farre litte sille.
Ik trúnje jim oan om by jim boargemaster oan te trúnjen om in dûbeldtalich boargerjierferslach, sa’t jim politike maten yn de steaten dien hawwe by de kommissaris en jim politike susters en bruorren, kammeraatskes en kammeraten en freondinnen en freonen yn de rieden yn Burgum en Grou diene by hàr boargemasters. Jou jim boargemaster it frij, om ienriedich en solidêr te wêzen mei de kommissaris en syn (no al) tolve kollega’s yn oare gemeenten.
Mei Bitgummoolster achtinge,
B.J. Postma
Neiskrift: Myn fisier stiet nachts en deis iepen, dat jim boargemaster kriget in print fan dit briefke.Boarne: Lytse Frisia, tydskrift foar Fryske striid en literatuer, jrg. LV, nû. 3, sept. 2006, s. 35-37
Neiskrift FFU:“Waarom juichen de Friezen het Stellingwerfs niet toe? Zij staan niet in de handen de klappen.” (H. Bloemhoff in de LC van 7 april). Doe’t wy op ’e eigentalige wetternammen út wiene, hawwe wy de rieden yn Oosterwoolde en Wolvege oan west om de Stellingwarver nammen, lykas Linde en Appelschester Vaort,’”Foar of tsjin”, fregen b. en w. oan de Schrieversronte. “Foar”, wie it andert, en mear hawwe wy fan Bloemhoff-en-dy net fernommen.
Beide boargemasters, Heite en Lesterhuis, hawwe wy oan west om dûbeltalige boargerjierferslaggen – yn it Leechsaksysk en it Hollânsk. Beide seine se fan ‘akkoart’. Lykwols misbetearde it en dat lei him oan de beide bestjoerders. De kommissaris bestjoert in fjouwertalich lân. Yn syn dûbeltalich boargerjierferslach – Frysk en Hollânsk – soe ek romte wêze moatte foar it Leechsaksysk en it Biltsk. Wy hawwe him dêr twaris op wiisd. “Gjin offisjeel erkende rykstalen”, wie syn beskie.
Fiifris hawwe de frou en ik de reis nei de súdeasthoeke makke en wy hawwe by de Schrieversronte oanstien op in meiinoarstean. Bloemhoff hoecht ús no net oan te kommen mei de klacht dat Frysk Fryslân amper wat mei syn Stellingwarfsk ophat.
Bitgummole, B.J. Postma
Boarne: Leeuwarder Courant, 18-04-2006
FFU: Sjoch ek ‘Poadium’, 07-04-2006, De schaamte van het Stellingwerfs [hjirûnder]Het Stellingwerfs behoort tot het Nedersaksisch, een verzamelnaam voor dialecten die in Groningen, Drenthe, Overijssel, Gelderland en Friesland worden gesproken. De Europese Unie heeft het Nedersaksisch in het Europees Handvest voor Regionale en Minderheidstalen erkend als minderheidstaal [it hânfest is in ferdrach fan de Rie fan Europa, nèt fan EU, FFU].
Het verdrag bepaalt dat het Nedersaksisch eveneens het Fries gepromoot en gesteund moet worden door de Nederlandse overheid. Het Fries heeft als tweede rijkstaal een hogere status, zowel in het handvest als in de Nederlandse wetgeving. Het Fries valt onder deel drie, het Nedersaksisch onder deel twee. Dat steekt de Nedersaksen. Vooral in de Stellingwerven. [...]
“We moeten niet wachten tot de taal uitsterft. Zo ver komt het straks wel”, zegt hoogleraar Reeker. Hij voegt eraan toe dat het niet alleen een zaak van de regering is. “Waarom juichen de Friezen het Stellingwerfs niet toe? Zij staan niet in hun handen te klappen. Ze zijn natuurlijk trots op hun taal, maar de trots op het ene zou gecombineerd moeten worden met respect voor het andere.” […]
Ook op onderwijsniveau wordt aandacht besteed aan de streektalen, zij het in het ene gebied wat meer dan het andere. De gemeenten Oost- en Weststellingwerf zijn hier nog het verst mee. Hier wordt sinds 1988 op de basisscholen het vak heemkunde gegeven, als alternatief voor het Fries. Het vak heeft tot doel kinderen kennis te laten maken met de taal en omgeving.
In de andere Nedersaksische regio’s wordt incidenteel, voornamelijk op projectbasis, aandacht besteed aan het Nedersaksisch. Hier is de eigen streektaal niet verplicht. De Twentse streektaalfunctionaris Bert Groeshengel [grif deselde lúsangel as Bert Groothengel, dy’t syn wûnderlike opfettings noch net kwyt is; sjoch ek ûnder ‘Poadium 2005’, 07-11-2005 en17-12-2005, FFU]. “Kinderen kunnen een streektaal beter thuis leren. Je kunt het ze niet opdringen. De wil om de taal te spreken moet van huis komen.”
De Achterhoekse streektaalconsulent, Geert Roelofs, is wel voor een verplichte opname van het Achterhoeks in het basisonderwijs. Momenteel is hij bezig om met leerlingen van de plaatselijke pabo een project op te zetten. “We bieden de basisschool gedichtjes in het Achterhoeks aan. De kinderen kunnen hier tekeningen bij maken. Dat gaat allemaal goed, maar wij zijn afhankelijk van de vraag van de scholen. Verplichte aandacht in het onderwijs biedt veel meer mogelijkheden.” […]
Bloemhoff denkt dat het Nedersaksisch binnen twee jaar onder deel drie erkend kan worden. ‘We zijn er momenteel hard mee bezig. Ik heb er vertrouwen in.” Reeker is minder optimistisch. “In 1995 beloofde de regering binnen een jaar meer duidelijkheid. We zijn nu elf jaar verder en er is nog niets van de grond. Het zou goed zijn. Het Nedersaksisch verdient die erkenning.”
PAULA WESTRA
Boarne: Leeuwarder Courant [‘Freed’], 07-04-2006, s. 2 [part fan it artikel]Door Nadia Eversteijn*
Meertalig opvoeden
Prinses Máxima zong tijdens het staatbezoek het Argentijnse volkslied niet mee. Als boegbeeld van allochtone vrouwen had ze haar tweetaligheid moeten benadrukken. Want dat heeft grote voordelen.
Prinses Máxima zong bij het staatbezoek aan Argentinië het Wilhelmus uit volle borst mee. Tijdens het Argentijnse volkslied zweeg ze echter. Ze gaf daarmee een verkeerd signaal af naar de allochtone vrouwen in Nederland. […] Wat wilde Máxima dan aantonen met haar keuze? Dat ze een volledig geïntegreerde Nederlandse-in-hart-en nieren is geworden, wellicht. Maar dat is een wijdverbreid misverstand, dat ‘geïntegreerd zijn’ gelijkstaat aan ‘breken met de taal en cultuur van je land van herkomst’. Máxima zou zich daar meer bewust van moeten zijn, vooral omdat ze een belangrijke symbolische rol vervult. […]
‘Integratie’ betekent letterlijk:’verschillende componenten samensmelten tot een geheel’. Oftewel: je eigen taal en cultuur handhaven, en tegelijkertijd deelnemen aan de nieuwe maatschappij. Wie zijn eigenheid moet opgeven en volledig wordt ondergedompeld in een andere samenleving, loopt grote kans te verzuipen.
Ook taalkundigen constateren telkens weer dat binding hebben met je wortels én met het land waar de toekomst ligt, de meest stabiele basis geeft. Kinderen die hun moedertaal goed spreken, leren gemakkelijker en beter Nederlands. Toch leeft het hardnekkige misverstand voort dat allochtone ouders thuis en op straat alleen Nederlands moeten spreken. Met als gevolg dat ze niet in grammaticaal correcte zinnen tegen hun kinderen kunnen praten en emoties en gedachten niet echt kunne uiten. De ontwikkeling van hun kinderen is daar zeker niet bij gebaat.
Gelukkig is Máxima zelf zo wijs om haar kinderen tweetalig op te voeden: Amalia en Alexia leren thuis zowel Spaanse als Nederlands. En wat goed is voor prinsesjes, is ook goed voor gewone kinderen. Zéker voor kinderen van laag opgeleide ouders. Want het maakt niet uit of je thuis nou Spaans of Engels leert, of Turks of Papiaments. Tweetaligheid geeft echt altijd een voorsprong.
Máxima zou haar meertaligheid en die van haar kinderen veel sterker moeten profileren. Ze kan de integratie bevorderen door de twee volksliederen uit volle borst mee te zingen. Dan toont ze op prachtige, symbolische wijze dat ze trots is op haar dubbele identiteit. Want wie zijn wortels koestert, kan aarden. Een ontwortelde boom valt om.
*Nadia Eeversteijn is als deskundige meertaligheid verbonden aan Babylon, centrum voor studies van de multiculturele samenleving aan de Universiteit van Tilburg.
Boarne: Trouw, 06-05-2006 [part fan it artikel]
Neiskrift FFU:Alles heeft zijn schaduwzijde. Zelfs de glamour die gepaard gaat met het schrijven van een column. Zo kan er op de Friese les geen hilarisch moment passeren zonder dat er een tersluikse blik op mijn schrift wordt geworpen. Schrijf ik mee? Verstaat iemand smarties in plaats van smartsiis, worden er exotische gerechten als hynsteljirre of sûpenmoallenbrij opgevoerd, dan rijst al snel de vraag of het de krant haalt. En toen ik onlangs over de voorspelbare overhoormethode van juf Martsje schreef, wijzigde ze prompt haar vraagpatroon.
Ook bij mijn werk als regioverslaggever begint deze column me af en toe in de weg te zitten. Gemakzuchtig in het Nederlands beginnen tegen een raadslid van de FNP is er niet meer bij. Want het kan een trouwe abonnee zijn, tenslotte. En toen laatst iemand van Tresoar mij belde, begon hij als volgt: “Ik doch it mar yn it Frysk, want ik haw lêzen datsto by de Afûk in kursus folgest.”
Tsja, breng daar maar eens iets tegenin.
Zo’n interview in het Fries levert me nog genoeg problemen op. Want hoe maak ik dan aantekeningen? In het Nederlands vertaald? Dan kan ik niet meer correct citeren. In het Fries dan maar? Helemaal lastig, want het omwerken van de soms wel erg fonetisch neergekrabbelde woorden is een moeizame taak.
Het grootste nadeel is dat het me tijdens het interview zelf ook meer tijd kost om dingen in het Fries op te schrijven. Tijd die ik zo minder kan besteden aan het snel inhaken op wat er wordt gezegd. In het ergste geval mis ik net de gelegenheid voor die beslissende kritische vraag.
Maar als het goed is, leer ik het op deze manier wel des te sneller. Dus hierbij een waarschuwing van beperkte houdbaarheid: heeft u iets voor mij te verbergen, begin dan in het Fries.
Erik Betten
Boarne: Friesch Dagblad, 03-04-2006
FFU:Leerlijnafspraken zijn wenselijk om de volgende redenen.
- Afspraken over doorlopende leerlijnen moeten een eind maken aan de bekende aansluitingsproblemen, vooral tussen onderbouw en bovenbouw, maar ook bij op- en afstroom van leerlingen.
- Voor de ontwikkeling van de vreemdetalendidactiek, bijvoorbeeld die van vto [‘vreemdetalenonderwijs’, FFU] als flankerend vak bij tweetalig onderwijs, is transparantie van leerdoelen en eindtermen en van ‘tussenstations’ een eerste vereiste.
- Voor de status van het vto binnen het algemeen vormend onderwijs is diezelfde transparantie van essentieel belang. Vakken met vage en polyinterpretabele doelen en eindtermen worden in de strijd om urentoedelingen zowel op school- als op nationaal niveau minder serieus genomen. Van even essentieel belang is dat de leerlingen het vak serieus nemen, en daarvoor moeten de eisen over het hele traject aan leerlingen duidelijk en concreet gemaakt kunnen worden.
Het meest urgent zijn leerlijnen voor woordenschat en grammatica. Daaraan wordt in de vto-praktijk veel tijd besteed en daar valt de meeste efficiëntiewinst te behalen. […]
De overheid vindt het – terecht – belangrijk dat er aan doorlopende leerlijnen gewerkt wordt. Tegelijk slaat de huidige regering zichzelf het belangrijkste instrument uit handen door het beleid van deregulering en autonomie van scholen door te trekken naar kerndoelen en examenprogramma’s. Dat is funest voor de ontwikkeling van schoolvakken. Op dat gebied is helder en consistent langetermijnbeleid gewenst. Dat kan de overheid onmogelijk realiseren als ze verordent dat kerndoelen en examenprogramma’s ‘geglobaliseerd’, dat wil zeggen onspecifieker en polyinterpretabeler worden. Het gevaar bestaat dat in een periode van vrijheid, blijheid misschien wel duizend bloempjes bloeien, maar het vto nog meer zijn richtinggevoel kwijtraakt en als geheel nog verder achterop raakt. […]
In die leerlijnen zit de systematiek die in communicatief vto zo node gemist wordt.
ERIK KWAKERNAAK
Boarne: Kwakernaak, E, ‘Leerlijnen in het vreemdetalenonderwijs’ Yn: Levende Talen tijdschrift, jrg. 7, nû. 1, maart 2006, s. 27-28
Neiskrift FFU:
Op in oar plak (Levende Talen Magazine, jrg. 93/3, april 2006, s. 32-33) jout deselde Kwakernaak in reaksje op it Nederlands activiteitenprogramma moderne vreemde talen fan de minister fan OCW: ‘Op zich zijn kerndoelen en examenprogramma’s hét sturingsmiddel voor het onderwijs in Nederland (bij gebrek aan overheidsbemoeienis met leerplannen en leermiddelen). Maar die zijn nu net ‘geglobaliseerd’ voor de tijd vanaf 2007. […] ‘Het deregulerings- en autonomiebeleid van deze minister stuurt vanaf 2006 c.q. 2007 het vto de markt op met tot nietszeggendheid gereduceerde kerndoelen en examenprogramma’s, een ERK [‘Europees Referentiekader’, FFU] zonder implementatieprogramma en een inspectie die meer op afstand moet gaan staan – een groot risico voor de kwaliteit en continuïteit in de ontwikkeling van het vto.’
Pieter de Groot, ‘Harje’
De Fryske Akademy en het Frysk Histoarysk en Letterkundich Sintrum Tresoar lanceerden vorige week de site www.wumkes.nl, de digitale historische bibliotheek Friesland. Hierop komen zoveel mogelijk standaardwerken te staan over de Friese literatuur- en cultuurgeschiedenis, benevens alle jaargangen van De Vrije Fries, het tijdschrift van het Fries Genootschap. De jaargangen van 1839 tot 1930 staan er allemaal al op.
Dat de site de naam van Wumkes draagt, is een eerbetoon aan de man die van1924 tot 1940 bibliothecaris was en in die functie de instelling, die toen in de Kanselarij was gevestigd, tot grote bloei bracht.
Toen Geert Aeilco Wumkes (1869-1954) zijn benoeming aanvaardde, was hij 55: toen hij afscheid nam, was hij 70. Voor zijn ambtelijke aanstelling had hij al een leven als (rechtzinnig) predikant – het langst in Sneek – achter de rug en had hij meer dan een boekenplank volgeschreven met boeken, brochures en artikelen. Hij zat in allerlei besturen, onder andere van het Fries Genootschap en het mee door hem opgerichte Kristlik Frysk Selskip.
In 1919 waarschuwde zijn hart hem dat dit allemaal te veel werd en moest hij het wat rustiger aan doen. Juist op het moment dat na bijna dertig jaar een vervroegd emeritaat als dominee wenkte, kwam de vacature van bibliothecaris langs, een functie die de ‘âlde bodder’ op het lijf geschreven was. Binnen de kortste keren creëerde hij in de Kanselarij een inspirerend klimaat voor zijn medewerkers en genereerde dit ‘sintrum fan Fryske stúdzje’ een groeiend aantal bezoekers; elk jaar was er een thema-tentoonstelling. Wumkes stond in 1928 mee aan de wieg van de Provinsiale Underwiisried en in 1938 van de Fryske Akademy. Het mocht dan crisistijd zijn, de ‘striid’ voor het Fries verkeerde allesbehalve in een crisis.
Na de oorlog veranderde allengs het karakter van de PB, helemaal nadat het in 1966 van de Kanselarij naar de nieuwbouw aan de Boterhoek was verhuisd en gebruikers vreesden voor ‘ontfriesing’, toen er een directeur ‘van buiten’ werd aangesteld. Voor dat stimulerende centrum voor Friese studie en literatuur moest je voortaan bij het intieme Frysk letterkundich Museum en Dokumintaasjesintrum (FLMD) in de Grote Kerkstraat zijn.
Toen dat drie jaar geleden met PB en Ryksargyf fuseerde tot Tresoar ontstond bij de klandizie weer de angst voor het verlies van de Friese identiteit. Wat een geluk voor haar, dat Douwe de Vries, de directeur van het Ryksargyf, toen geen ‘functioneel leeftijdsontslag’ heeft genomen, maar zich nog even heeft gewaagd aan een tour de force: het ineensmeden van de culturen van de drie instituten, die volkomen verschillend waren.
Dat zal hem nog niet helemaal zijn gelukt, maar zeker is dat hij bruggen heeft geslagen en piketpaaltjes gezet. Hij heeft er van het begin af aan op toegezien dat Tresoar een ‘folslein twatalich ynstitút’ werd, dat zich niet naar binnen keert, maar midden in de gemeenschap staat. Dat bewees hij ook fysiek. Overal waar wat ‘te rêden’ was, dook Douwe op, en in die zin stond hij in de goede Wumkes-traditie. Gisteren hadden zijn medewerker voor een groots afscheid gezorgd.
Het is te hopen dat zijn opvolger in deze traditie verder ‘boddet’ en Tresoar ook zo veel en mooi mogelijk in de etalage zet, ‘Frysk’, maar met een open oog voor de wereld, net als nu met de expositie over ‘Nieuwkomers’.
Jammer alleen dat de prachtige glazen entree straks ontsierd wordt door de ingang van de nieuwe parkeergarage, met zo’n oerlelijk parkeergebouwtje.
Boarne: Leeuwarder Courant, 01-04-2006
FFU: Sjoch ek ‘Aktueel’, 01-04-2006, Douwe de Vries weg als ‘grutboer’ van Tresoar‘Farsk 2005’ (útjouwer Stichting Farsk, Ljouwert, 158 siden, € 10) is in jierboek fol gedichten, ferhalen, skôgings en kollums. Yn in skôging oer de relaasje Fryske literatuer en beweging stelt Abe de Vries fêst dat de eroazje, kealslach en delgong fan it Frysk sa hurd geane, dat hast alle jonge Fryske skriuwers it Nederlânsk better behearskje as har eigen taal: “Hoefolle begjinnende skriuwers, mei trochstreeks in lytse lêsûnderfining, in beheind fokabulêr en te min grammatikale kennis, sille it harsels yn ’e takomst noch dreech meitsje wolle mei in kar foar it Frysk?”
Neiskrift FFU:Nu ik na jaren van intellectuele luiheid weer een cursus volg, word ik teruggeworpen in een situatie die ik voorgoed achter me waande. Zo ligt er vanzelfsprekend elke week een flinke portie huiswerk klaar.
De eerste lessen ging ik die met frisse moed te lijf, maar afgelopen keer was het er niet van gekomen. Kan gebeuren. Maar in plaats van mijn verzuim eerlijk op te biechten bij juf Martsje, betrapte ik mezelf op een oude reflex.
Juf Martsje is namelijk een docente van het type overhoren-op-volgorde, en maakt het de gemakzuchtige student daardoor niet erg lastig. Wanneer een lotgenoot drie plaatsen verder “slikje docht men mei de …” beantwoordt, dan is op regel vier de zin “kôgje docht men mei de …” logischerwijs voor mij. Een makje, maar tegelijk schrok ik er wat van hoe eenvoudig ik terugviel in een zeker twintig jaar oud patroon.
Ook in andere opzichten beleef ik ervaringen die beperkt waren gebleven tot de eerste helft van mijn leven. Voor de klas iets op het bord schrijven bijvoorbeeld, of hardop een stuk tekst voorlezen. Geen didactisch middel wordt geschuwd bij de Afûk, en ik moet toegeven, stuk voor stuk hebben die hun nut.
We ondergaan het daarom allemaal braaf, maar de vorige les leek de maat vol toen juf Martsje een stapel liedjes tevoorschijn trok. Dát niet, dacht ik, en met mij nog meer cursisten, maar toch ging de stapel kopietjes rond.
Met wisselend enthousiasme zetten we Myn Berber is fier oer it wetter in. Alleen het idee dat we onze gêne collectief deelden, maakte het zingen draaglijk. Maar toen we aan het couplet O beanhearre blaas oer it wetter begonnen, waren sommige cursisten al uit volle borst bezig. En bij het bezingen hoe ús Berber toch nog te stee kwam, klonk het alsof de groep er aardigheid in had gekregen. Maar goed ook, want er staan no zes andere liedjes op ons blaadje.
Erik Betten
Boarne: Friesch Dagblad, 20-03-2006
Betten is ferslachjouwer by it Friesch Dagblad; sjoch foar in ferwizing nei syn ûnderfinings op in kursus Frysk foar net-Frysktaligen (Afûk) ûnder Poadium (06-03-2006): Hakketakje, Taalstrijd en Friese les (Wytboek).Zum ersten Mal gab die deutsche Post eine friesische Briefmarke heraus. Anlass war das 5-jährige Jubiläum des Friesenrates Zu den kulturhistorischen Hintergründen verfasste das Nordfriisk Instiuut für das Bundesfinanzministerium den folgenden Text ….
Sjoch ek: Aktueel (11-02-2006) Friese Raad en (31-01-2006) Friesenrat (Fryske Ried) op Duitse zegel.It giet net goed mei it Frysk. Dat kinne we alle dagen om ús hinne hearre. By in flink part fan de jeugd slacht it Hollânsk foar master op. En dy’t it Frysk fan hûs út al meikrije, doarre it op skoalle of op ’e dyk amper te brûken. Fansels binne der ek positive saken te melden, lykas it projekt ‘gemeenten en Frysk’ en ‘Studio F’, de nije metoade Frysk foar basisskoallen mei radio- en televyzjeprogramma’s. Mar wolle we it Frysk foar de kommende generaasjes behâlde, dan is it saak der no boppe-op te springen.
De FNP is 44 jier ferlyn oprjochte as reaksje op it tanimmende sintralisme yn Nederlân. Wy woene mear eigen foech om foar de belangen fan Fryslân en it Frysk op te kommen. Ik haw de yndruk dat it Frysk by de FNP net mear dy posysje ynnimt, dêr’t it neffens my rjocht op hat. It is net genôch om it Frysk allinnich mar te brûken. En sels dat bart hieltyd minder: Hollânske FNP-stikjes yn streekkranten en op weblogs en stikken Hollânsk yn FNP-ferkiezingsprogramma’s (en dan haw ik it net oer in koarte gearfetting). As ik de ferkiezings-Frijbûtser lês, sjoch ik mar twa ôfdielings dy’t yn har spearpunten omtinken oan de Fryske taal jouwe: Smellingerlân (fergeze kursus Frysk foar nije ynwenners) en Nijefurd (behâld fan Fryske taal, kultuer en sporten). By de sân FNP-wearden foarop dyselde Frijbûtser stiet ‘taal en kultuer’ ûnderoan en wurdt it respektearjen en wurdearjen fan de ferskillen yn taal en kultuer yn Fryslân pleatst boppe de takomst fan de Fryske taal en kultuer as mienskiplike neilittenskip.
It is krekt as meie we der net mear iepenlik foar útkomme dat it Frysk ús nei oan it hert leit. Wêrom net? Benaud dat we yntolerant lykje? Dat it ús stimmen kostje sil? FNP-Skarsterlân skriuwt der yn de Jouster Krante dit oer: Ast in taal behâlde wolst, dan moat er wol brûkt wurde. Dêrom brûkt de FNP safolle mooglik it Frysk. Dat is net altyd in foardiel foar de FNP. En fierderop: De FNP hat der alle fertrouwen yn dat stadichoan mear Friezen it krekt wurdearje dat de FNP it Frysk brûkt en dat der net folle minsken binne dy’t om dy reden de FNP net stimme wolle. En sa is it fansels. As der ien partij noed foar it Frysk stean moat, is it de FNP. We ha der wer fjouwer sitten by. Geweldich! Dy nije ploech riedsleden en wethâlders, mar ek de oare FNP’ers, moatte stride foar in better plak fan it Frysk. Rûnom, yn gemeenterieden, yn skoalbestjoeren, yn doarpsbelangen en yn partijprogramma’s. FNP’ers moatte Frysk prate en Frysk skriuwe oer alle ûnderwerpen en wearden dy’t fan belang binne foar Fryslân en al syn ynwenners, autochtoanen en allochtoanen, Frysktaligen en oarstaligen. Wa’t himsels weismyt, wurdt fan in oar net opkrigen.
Nynke Beetstra
Boarne: Frijbûtser, nû. 371, maart 2006, s. 3 [ynstjoerd stik]
Neiskrift FFU:Ik ha Rindert Straatsma kinnen leard om 1950 hinne, tsjin de ein fan myn eigen stúdzjetiid oan de Universiteit fan Amsterdam. Ik hearde by de generaasje fan nei de oarloch, dy’t behearske waard fan literêre figueren lykas Marten Brouwer, Sybe Sybesma en Hessel Miedema, Lykas ús foargongers, Anne Wadman, Germ Visser en oaren, wiene wy lid fan it Frysk studinteselskip Cygnus Resurgens. Dat selskip bestie noch hielendal net, doe’t Obe Postma en syn maten om 1890 hinne oan de UVA studearren.
De generaasje fan Rindert Straatsma (en Minne Dykstra en oaren), dy’t op ús folge, hie in minder literêre ynslach. Dat it lei yn ’e reden dat Rindert, doe’t er letter yn Fryslân weromkaam, him dúdlik manifestearre as Fryske beweger. Yn dy perioade binne Rindert en ik elkoar wer tsjinkommen; it heucht my noch dat ik him doe frege ha om foarsitter fan de Bewegingsried te wurden. Yn datsoarte funksjes hat Rindert in hiel soad út ’e wei setten, ek al is dat net elkenien sa opfallen. Hoe’t dat ek wêze mei, as Fryske beweger hat Rindert syn paad foargoed skjinmakke, en dat hy by syn ferstjerren as Frysk strider karakterisearre waard, is net tafallich. Dy karakteristyk wie doe al net sa ‘modern’ mear. De Fryske striders fan alear nimme no al sa leaf frijbliuwender en iroanysker nammen foar kar. De minsken mochten ris miene kinne dat it jin tinken wie mei it skrippen foar Fryslân en it Frysk. Hoe’t dat ek wêze mei, by Rindert past de nammen strider sûnder babbelegûchjes en útflechten a sa goed. Net dat er in man wie fan striidroppen en slogans, hy wie in rêstige argumintearder en naam net syn taflecht ta maklike retoryk. Dat wurke yn de diskusje net altyd yn syn foardiel. Retoryk wurket – yn Fryslân – en net allinnich dêr – no ienris gauris oertsjûgjender as reële argumintaasje. Op sa’n manier bleau der yn prinsipe in basis foar in reëel petear oer, ek al wie it gefolch fan syn rêstige argumintaasje en syn taai fêsthâlden dan ek gauris in bêste poarsje ympopulariteit. Mar foar Rindert wie de saak sels belangryk genôch om de tsjinstân der op ta te nimmen. En oer tsjinstân yn de eigen Fryske rûnte hat er net te kleien hân. Hy hie – om mei Jo Smit te sprekken – ‘een benijdenswaardig aantal vijanden’. Tsjin dy eftergûn hat it my goed dien dat der safolle minsken by syn kremaasje wiene. Yn de dingen fan de Fryske Beweging wie Rindert Straatsma taai en wist er fan úthâlden. Ek mei syn sûnens hie er, benammen de lêste jierren, in swiere sile te lûken. Ek yn dat opsicht hat er it net fergees krige.
It wurk fan Rindert foar it Frysk is wolris ûnderskatten. It gie ornaris om de ynfrastruktuer, de basis fan it Frysk, en dat is belangryk en ûnmisber, mar it bylket net sa. Oar wurk, mear oan de wei timmerjend en populêrder, liket al gau wichtiger en moaier. Mar as wy op in belied oan wolle foar de takomst fan it Frysk, dan sille wy ús ôffreegje moatte oft sok populêrder en makliker wurk wol stân hâlde of sels ta stân komme kin sûnder it drege wurk oan de basis. It iene kin net sûnder it oare en wy meie tankber wêze foar it drege wrotten fan Rindert Straatsma en oaren.
De taaiens fan Rindert en Klaske die ek bliken út de reboelje om de Fryske trou-akte hinne yn 1968. Sûnder in opsetsin organisearre aksje ûntstie troch de sitewaasjes in hiele rel om har wegering om de Hollânske trou-akte te tekenjen Yn 1997 waard it lang om let mooglik om in Fryske trou-akte (dûbeltalich) te krijen. Sa swier kealle it mei allerhanne lytse konsessys oangeande it Frysk yn it offisjele ferkear.
In oar punt.
Nettsjinsteande de ferplichting ta Frysk ûnderwiis is it Frysk yn it ûnderwiis de lêste jierren earder efterútbuorke as foarút. It is dúdlik dat ek wat it ûnderwiis oangiet, de ynfrastruktuer fan it Frysk net út himsels yn stân bliuwt. De Friezen sille dêr sels wer efteroan moatte, lykas Straatsma dat jierrenlang dien hat.
Tony Feitsma
Boarne: de Moanne, nû. 2, maart 2006, s. 26
***
Maart 2006, Rindert Straatsma ferstoarn
Freed 27 jannewaris is nei drege lêste jierren Rindert Straatsma ferstoarn, yn ’e âldens fan 69 jier. Syn libben stie yn it teken fan it befoarderjen fan de Fryske taal. Hy hat goed 25 jier behelle west by de Afûk. Yn dy fearnsieu hat er him tige ynsetten foar de Afûk en de organisaasje in gesicht jûn. De earste jierren, fan 1966 ôf, die er as earste betelle krêft wurk foar de Afûk as provinsjaal amtner fan it Buro Taalbefoardering fan de Underwiisried en fan 1972 oant septimber 1990 wie er direkteur fan de Afûk.
De Afûk hie yn de sechstiger jierren noch gjin eigen húsfesting en it wurk waard dien troch allinnich frijwilligers. Yn dy tiid hie de Afûk foar it útfierende wurk mei oaren in plakje op de souder by de Fryske Akademy. Fan de oprjochting ôf wie de Afûk allinne in kursusynstitút. Yn Straatsma syn tiid waarden yn de santiger jierren de aktiviteiten útwreide mei in boekwinkel en in útjouwerij. Oan de Oksekop krige de Afûk yn 1971 foar it earst syn eigen húsfesting. Troch de útwreiding fan de wurksumheden naam de Afûk yn 1970 ek syn earste offisjele betelle krêft yn tsjinst. Dy fersoarge de administraasje (Straatsma stie doe noch op ’e leanlist by de provinsje).
Doe’t de Afûk yn 1972 in selsstannige stifting waard, waard Straatsma offisjeel direkteur. Yn dy tiid groeide it tal kursisten yn rap tempo, benammen troch it tanimmen fan it tal net-Frysktaligen. It tal kursisten tusken ’75 en ’80 groeide fan 500 nei 1200 jiers. Ein santiger jierren kaam der ynienen ferlet fan learmiddels foar it ûnderwiis en fan mear berneboeken, om’t mei yngong fan 1980 it fak Frysk ferplichte waard yn it leger ûnderwiis. De útjouwerij-aktiviteiten fan de Afûk waarden sadwaande hieltiten grutter. Bekend wiene yn dy tiid Straatsma syn jierlikse reizen nei de Frankfurter Buchmesse om berneboeken út te sykjen dy’t yn de foarm fan koproduksjes útjûn wurde kinne soene. Yn dy tiid, mids santiger jierren en begjin tachtiger jierren, waard it personiel útwreide mei taalkundigen, administrative meiwurkers en winkelpersoniel. Doe groeide de Afûk yn ferhâlding dan ek it meast. De húsfesting fan de Oksekop waard [...] yn 1981 ynruile foar de Kanaalstrjitte,
Tusken 1989 en 1992 wie Straatsma noch einredakteur fan De Pompeblêden, as opfolger fan Hindrik de Boer, dy’t mei pensjoen gie. Yn 1992 naam er ôfskie fan ’e Afûk. Dêrnei hat er noch in skoft yn de Advysried fan de Afûk sitten en de redaksje fan De Pompeblêden noch gauris bydragen stjoerd dy’t gaadlik wiene foar de rubryk ‘Op it aljemint’.
Redaksje De Pompeblêden
Boarne: De Pompeblêden, jrg. 77, nû. 1, maart 2006 [it grutste part fan it ‘yn memoriam’ is oernommen]
***
Maart 2006, Ta neitins oan Rindert Straatsma (1937-2006)
Op 1 febrewaris ha we ôfskie naam fan Rindert Straatsma, dy’t syn libben yn tsjinst steld hat fan Fryslân en syn minsken. We betinke him mei de wurden fan ‘It liet’ fan Obe Postma.
It is gjin ryk en strieljend liet,
Gjin heechste bloei fan jonge macht;
’t Nimt gjin oerdwealske fliten mei
En is net wêr’t it wrâldtij slacht.
Mar it is Fryslân, sa’t it leit,
Dêr tusken sân en see; in hert,
Dat Fryslân skoep, syn wêzen joech
En freugdegong dy’t net ferstjert.
Sa kin it wêze, dat nei kear
En slach, as mannich ding fergong,
Noch trillet eat dat Fryslân is,
Sa’t it yn dizze siele song.
Ut namme fan de FNP, Cees van der Meulen
Boarne: Frijbûtser, nû. 371, maart 2006, s. 3
Robert Anker, Hollânsktalich skriuwer fan de roman ‘Hajar en Daan’ (dy’t op in multykulturele skoalle spilet) en dichter, wie oant foar koart learaar op in middelbere skoalle. Hy skriuwt yn de NRC dat de learaar de drege taak hat om de learlingen te ferheffen. Dat hâldt ek yn dat er boeken ‘iepenje’ moat dy’t net foar harren skreaun binne. As soks fersomme wurdt, dan ûntkeart men de learling in saak fan belang: it yn ’e kunde kommen mei it ûnbekende, mei in ûnbekend eachweid op in bekende wrâld, mei ûnbekende opfettings en in ûnbekend hâlden en dragen en mei in ûnbekende wize fan omgean mei de taal. En net yn it lêste plak: it ûnderfinen fan in ûnbekende estetyske sensaasje.
As it in learaar slagget en lit in stikmannich fan syn learlingen dat ‘ûnderfine’, dan kin der wierliken praat wurde fan ‘ferdjipping’, fan groei en it ferlizzen fan grinzen, fan in goede begelieding by en it stjoeren fan de ûntjouwing fan in eigen ‘sels’, fan it oanfielen fan oare minsken, fan it sterker meitsjen fan it gefoel foar ûnbekende estetyske gewaarwurdings. Der moat net tefolle seurd wurde oer it fertelperspektyf of oer algemienheden as ít tema, mar der moat bygelyks besocht wurde om each te krijen foar de wurking fan in einpassaazje mei, ynienen, frjemde poëtyske wurden en lange meänderjende folsinnen, of foar it eigenaardige gedrach fan in personaazje, of foar de superieure irony fan dàt wurd op dàt plak.
Dat is allegearre hiel wat oars as learlingen lestich te fallen mei wat harren fan in boek tinkt, want dat komt ornaris net folle fierder as ‘wol aardich, ‘wol wat tryst’, of ‘strontferfelend’. It docht der yn ’e earste opslach net ta wat se ‘fine’, it giet om it oanbringen fan in gefoel foar kwaliteit, nèt om harren smaakûntwikkeling (dy’t dêr nammers wol automatysk in gefolch fan is). It giet nèt om it sintraal stellen fan de eigen fyzje fan de learling op it literêre wurk en syn wurdearring dêrfoar, sa’t in ynlieding fan in stúdzjehûsmetoade foar literatuer hawwe wol. De didaktisy fan it ‘stúdzjehûs’ binne bang dat de learlingen it lêzen net ‘leuk’ fine sille. Se tinke dat lêsnocht it doel is fan it literatuerûnderwiis.
Anker bestriidt dat fûl. It doel fan it wiskunde-ûnderwiis is ek net it oanlearen fan ‘wiskundenocht’. It doel fan it literatuerûnderwiis is neffens Anker twaliddich:
a. it yn ’e kunde kommen mei weardefolle literatuer fan hjoed de dei en fan earder tiden (wêrby’t de literatuerskiednis in wichtige rol spilet) en
b. it iepenlizzen fan it ferskynsel ‘literatuer’ op himsels; en dat kin men ferdjipping neame.
Dat is net it soarte ‘ferdjipping’ dat de betinkers fan it ‘nije learen’ en de makkers fan it ‘stúdzjehûs’ foar eagen stiet. Soks komt yn har praktyk almeast del op it gearstallen fan wiidweidige lêsferslaggen dy’t net selden yntegraal fan it ynternet helle wurde. En op it sûnder fierder neitinken oernimmen fan it oardiel fan oaren, dy’t dan foar de ‘eigen fyzje’ trochgean moat. Sels it tal boeken dat lêzen wurde moat, is oan in limyt bûn, fanwegens de ‘stúzjelêstoeren’.
Boarne: Robert Anker, NRC Handelsblad (‘Opinie & Debat’), 18/19-03-2006 [part fan it artikel]
Neiskrift FFU:
Anker syn krityk op party diskutabele praktiken fan it ‘stúdzjehûs’ past folslein yn de kultuerpedagogyske fyzje, dy’t wy yn de FFU ek foar de Fryske taal en kultuer foarsteane en bepleitsje. It ‘nije learen’ liedt ommers ornaris ta ‘Steeds minder leren’ (dat is de titel fan in troch ús oanrikkemandearre bondel ‘essays’ oer ‘De tragedie van de onderwijshervormingen’, M.A.L. Rietdijk-Helmer (red.), Utrecht: IJzer, 2005).
Klik hjir it hiele Hollânsktalige artikel fan Anker oan.
Sjoch ek de krityske kultuerpedagogyske artikels fan Jan Dirk Imelman oer it ‘nije learen’, dy’t ûnder Poadium (18-02-2006) oan te klikken binne: Modieuze ideeën over leren ‘ongefundeerd’. En sjoch dêrnei ek ús winsken foar in Fryske kanon, te finen ûnder Aktueel (25/26-02-2006), Canon moet lange weg afleggen (dêr kinne ûnderskate oanklikmooglikheden jo fierder helpe en ynliede).[…] Zolang de discussie over het Fries museum gaat over winnen en verliezen, zal het proces leiden tot meer schade en uiteindelijk weinig opleveren voor de Friese cultuur. Om uit de impasse te komen, zal vernieuwend moeten worden gedacht. Hiertoe doe ik een aanzet.
De kennis van cultuurhistorie en de beheersing van de Friese taal is bij kinderen in Friesland beneden (wettelijk) peil. Ik stel voor aan de Tweebaksmarkt een multimediaal educatief centrum voor cultuur, historie en taal te stichten, waar kinderen gedurende een aantal weken thuis raken in de Friese taal en cultuurhistorie. Niet eng nationalistisch, met een open venster naar de wereld en rekening houdend met de verschillen in achtergrond van de bezoekers.
Het onderwijs in de Fries taal en cultuur in de basisscholen, toch onder de maat, kan (ten dele) komen te vervallen. Docenten kunnen in plaats daarvan les geven in het centrum, hetgeen ze als een sabbatical zullen ervaren. Geld en menskracht van meerdere provinciaal gefinancierde organisaties die zich bezig houden met taal en cultuur in het onderwijs, kunnen in het centrum gericht worden ingezet. Bovendien zal een stroom smakelijke vertellers, nijvere tentoonstellingsbouwers, gepassioneerde taalhulpen en andere vrijwilligers te mobiliseren
zijn.
Friese taal en cultuur zullen niet langer een randverschijnsel zijn in een dagelijkse lespraktijk, Friese taal en cultuur wordt een topervaring voor kinderen. Aan de Tweebaksmarkt ontstaat kennis die kan worden vermarkt naar andere Europese regio’s. […]
Oeds Westerhof,
manager cultuuradvies bij BMC
Begin november 2005 kwamen leraren Fries uit Nederland en Duitsland bijeen om ervaringen uit de wisselen. De ontmoeting tussen docenten uit Nordfriesland (Schleswig-Holstein), Saterland (Niedersachsen) en de provincie Fryslân vond plaats in Ramsloh. Het gaat om drie varianten van het Fries die in Duitsland en Nederland gesproken worden en een plaats hebben in het onderwijs. De kleinste van de drie minderheidstalen is het Sealtersk (Saterfriesisch) dat in de dorpen in Saterland, waaronder Ramsloh, gesproken wordt. Het Noordfries (Frasch), dat een aantal verschillende dialecten kent, wordt gesproken aan de westkust van Schleswig-Holstein en op de eilanden in de Duitse bocht.
De vertegenwoordigers uit ‘Noord-, Oost- en West-Friesland’ hebben geprobeerd twee dagen in hun eigen taal met elkaar te communiceren, maar dat is niet eens zo eenvoudig. Duits is als lingua franca onontbeerlijk.
Het programma, dat was samengesteld door het Institut für Qualitätsentwicklung an Schulen (IQHS), bevatte onderwerpen als didactische vernieuwing, ervaring met de regionale taal als instructietaal bij andere vakken (o.a. wiskunde), presentatie van nieuw lesmateriaal, taalbevorderende activiteiten buiten het curriculum en het versterken van de onderlinge contacten. Al zijn de aantallen Friestaligen in de drie gebieden heel verschillend, toch is de problematiek van het onderwijs in een minderheidstaal steeds dezelfde: de grote taal is dominant aanwezig en de kleine taal heeft meer steun en aandacht nodig.
Verhelderend was de observatie van een Friese les aan de Grundschule van Sedelsberg. Als het gaat om effectieve overdracht van taal en cultuur, dan blijkt traditionele didactiek z’n waarde beslist niet verloren te hebben. Daarnaast kan worden vastgesteld dat ook voor de minderheidstalen de mogelijkheden van ICT toenemen. Voor Frasch zijn er voor het onderwijs nieuwe vormen ontwikkeld in het programma Hot Potatoes, vergelijkbaar met Digifrysk en Farifrysk op internet. Op de studiebijeenkomst is ook het eerste programma van Studio-F gepresenteerd: de nieuwe methode voor Fries in het basisonderwijs in samenwerking met de schooltelevisieprogramma’s van Omrop Fryslân.
Er was bovendien tijd ingeruimd voor enkele excursies. Omdat Saterland een veengebied is, zijn er veel historisch-landschappelijke overeenkomsten te zien met het zuidoosten van onze provincie Fryslân.
Ed Knotter
Boarne: Levende Talen Magazine, jrg. 93/2, maart 2006, p. 42
In wiidweidiger ferslach is hjirûnder oan te klikken en ek te finen op:
Poadium, 10-11-2005, Ynterfryske leararemoeting yn SealterlânDe Afûk doet prachtig werk bij het verbreiden van het Fries. De liefde voor de taal merk ik als cursist aan alles, maar op één punt is het juist de liefde die ik mis. Ik doel op de harkteksten. Gelukkig weet ik beter, maar voor wie nieuw is in Fryslân, wekken deze luisterteksten de indruk dat relaties in onze provincie gedoemd zijn te mislukken.
Neem nou het eerste stel dat de argeloze cursist tegenkomt op zijn Afûk-cd. Man en vrouw gaan op vakantie, maar nog voor vertrek vliegen ze elkaar in de haren over de bagage (het hoofdstik ‘kleding’). ‘Hij’ pleit voor een bescheiden koffer, ‘zij’ voorziet koude nachten, regen, en chique avondjes uit en pakt ruim in. Met gemopper over het aanstaande gesjouw als gevolg.
Antsje en Sytse vormen het tweede koppel op de cd. Sytse heeft zich op zijn duim geslagen met een hamer en komt binnen met alderheislikste pijn (het hoofdstuk ‘lichaamsdelen’). Vervolgens ontspint zich een dialoog waarbij Sytse zich afreageert op Antsje, die op haar beurt maar blijft eameljen. Ook hier de indruk van een voortdurende staat van wederzijdse irritatie, zonder dat er ooit iets wordt uitgepraat.
En dan te bedenken dat veel niet-Friese cursisten op les zijn gegaan, omdat ze een relatie hebben met een Fries! Hoe zoiets uit de hand kan lopen, blijkt uit een volgende scène. Hinke komt bij de dokter. Al gauw blijken haar pineholle en pinemage niet op zichzelf te staan. Haar moeder is stervende, maar haar man is nog te beroerd om een keertje op de kinderen te passen. Hij heeft het heel druk met zijn werk, zegt Hinke.
Afûk, ik weet dat nieuwe luisterteksten duur zijn, maar hier staan relaties op het spel! Als een nieuwe cd maken te ingewikkeld is, plak dan tenminste een sticker op de hoed met de waarschuwingstekst: dizze cd kin skealik wêze foar jo relaasje.
Erik Betten
Betten is verslaggever bij het Friesch Dagblad. Hij doet verslag van zijn Afûk-ervaringen.
Boarne: Friesch Dagblad, 06-03-2006, s. 5
De Partij voor het Noorden hat de wittenskipswinkel yn Grins frege om ûndersyk te dwaan nei it ferbân tusken ekonomy en kultuer. De útkomst dêrfan befêstiget dat de kultuer yn in regio bydraacht ta ekonomyske groei. Marjolein Roo hat dêr in Hollânsktalich artikel oer skreaun yn Locomotie 28 (febr. 2006), in blêd fan de Onafhankelijke Senaatsfractie (OSF).
Klik hjir om dat nijsgjirrige artikel te iepenjen.In juni 2005 werd het gebruik van regionale talen in EU-organen goedgekeurd door de Raad van Ministers. Eind 2005 was het dan ook voor het eerst mogelijk met regionale talen inbreng te leveren in de plenaire zitting van het Comité van de Regio’s.
Dit kost natuurlijk wel veel geld (tolken!). In ieder geval is door de Raad van Ministers besloten dat de kosten van het gebruik van een regionale taal in de EU-vergaderingen door de lidstaat moeten worden gedragen. Het tijdschrift provincies.nl stelt dat “het onbekend is wat Zalm ervoor over heeft om het Fries in de vergaderzalen van de Europese Unie te laten klinken” (provincies.nl, nr. 10). Dit is dus een Europese aangelegenheid die bij de rijksoverheid bepleit moet worden.
De Partij voor het Noorden pleit ervoor dat gemeenten en provincies er bij het rijk op aandringen dat ook de andere noordelijke streektalen verdere erkenning krijgen.
Boarne: Nieuwsbrief 40 van de Partij voor het Noorden, 28-02-2006, s. 3Het Partij voor het Noorden-lid Sabrina Jessen, docent aan de Realschule in Weener (in het Rheiderland), heeft onderzoek gedaan naar lesmethodes over regionale identiteit. Regionale identiteit speelt voor veel mensen, onbewust, een belangrijke rol. In het Rheiderland bijvoorbeeld, spreekt verreweg het grootste deel van de bevolking (ook de jongeren) Ostfries-plat. Deze streektaal lijkt veel op het Gronings en eigenlijk weinig op Hoogduits. Dit sterke Ostfriese ‘regiogevoel’ kan jongeren houvast in hun leven geven, vindt Jessen.
Jessen beschrijft in een afstudeerscriptie die ze voor haar lerarenopleiding schreef, een serie lessen die ze bij het vak Duits in haar klas (vergelijkbaar met derde jaar HAVO) doorvoerde. Leerlingen moesten een enquête houden onder mensen uit hun omgeving, waarin vragen stonden in relatie tot de Ostfriese identiteit. Door verschillende leeftijdgroepen en [de vraag] of mensen zich wel of niet Ostfries voelden, tegen elkaar af te zetten, konden de leerlingen identiteitsgevoelens in grafieken uitdrukken.
“Het onderzoeken van meningen van anderen over hun identiteit, provoceert jongeren een eigen mening over de waarden van hun regio te ontwikkelen. Het is belangrijk dat jongeren zich met hun woongebied kunnen identificeren en zich binnen een overzichtelijke regio kunnen oriënteren; vooral in deze tijd waarin wereldproblematiek alom tegenwoordig is. Ze moeten later immers de verantwoordelijkheid over hun regio willen dragen. Een regionale taal kan daar sterk bij helpen. Daarom moeten regionale waarde en talen op school onderwezen worden”, betoogt Jessen.
Boarne: Nieuwsbrief 40 van de Partij voor het Noorden, 28-02-2006, s. 5Iedereen voelt iets bij zijn taal, en iedereen heeft er ook een duidelijke mening over. Dat dit ook voor Friezen geldt, werd mij wel duidelijk toen we voor aanvang van mijn derde les Fries bij de Afûk ervaringen uitwisselden over onze coming-out (útkomst?) als aspirant-Friezen.
Sommige cursisten hadden al het lef gehad de cd met harkteksten af te spelen terwijl hun Friestalige partner erbij was. Vragen om moeilijkheden natuurlijk. Want hoe veel je partner ook van je houdt, er komt een punt waarop hij of zij het lachen echt niet meer kan inhouden. Zeker als je daarbij hypercorrecte woorden als treppot en diggelguod gaat gebruiken.
Maar onze aarzelende schreden richting Friestaligheid waren niet overal een bron van hilariteit. Zo ontstond in één thuissituatie een scherpe discussie over de uitspraak van moandeitemoarn. Is het nou man-dje of man-di? Het is allebei goed, zei juf Martsje, maar in het Algemeen Beschaafd Fries dat wij leren, doen we toch liever mandi. Een mooi compromis, maar toch vermoed ik dat de discussie thuis daarmee niet is afgesloten.
De prijs voor de moedigste start gaat naar Roy. Als Zuid-Hollander is hij een paar werken geleden aan het werk gegaan in Nij Smellinghe, en daar duidelijk voor de leeuwen geworpen. Zijn collega’s doen alles in het Fries, en hebben hem bestookt met gezochte curiosa als túchslobberding (stofzuiger), útnaaibultsje (vluchtheuvel) en omtoffelhinnen (scharrelkippen). Maar Roy houdt zich staande en durft te proberen. Met succes, want hij klinkt met de week Friezer.
De les bleek ook goed voor een met terugwerkende kracht gerealiseerde blunder. Zo verbleekte medecursist Wieb bij de mededeling dat rinne niet rennen, maar gewoon lopen betekent. Met enige aarzeling herhaalde hij een korte dialoog die hij met een oude man op een bankje had gevoerd. Op zijn “ik kin net mear rinne” had hij vergoelijkend geantwoord: “maar dat hoeft toch ook niet meer op uw leeftijd.”
Erik Betten,
is verslaggever bij het Friesch Dagblad. Hij doet verslag van zijn Afûk-ervaringen.
Boarne: Friesch Dagblad, 20-02-2006, s. 5
FFU: Sjoch ek it earste krantestikje fan Betten yn ús Wytboek, 07-02-2006, Friese les.Taal overkomt het kind
Het leren van twee moedertalen is voor een kind geen enkel probleem. Bij de ontwikkeling van de hersenen is er best ruimte voor twee aparte taalssystemen. Het is verbazingwekkend om te zien dat een kind dat thuis Fries leert en op school Nederlands, zeer flexibel is in de omschakeling, schrijft spraakpatholoog Sieneke Goorhuis-Brouwer.
Ongecompliceerd
Voor kinderen is het heel goed mogelijk om twee moedertalen te leren. De hersenen van jonge kinderen, kinderen in de leeftijd van nul tot zeven jaar, zijn zo open voor het opslaan van informatie, dat het niet uitmaakt of er één of twee taalsystemen in de basis worden opgebouwd. Er zijn hersencellen genoeg en in deze periode kunnen hersencellen net zoveel verbindingen aangaan als door stimulatie vanuit de omgeving mogelijk wordt gemaakt. De enige voorwaarde voor een ongecompliceerde tweetalige opvoeding is, dat de beide talen voor het kind duidelijk onderscheiden zijn door personen of situaties.
Het is bijvoorbeeld heel goed mogelijk dat een kind van zijn moeder de ene taal leert en van zijn vader de andere taal. Voor de kinderen wordt het dan vanzelfsprekend dat met vader bijvoorbeeld Engels wordt gesproken en met de moeder Nederlands. Ook is het mogelijk dat thuis de ene taal wordt gesproken, bijvoorbeeld Fries, en op de (voor)school de andere taal, het Nederlands. Beide talen worden in de dagelijkse omgang spelenderwijs, naast elkaar geleerd. Het is altijd weer verrassend om te merken hoe goed kinderen, die op deze manier worden opgevoed, kunnen omzwaaien van de ene naar de andere taal, al naar gelang degene met wie ze in gesprek zijn. Jonge kinderen waait de taal aan, als ze die maar veel te horen krijgen. Niet gaan praten in de taal of de talen die worden aangeboden, is voor kleine kinderen even moeilijk als niet gaan lopen.
Taal wordt niet geleerd, taal overkomt kinderen. Ook tweetaligheid, als er maar vroeg mee wordt begonnen.
Prof. dr. Sieneke Goorhuis-Brouwer is als orthopedagoog en spraakpatholoog verbonden aan het UMCG in Groningen.
Boarne: Friesch Dagblad (‘Sneinspetiele’), 18-02-2006, s. 15Ta gelegenheid fan it ôfskie (prepinsjoen) fan Sytze T. Hiemstra (1943; FFU-skriuwer) as learaar en systeembegelieder fan Skoalle Lyndensteyn is in miny-sympoasium organisearre dêr’t dr. Jaap van der Bij in ynlieding holden hat oer ‘It ferburgen learplan en it Frysk’, de âld-heechlearaar dr. Jan Dirk Imelman oer ‘Scholenschemering’ (de betsjutting fan it learplan en de gefolgen fan it ‘nije learen’) en drs. Sytze T. Hiemstra oer syn hichte- en djiptepunten by de ûntwikkeling fan Skoalle Lyndensteyn (mytylûnderwiis) ta in twatalige skoalle.
School is nog te Hollands
Te veel leerkrachten laten hun Friese identiteit buiten de schooldeur
Beetsterzwaag - Tweetalig onderwijs blijft een ondergeschoven kindje. Nog steeds bestaat op (basis)scholen het ‘verborgen leerplan’ dat daar - net als in de kerk - geen Fries gesproken hoort te worden. Docententeams moeten zich bewust worden van dit mechanisme en een actief taalbeleid uitstippelen en uitvoeren.
Dat zei J. van der Bij, voorzitter van de Ried fan de Fryske Beweging gisteren op een minisymposium over (tweetalig) onderwijs in Beetsterzwaag.
Het ‘verborgen leerplan’ wordt gevormd door ‘de pedagogisch-didactische conventies en mechanismen die stilzwijgend op scholen opgeld doen’. Dat veelal historisch bepaalde ‘leerplan’, dat dus niet op schrift staat, is geen onderwerp van discussie onder de docenten. Zij zijn zich er vaak niet eens van bewust. De hedendaagse positie van het Fries in het basisonderwijs is ook het gevolg van zo’n verborgen leerplan. Van der Bij: “Der hat oan it begjin fan de njoggentsjinde ieu in tiid west dat it Frysk min of mear bewust de skoalle útwurke is.”
De school heeft zich een gewoonte aangemeten waarover niet meer nagedacht wordt, aldus Van der Bij. “Yn skoalle prate jo Hollânsk krekt as yn de tsjerke.”
Nog niet zo lang geleden behoorde het tot de beroepshouding van de leerkracht dat hij zijn Friese taalidentiteit aflegde zodra hij de school binnenliep. Tegenwoordig is dit lang niet altijd meer het geval, maar het ‘verborgen leerplan’ treft Van der Bij nog op vele scholen aan. “Direksje en leararen moatte har earst bewust wurde hokfoar taalregels oft der yn de skoalle bewust of ûnbewust libje. Soks kin allinne mar troch as stêf fan de skoalle mei elkoar yn petear te gean oer it taalgedrach yn de skoalle en hoe’t dat te feroarjen is.”
Het ombuigen van een verborgen leerplan is geen sinecure, weet Van der Bij. Het hele ‘circus’ van beroepspedagogen, onderwijskundigen en leerkrachten houdt zijn eigen systeem in stand, om het eigen wereldje niet in te laten storten. Neem het nieuwste idee om tweejarige peuters op hun taalontwikkeling te toetsen: “Bern fan twa jier moatte ûndersocht wurde op taalefterstannen om se dêrnei fuortendaliks te behanneljen. Sa skeppe jo jo eigen wurk.”
Het symposium was georganiseerd door de Lyndensteynschool, ter gelegenheid van het afscheid van S. Hiemstra van die school. Hij maakte van Lyndensteyn een tweetalige school. Lyndensteyn is een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs voor lichamelijk of meervoudig gehandicapte kinderen. Hiemstra is naast leerkracht onder meer oud-voorzitter van de Afûk, lid van de Ried fan de Fryske Beweging en actief voor de Feriening Frysk Underwiis.
Boarne: Friesch Dagblad, 18-02-2006, s. 8
Klik hjir om de hiele ynlieding fan Van der Bij te iepenjen.
In koarte gearfetting fan Van der Bij syn ynlieding is jûn yn it Friesch Dagblad (18-02-2006) ûnder de kop ”School is nog te Holllands”, ”Te veel leerkrachten laten hun Friese identiteit buiten de schooldeur”. Dy gearfetting is hjir oan te klikken.Klik hjir om de ynlieding fan Hiemstra te iepenjen.
***
18-02-2006, Modieuze ideeën over leren ‘ongefundeerd’
BEETSTERZWAAG - Het onderwijs in Nederlands verkeert in een ernstige crisis. Scholieren worden niet meer volgens een vast leerplan opgevoed tot volwassenen die onze cultuur kunnen dragen en voortzetten. “Nog enkele jaren, en de stem van de pedagoog wordt in Nederland niet meer gehoord.”
Oud-hoogleraar Jan Dirk Imelman (algemene pedagogiek) zei dit gisteren op een bijeenkomst van School Lyndensteyn in Beetsterzwaag. In het onderwijs regeert volgens hem de waan van de dag. Dat komt omdat de belangstelling van de leerling steeds vaker leidraad wordt bij het vaststellen van lesprogramma’s.
Vooral in het ‘nieuwe leren’, een containerbegrip van allerlei onderwijshervormingen, wordt gesteld dat het onderwijs moet aansluiten bij wat de leerling belangrijk of betekenisvol vindt. Jongeren zouden daardoor meer en beter leren. Wetenschappelijk bewijs daarvoor ontbreekt, zegt Imelman. “Het is een verkeerde gedachte dat kinderen altijd belangstelling hebben en dat je daarvan moet uitgaan. Die belangstelling is er in het algemeen pas als die door anderen of iets anders wordt gewekt”, zegt hij.
Doordat een vast leerplan steeds meer buiten beeld is geraakt, volgen onderwijsvernieuwingen elkaar in hoog tempo op. Vakken worden “willekeurig” af- en aangevoerd. “De toonaangevende ideeën over onderwijzen en leren berusten op modieuze, wetenschappelijk ongefundeerde leerpsychologieën.”
Kansen op verbeteringen zijn er volgens Imelman nauwelijks. Eerder dreigt verslechtering door invoering van marktwerking in het onderwijs en een alsmaar grotere zelfstandigheid van scholen. “De overheid onttrekt het onderwijs meer en meer aan de oorspronkelijke verantwoordelijkheid van de samenleving.”
Boarne: Leeuwarder Courant, 18-02-2006, s. 21
Klik hjir om de hiele ynlieding fan Imelman te iepenjen.
In wiidweidige gearfetting fan Imelman syn ynlieding hat stien yn it Friesch Dagblad (21-02-2006, s. 5) ûnder de kop “De pedagoog als roepende in de woestijn’”, “Pabo en het ‘nieuwe leren’ devalueren het onderwijs”. Dy gearfetting is hjir oan te klikken.Mear oer dat ûnderwerp is te finen yn M.L.A. Rietdijk-Helmer (red.), Steeds minder leren. De tragedie van de onderwijshervormingen (Utrecht: 2005). Dr. Imelman hat yn dy essay-bondel in histoarysk yllustrearre ferhaal (‘Scholenschemering’, s. 117-141) skreaun oer de steat dêr’t it ûnderwiis hjoed de dei yn ferkeart: “In het perspectief van wat aan die huidige staat van het onderwijs vooraf ging, en gemeten aan de idee van ‘goed onderwijs’, heb ik geprobeerd aan te geven ‘hoe laat ‘t aan de tijd is’. Voor zeer veel scholen: te laat.” Oanrikkemandearre!
Dy oanrikkemandaasje jildt ek foar Imelman syn artikel ‘Wijs met onderwijs?’ yn Veerkracht. Een tijdschrift voor leraren en opleiders primair onderwijs [2 (2004). I]. It is in tige kritysk besprek fan in earmoedich pleit foar it ‘nije learen’ fan J. Casteleins, B. Koster en M. Vermeulen yn Kantelende kennis, 2004. It konstruktivistyske Kantelende kennis-pamflet fan Casteleins-en-dy moat beskôge wurde as ‘ernstig ontspoorde onzin’. It is in artikel sûnder noaten.
Klik op JDI-Wijs met onderwijs? (1) om Imelman syn krityk op de subjektivistyske kennisfilosofy fan de trije auteurs te iepenjen.
In eardere ferzje fan ‘Wijs met onderwijs?’, no mei trije noaten en in ekstra tekst oer it ûnkritysk brûken fan it begryp ‘lerende organisatie’, is likegoed de muoite wurdich. Yn skerp formulearre (teoretyske) taal fan it ûnderwiis heart de metafoar fan de ‘lerende organisatie’ net thús.
Klik op JDI-Wijs met onderwijs? (2) om de foarlêste, wiidweidige ferzje te iepenjen.Brussel/Leeuwarden - Kinderen die tweetalig opgroeien kunnen sneller denken dan hun leeftijdgenoten die met één taal worden grootgebracht. Dit blijkt uit het promotieonderzoek van K. Mondt van de Vrije Universiteit in Brussel.
De neuro-linguïste onderzocht maandenlang honderden kinderen in de leeftijd van zeven tot elf jaar. Ze legde de kinderen taalkundige en wiskundige opdrachten voor. Vooral moeilijk omschreven sommen (‘verhaaltjessommen’). De tweetalige kinderen vertoonden bij het oplossen van de opgaven minder hersenactiviteit. Daaruit trok Mondt de conclusie dat ze de vragen sneller snapten en dat de verbindingen in de hersenen beter ontwikkeld zijn.
Mondts proefschrift spitst zich toe op de Belgische situatie, waar kinderen vanaf tien jaar op school Frans als tweede taal aanleren (dat geldt voor de Vlaamse kinderen), of Nederlands (de Waalse kinderen). Dat vindt de promovenda te laat. “Het liefst moeten kinderen al vanaf de kleutertijd intensief twee talen aangeleerd krijgen”, zegt ze in een Belgische krant. “Kinderhersenen zijn zeer geschikt om zich tweetalig te ontwikkelen.”
Het Pedagogysk Wurkferbân van de Fryske Akademy pleit ook al jaren voor tweetalig onderwijs voor jonge kinderen.
Boarne: Friesch Dagblad, 14-02-2006LEEUWARDEN - Trinus Riemersma is de belangrijkste schrijver van de twintigste eeuw, gevolgd door Anne Wadman, Durk van der Ploeg, Obe Postma en Rink van der Velde. Dat althans leert een klein onderzoekje dat Ernst Bruinsma, eindredacteur van het literair tijdschrift De Moanne, hield onder veertig mensen die actief zijn in de Friese literaire wereld. Hij was een van de sprekers gisteren tijdens een middag in de Fryske Akademy over literaire canonvorming bij minderheden.
De middag was een voortzetting van het filologencongres van eind vorig jaar, toen het onderdeel over canonvorming werd geschrapt vanwege het overlijden van Akademy-medewerker Jehannes Ytsma. Sprekers waren er onder meer uit Drenthe, Noord-Friesland en Vlaanderen. Het thema was ingegeven door de opdracht tot vorming van een canon van de Nederlandse geschiedenis en cultuur die onderwijsminister Maria van der Hoeven augustus vorig jaar gaf.
De meningen over de noodzaak van zo’n canon - een lijst van boeken die iedereen zou moeten kennen - waren verdeeld. Dirk De Geest van de universiteit van Leiden toonde zich een groot voorstander. Volgens hem is zo’n canon nodig om in het onderwijs en tegenover buitenstaanders duidelijk te maken waar de literatuur van een bepaald taalgebied voor staat.
[…] Bruinsma had in zijn eigen onderzoekje onder veertig deskundigen ook gevraagd naar de belangrijkste dichtbundels en prozawerken van de twintigste eeuw. De uitkomsten daarvan voor wat betreft de poëzie, waren: 1. ‘Samle fersen’ van Obe Postma 2. ‘In memoriam’ van Douwe Tamminga. 3. ‘Frjemde kusten/Vreemde kusten’ van Tsjêbbe Hettinga. 4. ‘Samle gedichten’ van Tiny Mulder. 5. ‘De gouden rider’ van Rixt.
Als beste prozawerk kwamen ‘De reade bwarre’ en ‘Fabryk’ van Trinus Riemersma uit de bus, gevolgd door ‘De fûke’ van Rink van der Velde, ‘De smearlappen’ van Anne Wadman en ‘De wuttelhaven del’ van Steven H.P. de Jong.
Boarne: Leeuwarder Courant, 10-02-2006De provinsje Fryslân hat, yn stiif oparbeidzjen mei Omrop Fryslân, yn Den Haach it plan dropt om de Fryske radio en televyzje oars te behanneljen as de oare regionale omroppen. Op grûn fan de beskerme posysje fan it Frysk wolle se fan Den Haach in rynske miljoenestipe losweakje, dy’t - alles nei ferhâlding - te ferlykjen is mei de stipe oan de Welske stjoerder S4C.
Dat sil net sûnder stjit of slach gean. Yn Wales is der ek in fûleindige striid oan foarôfgongen, mar wat de Fryske aksje ta in poepetoer makket, is dat Fryslân foar syn taal wol in aparte status hat, mar foar syn bestjoer net. Yn Wales is it krekt oarsom: dêr is it Welsk offisjeel noch net erkend as twadde taal, mar ha se wol in regear en parlemint mei eigen foech en dy ha slompen jild foar de Londenske doarren weisleept. Dat wiene net, lykas yn Den Haach, helsdoarren. It Britsk regear is bliid ta dat it Wales op dy manier skewiele kin, dan komt der gjin strideraasje oer. Londen hat sels in minister foar Welske saken.
>> Lês fierder …‘Juster, 25 jannewaris’, sa stie ferline wike tongersdei op myn mail, ‘is Rindert wer mei in longûntstekking opnommen yn it MCL. De spullen foar de gearkomste fan 1 febr. lizze klear. Groetnis, Klaske.’
Sa’n soarte fan berjocht hie ik faker hân, mar altiten hie Rindert it wer opret. Ik hie dus in oare gearkomste yn ´e holle as dy op dit plak. Ik haw efkes lûdop flokt doe’t ik Klaske sneontemiddei oan de tillefoan krige mei de fatale tynge. Mei soks efkes nei sa’n berjocht? En dan de fraach: Wolsto wat sizze oer Rindert as publike figuer? Ja, fansels. De rest fan ´e middei wie ´k goed fan ´t sintrum. Klaske en de bern hawwe in bysûndere man en heit ferlern. En ik ien fan myn grutste bewegingsmaten. Hoe soe ik yn goed 10 minuten fan Rindert, dy’t sa’n 45 jier bûtenwenstich aktyf west hat yn de Fryske Beweging, in goed en folslein byld jaan kinne? Ik sil my beheine moatte ta wat foar my it wichtichste wie en is.
It begjint mei Rindert al yn it Amsterdamske Fryske studinteselskip Cygnus Resurgens. Hy lit him as studint politike en sosjale wittenskippen dúdlik hearre yn de bewegingsdiskusjes fan dy tiid. Wurdboek- en staveringkwestjes spylje. Rindert falt op. Hy wurdt foarsitter fan de Federaesje fan Fryske Studinteforienings. En by it ôfskied fan Rindert as redakteur fan Fryslân Oerein, it blêd fan de Federaesje, sprekt Marten Ferwerda yn maaie 1961 al de hope út dat fan de twa leafden dy’t Rindert hie, Fryslân en de polityk, it Fryslân wurde soe en dat Rindert yn de takomst in plak yn Fryslân ynnimme soe.
Ferwerda moat in man mei hast paranormale jeften west hawwe as er de profetyske wurden sprekt: ‘Dêr is dêrre in great forlet fan lju, dy’t it har heitelân miene. Hjir is der in man dy’t dat docht. Hy is by steat foar Fryslân mear út ´e wei to setten as in oar.’
Yn 1965 wurdt Rindert mei syn 28 jier dan ek ien fan de jongste en warberste foarsitters dy’t de Ried fan de Fryske Biweging ea hân hat. It bestjoer komt hast alle fjirtjin dagen byinoar yn De Kroon te Ljouwert. De iene bewegingsbrief nei de oare giet nei syn komst de doar út. Rindert-en-dy jouwe de stjit ta it provinsjale taalbefoarderingsbelied (1965). Mei Tony Feitsma, de skriuwster fan de Ried, kriget er it klear dat de Fryske taalpolitike winsken by minister Klompé fan CRM op ´e tafel komme. En dat der yn 1969 in kommisje Van Ommen ynsteld wurdt. Dy smyt foar Fryslân de saneamde ton fan Van Ommen op en dêrmei de jildlike erkenning fan de posysje fan it Frysk. It hiet in groeipost te wêzen ... It binne benammen de fertsjinsten fan Rindert en Tony dat der konsept-wetsûntwerpen komme foar it bestjoers- en rjochtsferkear. En dat der yn 1968 by amendemint yn de brêgeklasse ûnder Nederlânsk ek Frysk jûn wurde mei. En ek dat steatssekretaris Grosheide yn 1969 it fersyk fan de Bewegingsried honorearret om it Frysk as karfak ta te litten yn it mafû, hafû en twû/vwo mei de hast legindaryske fraach: ‘Waarom eigenlijk ook niet?’
Seis jier lang, oant 1971, is Rindert it spearpunt fan de Ried. Oft it no om de staveringsstriid, it twadammeplan, de gewestfoarming of it Frysk yn it ûnderwiis en it offisjele ferkear giet, Rindert rint mei foarop. Hy sprekt him út oer Fryske strjitnammen, oer twatalige plaknambuorden en offisjele Fryske plaknammen. Hy jout, sa seit Vledder yn De Pompeblêden, as er wat ‘begrepen’ hat, net gau belies en besiket faak alle wegen dy’t nei Rome liede, te gean, ek al steane oeral plysjes en barriêren. Dêrmei jout er as symboal fan de beweging oare bewegers it skaad dêr’t se harren yn ferskûlje en yn trochrinne kinne. Rindert wurdt in publike persoan yn Fryslân.
Ien fan syn alderwichtichste prestaasjes is, tinkt my, dat Rindert troch syn persoanlike kontakten foar ´t neist in beskiedende rol spile hat yn de ferplichting fan it Frysk yn it leger ûnderwiis. Dat is hiel wat oars as in beskieden rol. It klimaat foar it Frysk is yn dy tiid aardich geunstich en it Ryk begjint mear each te krijen foar de Fryske kwestje.
Yn syn lêste jier as foarsitter fan de Bewegingsried lear ik, as nije skriuwer fan dy organisaasje, Rindert fan tichteby kennen. Krapoan in jier letter is it foar syn opfolger, Sybren Sybrandy, en my fanselssprekkend dat Rindert as adviseur oan de Ried ferbûn bliuwt. Sa’n rinnend argyf, sa’n foarbyld en sa’n ynspirator kin men net sûnder. Wa’t de muoite nimt en sneup de jiergongen fan De Stiennen Man, Frysk en Frij, De Pompeblêd(d)en en de Frijbûtser dernoch ris op troch, dy komt ûnder de yndruk fan wat Rindert allegear byinoar skreaun hat. Syn diploma fan de sjoernalistekursus Nederlandse Pers docht grutte fertuten.
Fan oktober 1966 oant 1972 kin Rindert op ´e souder fan it Coulonhûs fan de Fryske Akademy ek profesjoneel foar it Frysk oan ´e slach. Fan deputearre Van der Mark mei er it Buro foar taalbifoardering fan de Provinsiale Underwiisried opsette. It Provinsjaal Bestjoer joech dêrmei oan dat it echt wat dwaan woe om it Frysk yn it maatskiplik ferkear in better plak te jaan. Fan 1972 oant 1975 ferset er as skriuwer fan de provinsjale Kommisje bifoardering Frysk Taelgebrûk likegoed in ûnbidich stik wurk. Dat wurk is it ek méi oan te tankjen dat yn 1970 it Frysk as eksamenfak ynfierd wurdt yn it mafu, hafû en twû/vwo. Ik neam jitris 1974, as it Frysk in ferplichte fak wurdt yn it leger ûnderwiis. It binne foar Rindert en it Frysk siedders- en settersjierren.
As er yn 1968 mei Klaske trout, wegerje se beide de trou-akte te ûndertekenjen, omdat dy net yn it Frysk mei. Op de trou-akte komt no te stean: ‘Partijen weigerden deze akte te tekenen, aangezien deze niet in de friese taal was gesteld.’ Sels de lanlike parse skriuwt deroer. Rindert hat it mar troffen mei syn Klaske. Se bliuwe ek yn it eigen, persoanlike libben trou oan harren Fryske idealen. It hat noch in moaie troufoto op it omslach fan De Strikel opsmiten. Ik haw dat omslach altiten trou bewarre as in eksimpel fan foarbyldich en prinsipieel taalgedrach.
Rindert wurdt yn 1972 direkteur fan de Afûk en kriget dêr op 1 jannewaris 1975, nei it opdoekjen fan de taalbefoarderingskommisje, in deitaak oan. Dat is it startpunt foar grutte feroarings yn dat frij ûnopfallend ynstitút. Der komme nije kommisjes foar learplannen, learmiddels en eksamens, foar de taalsoarch en foar de taalnoarm fan it Frysk. De opset fan De Pompeblêden feroaret. Rindert wurdt ek útjouwer en boekhanneler. It is it begjin fan in lange rige fan goed bylkjende Fryske berneboeken en learmiddels en fan gâns oersettings út oare talen. As ik yn 1977 de kâns krij om Afûk-foarsitter te wurden en sa Rindert yn syn wurk by te stean, dan doch ik dat midden yn de staveringsreboelje. Myn beide foargongers hiene al yn dy striid belies jaan moatten, sa ferdield wiene de Afûk-bestjoersleden dêryn. Ek yn dy drege perioade haw ik wer in protte fan Rindert leare kind.
Foar de rjochten op it oersetten fan bûtenlânske boeken reizget Rindert geregeld nei de Frankfurter Buchmesse. Ienkear hat er it weage en nim wat froulike leden fan de learmiddelkommisjes mei foar advys, sa hat er my wolris tafertroud. Se woene geregeld sitte, wat drinke en op ´e tiid wer nei hûs. Dat wie dus ienkear en net wer. Op de Didacta, in grutte tentoanstelling fan learmiddels yn Brussel, haw ik sels konstatearje kind, dat Rindert echt net wist wat ‘wurgens’ wie. Altyd yn ‘beweging’ en alles foar it ‘Frysk’.
Underwilens giet it net goed mei syn eagen. Dat haw iksels ek wolris wat ûnderskat. It wie op in izich kâlde winternacht yn de tachtiger jierren. De snie lei heech. It snijde grutte flokken en it sicht wie in pear meter. Ik brocht him nei ôfrin fan in Afûk-bestjoersgearkomste mei de auto nei hûs, yn Tytsjerk. Ik frege him om dúdlik oan te jaan as wy oan de ôfslach nei it doarp ta wiene. De lêste twahûndert meter soed er dan wol rinne. Wy hiene noch mar efkes yn de auto sitten of hy kriget it flauwe skynsel fan in lantearnepeal yn it each en ropt: Ho, hjir is ’t! Rindert stapt út. Ik ryd mei de gong fan in fytser fierder en sjoch nei sa’n twa, trije kilometer wer in lampe. Ynienen krij ik in hiel raar gefoel yn ´e mage. Suver mislik kom ik krûpendewei in pear oeren letter yn Drachten oan. Skilje! Daliks! Rindert nimt de hoarn op. Hy is krekt thúskommen oer in parallelwei. En nèt kleie ... Rindert is in trochsetter.
By it ôfskie fan Rindert as Afûk-direkteur makket Tony Feitsma yn 1992 in tuskentiidske balâns op. Se seit: Rindert hat in ynfrastruktuer neistribbe dêr’t it Frysk by sykhelje koe. Dat hat foar it Frysk, de Fryske kultuer en de Fryske polityk fan grut belang west. En sa is ´t.
De Krite Ljouwert fan it Ald Selskip (1844), de FNP, de Bewegingsried, it GCO/MSU, de Fryske Akademy, it Pedagogysk Wurkferbân dêrfan, en last but not least de FFU, hawwe in ûnhjirmlik soad oan him te tankjen. Gauris jierrenlang ek as bestjoerslid. Mei in gefoel fan weemoed haw ik yn it lêste nûmer fan Swingel syn ‘De Ried te’n ein?, nochris trochlêzen, mei deryn de lêste goeried fan in man dy’t sels hast te’n ein wie. En ek nochris syn FFU-konseptbrief foar de Twadde Keamer oereage, dêr’t er yn bepleite dat in ‘aanmerkelijke deel’ fan it Frysk as fier- en ynstruksjetaal yn de Wet op it Primêr Underwiis opnommen wurde moast. Wat mankelyk tink ik oan al dy gearkomsten fan de FFU, dy’t wy de lêste jierren by Rindert oan hûs holden hawwe en dêr’t Klaske sa goed foar him en ús soarge; 11 jannewaris 2006 hat de lêste kear west. Trije dagen letter hat er op it Keetwâltsje noch meipraat oer de takomst fan de Ried ...
‘Rindert is op 25 jannewaris mei in longûntstekking opnommen yn it MCL’, sa mailde Klaske ús, ‘de finansjele stikken lizze klear’. Twa dagen letter is de man dy’t oan syn lêste siken ta oer it heitelân wekke, stil by ús weirekke. Yn it harnas. In ikoan is stoarn.
Yn in tiid dat it Frysk yn ús eigen Fryslân by de plysje, it wetterskip en de Drachtster Pluskrante it leafst foar dea ferklearre wurdt, witte wy wat dizze stânfries fan ús ferwachtet. Rindert, dat wy allegearre wat fan dyn kriich yn ús bewarje meie!
Sa útsprutsen yn it krematoarium ‘Goutum’ te Goutum
op 1 febrewaris 2006,
Sytze T. Hiemstra
Hy wie al fier oer de santich doe’t se him fregen wêrom’t er syn nocht noch net hie fan al dy lêzingen oer ‘humor in de schoolklas’. “Och”, andere Gerrit Baarda. “Ik krij noch tiid genôch om noartsk te wêzen.” Sneon stie it berjocht fan syn ferstjerren yn de krante, 91 jier is er wurden, op seis dagen nei.
Oer ‘master Baarda’ is gâns te fertellen. Hy sels wie ek in baas ferteller, bejeftige mei taalgefoel en humor. Hy skreau ferskes, lietsjes en ferhaaltsjes, benammen foar de bern.
Mar hy is ek de ‘skepper’ fan wat troch it fersykplateprogramma fan Omrop Fryslân op sneontemoarn in evergreen wurden is, ‘Oan de Dwersfeart’, songen troch de Drachtster bas Ritske Numan:
Alde dwersfeart mei dyn hege beammen
Mei dyn paedtsje dêr by del
En dyn planke oer elke wyk
Mei dyn brechjes nei earmoedich lytse wentsjes
Alde dwersfeart hwat wiest ryk:
Hwat wie der in pracht en echte rêst te finen
As yn ’t kleare wetter speeg’le beammegrien
Hwat wie ’t moai om der by ’t winter del te riden!
Alde dwersfeart, hwat ha se mei dy dien?
It liet komt út ien fan Baarda’s revu’s, dy’t er foar syn skoalle, de eardere Skoalle 3 oan de Drachtster Noarderdwersfeart, makke hie en dêr’t Ritske Numan belangeleas oan meiwurke, as solist mei de muzikale begelieding op in bandrekorder. It wie 1965, de skoalle wie fan 1822 en hie dus in rike skiednis, dêr’t de Dwersfeart altyd in grutte rol yn spile hat.
Om it jier plichte Baarda, dy’t der fan 1951 oant 1971 haad wie, in revu te skriuwen. Hy hat sa’n tsien makke en allegearre Frysktalich. Dêr hied er in sin by: “As men de bern harren eigen taal oanrikt, binne se frijmoediger.”
It útgongspunt by al dy skoallerevu’s wie dat alle bern meidiene, der mocht gjinien it gefoel krije dat er der bûten stie. Dat wie wolris lestich. “Ik moast sa skriuwe dat de bern der aardichheid oan hiene en de âlden it wurdearje koene.”
Yn it lêst wie de tarin fan net-Frysktalige bern sa grut, dat er foar syn revu fan ’68, ‘De laatste snik’, in tuskenfoarm betocht. Frysk foar de Fryske bern, Hollânsk foar de nijynkommelingen. Hy wie in man fan linige oplossings, it belang fan it bern kaam by him op it foarste plak.
Dat de skoalle hieltyd grutter waard, befoel Baarda, dy’t altyd in nauwe bân mei de bern hân hat, lykwols minder. Sadwaande die er, nei goed njoggentjin jier Drachten, yn 1971 noch in opmerklike stap, dy’t gâns kollega’s as in stap tebek beskôgje soene. Hy waard haad fan it lytse twamansskoaltsje yn Boarnburgum. Dat betsjutte werom nei syn âlde leafde. Sa wied er, nei in oanrin as kwekeling-mei-akte, ek begûn, earst oan in lytse skoalle yn Bitgummole en dêrnei yn Rie. Dy krite wie him bekend, hy wie yn Blessum berne as soan fan in feekeapman. As jonge skoalmaster hied er foar in lytse skoalle lykwols tefolle enerzjy, en dy koed er yn Drachten kwyt.
Om’t er ta de generaasje hearde dy’t yn de krisistiid fan de kweekskoalle kaam, hied er earst gjin wurk. Hy helle doe noch gau syn gymnastykakte en waard gymnastyklearaar, ûnder oaren by Sport en Spel yn syn bertedoarp Blessum. Yn Drachten en Boarnburgum kaam dy akte ek fan pas, der wiene net folle skoalmasters dy’t in salto makken yn de gymnastykseal. Hy hat it oant syn fyftichste dien: “Dan moatst ophâlde, oars brekst dy de bonken noch.”
Baarda , dy’t maitiids ‘poermâl’ waard as er in ljip oer de wjuk gean seach efter skoalle en winters graach reedride mocht (hy hie twa alvestêdekrúskes), wie in grut natoerleafhawwer. Syn kennis oer de natoer wie sa grut, dat de Drachtster kweekskoalle him frege om sûnder dat er it foech hie, oan de ûnderwizers-yn-hope biologyles te jaan. Op de oplieding foar beukerliedsters joech er dat fak ek en út klearebare leafhawwerij spikere er boppedat de ‘kennis der natuur’ fan kollega’s by.
Baanbrekkend wiene Baarda syn lessen seksuele foarljochting oan de bern út de heechste klassen. Hy wie der ein jierren fyftich mei begûn, nei’t der boekjes op skoalle kommen wiene dy’t de âlden yn ferlegenheid brochten. Nei in grutte stilte kaam it hege wurd op in âlderjûn der út. “Lit master der sels mei rêde!’
Dat gong oan en hy makke der gjin heal wurk fan. Oan de hân fan de filmstripe ‘Hoe wordt het leven doorgegeven?’ behannele er de problematyk yngeand. “De seksboer fan Drachten”, seine de minsken. Hy joech ek foarljochtingslessen op it Drachtster lyceum.
De bern reagearren spontaan op alle fragen en yn de antwurden skûle safolle humor dat er it net litte koe en skriuw se op. Oant lang nei syn pensjonearring hat er dêr wille fan hân. Hy hat wol fiifhûndert lêzingen oer bernehumor holden. Yn ien fan syn lessen seksuele foarljochting hiene se it oer boarsten en kaam it praat op beha’s, dy’t guon froulju opfollen mei skomrubber. Ien fan de jonges wist wat him te dwaan stie: “Meester, als ik later met een vrouw trouw, dan knijp ik in haar borsten en als ze dan au zegt, zijn ze echt.”
Oars as de Grinslanner Harm Hoving, waans boekjes mei bernehumor moai wat jild yn ’t laadsje brochten, hat Baarda soks nea yn ’t sin hân. Hy die de lêzingen yn it begjin hielendal fergees. Oant in foarsitster fan in frouljusferiening sûnder euvelmoed sei: “Dat jo ús jild besparje, binne wy wol bliid om. Dan kinne we de oare kear dûmny K. freegje, want dy is nochal djoer.” Sûnt frege Gerrit Baarda in lytse fergoeding. Noartsk wurde? Hy prakkesearre der net oer.
PIETER DE GROOT [LC-redakteur]
Boarne: Leeuwarder Courant, (‘Freed’), 27-01-2006, s. 2Fries taboe op ‘nationale’ Grebbeberg
De storm over het Fries die in de eerste dagen van dit nieuwe jaar plotseling de kop opstak, is gaan liggen. De ongelukkige uitspraken van korpschef Foeke Wagenaar in zijn Nieuwjaarsrede waren een miskenning van alles wat er sinds Kneppelfreed (1951) ten gunste van de positie van het Fries is veranderd. Zijn korpsbeheerder Geert Dales heeft hem inmiddels op zijn vestje gespuid en de zaak rechtgebreid.
Natuurlijk moeten politiemensen die in Friesland werken, Fries kunnen verstaan. Friese burgers hebben tenslotte het - in de wet vastgelegde - recht om zich in hun ‘memmetaal’ tot de overheid te wenden; daar is niets overdrevens aan. Het is de taal waarin zij zich spontaan uiten, en dat komt de communicatie met de overheid en dus ook met de politie alleen maar ten goede.
De ophef van de afgelopen weken toont aan dat er nog altijd mensen zijn die dit recht als een vorm van aanstellerij beschouwen. In de krant van dinsdag gaf diëtiste Manon de Boois hiervan een gave illustratie. Als zij op het schoolplein in Leeuwarden haar kinderen staat op te wachten, ergert zij zich aan het Fries dat zij om zich heen hoort. Die ouders kunnen toch ook ook gewoon Nederlands? “Kom op zeg, in Lééuwarden, de hoofdstad van de provincie! Ik vind het echt not done om daar Fries te praten.” De Boois bedoelt met andere woorden: Friezen hebben toch niet voor niets Nederlands geleerd, zij zijn toch ook Nederlanders!*
Het doet mij denken aan een incident, dat inderdaad van vóór Kneppelfreed dateert, te weten van de jaren 1946, nu precies zestig jaar geleden. De aanleiding was diep tragisch. Het ging om een Fries opschrift op een grafsteen. Niet zomaar een grafsteen, nee, het was een van de vele grafstenen op de Utrechtse Grebbeberg, van de hier in de meidagen van 1940 gesneuvelde Nederlandse soldaten. Een van hen was een Fries ‘yn murch en bonken’. Voordat hij de strijd met de Duitse bezetter aanging, had hij zijn maten nog toegeroepen: “Mannen, as wy fjochtsje moatte, noait tebeklûke!” Hij moest als een van de eersten zijn strijdlust met de dood bekopen.
Zijn dorpsgenoten hebben er toen voor gezorgd dat er in zijn geest op zijn graf een steen kwam met een Fries opschrift. Nooit hadden zij hem anders dan Fries horen spreken, op school, op zijn werk, op het kaatsveld, en dus vonden zij dat hij in het Fries moest worden herdacht. Een kwestie van piëteit.
In 1945 werd de steen door een granaat getroffen en geheel versplinterd. Na de bevrijding wenste de familie weer net zo’n steen met hetzelfde Friese opschrift, maar daarvoor was toestemming nodig van wat toen ‘de minister van oorlog’ heette. De familie had alle vertrouwen in deze in Winsum geboren minister, de antirevolutionair Johannes Meijnen. Maar dat pakte anders uit.
Friezen, zo motiveerde Meijen zijn standpunt, maken “deel uit van het eene Nederlandsche volk, dat in zijn geheel voor de vrijheid heeft gestreden, ongeacht of het Limburgers of Zeeuwen, Friezen of Hollanders waren. Daarom dient naar dezerzijdse meening het algemeen Nederlandsche karakter op den voorgrond te staan en in een voor iedere Nederlander verstaanbaar opschrift op dit bij uitstek nationale kerkhof tot uitdrukking te worden gebracht.”
Jan Piebenga maakte zich in een hoofdartikel in de Leeuwarder Koerier tot tolk van de in hun gevoelens gekwetste Friezen. “Dêr stiet it. As in Fries Nederlanner is, moat er syn Frysk baitsje útstrûpe en it Hollânske konfeksjepakje oanlûke.” Hij riep op tot bewustwording: “Dit giet net om in teloarstelde famylje, dit giet om de eare fan it Fryske folk, dat yn syn Nederlânsk rjocht bekronken wurdt.”
Pieter de Groot
Boarne: Leeuwarder Courant (‘Harje’), 19-01-2006
* Sjoch ek ús Swartboek, 17-01-2006, ‘Fries spreken in Leeuwarden is not done’.‘Elk hat it rjocht Frysk te brûken yn kontakt mei de plysje’. Dat heart it útgongspunt te wêzen.
De klachtekommisje fan de regioplysje Fryslân hat de klacht behannele fan de boarger Gjalt Jelsma út Boksum. Hy hie al in pear kear meimakke dat de plysje fan it buro oan de Gardenierswei yn Ljouwert him net yn it Frysk te wurd stean woe. It giet him net om it Frysk op himsels, mar om de kwaliteit fan de kommunikaasje tusken boargers en plysje.
Oer ien ynsidint soed er ek net kleie wolle, mar omdat er de yndruk krige, dat de plysje fan dat buro struktureel gjin Frysk ferstean wol, hat er in klacht yntsjinne. Dêryn makket er dúdlik dat gewoane boargers yn Fryslân ferwachtsje meie, dat sy de twadde rykstaal brûke kinne yn kontakt mei de oerheid, provinsje, wetterskip, plysje, rjochtbank en gerjochtshôf. Dat stiet ommers mei safolle wurden yn de Algemene wet bestuursrecht (1995) én yn de Wet Friese taal in het rechtsverkeer (1997).
Jelsma hie my as saakkundige útnoege om de sitting fan de klachtekommisje by te wenjen. It leit yn de reden dat de klachtekommisje fierder sjocht as dizze iene klacht. De kommisje hat neffens de Politiewet (kêst 61) it foech om oan te jaan wat neffens har strukturele tekoartkommings binne yn it funksjonearjen fan de plysje en hoe’t dêr yn foarsjoen wurde kin.
De kommisje kin goed oanslute by de oanbefellings fan de Ried fan Europa oan Nederlân (2004) oer de tapassing fan it Hânfêst foar regionale of minderheidstalen: Moai, dat de boarger formeel Fryske prate mei yn de rjochtseal, mar it komt oan op de tapassing fan dat rjocht yn de praktyk. De boarger moat him ek feilich en fertroud fiele om Frysk te praten. Dêrta binne neffens de Ried fan Europa kursussen nedich én foarljochting.
It is nammers ek yn it belang fan de plysje sels om de boargers yn de eigen taal te wurd te stean, yn alle gefallen Frysk, mar ek Biltsk, Stellingwerfsk en stedsfrysk as dat te pas komt. Soks jout hast nea swierrichheden. As de plysje fertrouwen krije wol, dan moat de plysje ek fertrouwen jaan. Dan binne minsken ek earder ree om de muoite te nimmen oanjefte te dwaan. Passend taalgedrach fan de plysje helpt dêr o sa by. Posityf is, dat nije plysjeminsken fan bûten de provinsje, earst op surveillânse geane mei in Frysktalige kollega. Dat helpt har by it ferstean learen fan it Frysk.
It giet foar fierwei de measte minsken yn kontakt mei de plysje om mûnling taalgebrûk. Dat is ek de ynstek fan kêst 4.4. fan de Bestjoersôfspraak Fryske taal en kultuer (2001): de ryksoerheid moat him ynspanne om kursussen Frysk oan plysjepersoniel yn Fryslân oan te bieden, benammen ferstean en praten. Fryske lêzen en skriuwen komme minder faak oan de oarder yn it gewoane plysjewurk. In prosesferbaal kin wol yn it Frysk opmakke wurde en by de rjochtbank brûkt wurde, mar dêr sille de measte minsken net op oanstean.
Frysk ferstean en praten heart wol gewoan by de kwaliteiten of kompetinsjes fan plysjepersoniel yn Fryslân. Dat is dan ek in ûnderwerp foar it jierlikse beliedsplan dat it regionale kolleezje (boargemaster en haadoffisier fan justysje; de korpssjef sit derby) opstelt neffens de Politiewet 1993. Sa’n beliedsplan giet wol oer lanlike beliedstema’s, mar dy wurde útwurke “met inachtneming van de omstandigheden van de betrokken regio”.
It Frysk as twadde rykstaal is sa’n bysûndere omstannichheid. Winliken soene yn alle plysjeburo’s krekt as yn de rjochtbank buordsjes hingje moatte mei de tekst: “Elk hat it rjocht om Frysk te brûken yn kontakt mei de plysje”.
ALEX RIEMERSMA,
skriuwer Konsultatyf Orgaan foar it Europeesk Hânfêst foar regionale of minderheidstalen
Boarne: Leeuwarder Courant, 18-01-2006
*Sjoch foar oare stikken oer de kwestje ek by Poadium.LEEUWARDEN - De Ried fan de Fryske Beweging roept minister Johan Remkes van binnenlandse zaken op een taalwet voor het Fries te maken. Aanleiding zijn volgens de Ried kwetsende en intimiderende uitlatingen van politiekorpschef Foeke Wagenaar en korpsbeheerder Geert Dales.
De koepel van Frieszinnige organisaties schrijft Remkes, dat “vele Friestaligen” zich eraan hebben gestoord, dat Dales een provocatie ziet in het alarm slaan over het niet verstaan van Fries door de politie.
Wagenaar wordt door de Bewegingsried verweten, dat hij Friestaligen grieft en intimideert. De korpschef lijkt zich boven de wet te willen stellen, aldus de brief, door te zeggen dat er voor de politie geen verplichting geldt het Fries in Friesland te verstaan.
In de protestbrief aan Remkes stelt de Ried voor om het Fries in de Grondwet te verankeren. Een aparte taalwet zou de lappendeken van regelingen en afspraken moeten bundelen. Volgens de Ried blijkt een taalwet in andere Europese landen goed te werken.
Boarne: Leeuwarder Courant, 16-01-2006
FFU: It Bewegingsbrief oan Remkes is yntegraal te finen op www.fryskebeweging.nl, ûnder Nijs (17-01-2006).Korpschef Wagenaar en korpsbehearder boargemaster Dales fine it net nedich dat de Fryske plysje it Frysk ferstean kin. ´Kneppefreed’ is werom en diskear is it Johanneke Liemburg dy’t de kneppel hantearret. Ik soe sizze: kneppelje der mar flink op los en hoopje op in soad stipe. Hat Wagenaar lêsten net neamd dat de Fryske plysje te min te dwaan hie? Dan moat der tiid en romte wêze foar in kursus Frysk ferstean foar net-Friezen. Stjoer se mar, ik sil my der wol mei rêde.
Wommels, Herman Vijlbrief
Boarne: Leeuwarder Courant, 14-01-2006De politie in Bolsward kan geen Fries verstaan. Daarover hebben de burgemeester Liemburg van Littenseradiel en gedeputeerde Mulder van taalbeleid hun misnoegen geuit. Het zijn dezelfde bestuurders die geweigerd hebben de in 1985 vastgelegde provinciale beleidsvoornemens uit te voeren om bepaalde ambtenaren op het provinciehuis tot Fries taalgebruik te bewegen. De ene heeft het niet eens geprobeerd en de andere heeft zijn twee pogingen meteen gestaakt zodra er ambtelijk verzet kwam. Zelfs met de verklaringen van twee hoogleraren recht van 2001 in de hand, waarin staat dat een werkgever zonder meer kan eisen dat zijn personeel een bepaalde taal gebruikt, in dit geval het Fries. De schijnoplossing is in 2004 gevonden in een regeling op grond waarvan ambtenaren die het Fries regelmatig gebruiken 6 procent loonsverhoging krijgen en zij die dat minder doen 3 procent. Een wintercursus Fries en je kunt een paar flinke auto’s verdienen
Ook is nu al wel duidelijk dat het resultaat slecht Fries is. Zonder idioom en veel rechtstreeks vertaald Nederlands: een om het gemak vergeten aantasting van de taal. Het bestuurlijk geknoei kost de Friese bevolking aanzienlijk meer geld dan het betrekkelijke financiële falen bij de Fryske Akademy. Daar moesten echter koppen rollen, vooral op gezag van diegene die voor veel ernstiger falen verantwoordelijk is. In een gesloten en angstige cultuur als de Friese is politiek alles mogelijk.
Stiens, Jelle Breuker
Boarne: Leeuwarder Courant, 14-01-2006Tel jo seinigingen, sei de bibelfêste FNP’er Sybren Posthumus ferline wike op ´e nijjiersresepsje fan de Ried fan de Fryske Beweging yn Nijlân. Sjoch om jo hinne en wês bliid mei wat se op it mêd fan it Frysk allegearre út ´e wei sette, woed er mar sizze, dat is net om ´e nocht: hieltyd mear Fryske popgroepen komme út ´e Kast en geane op de memmetaal oer, de Fryske pjutteboartersplakken sjitte as poddestuollen út ´e grûn, de trijetalige skoalle kriget wat langer wat mear de fuotten ûnder it gat - it tal skoallen sil mei de tiid útwreide wurde fan sân nei santjin - en Omrop Fryslân kriget mear televyzje-oeren. Posthumus memorearret fierder de Groep Auwerk, dy’t mei ludike aksjes omtinken foar it Frysk freget en de Steaten ferge hat op in stânpunt oer de Fryske nasjonaliteit. “Se bringe in diskusje op gong.”
Ik wol him as jonge heit syn yllúzjes net ûntnimme, mar hoefolle kearen is de diskusje al net op gong brocht? Formeel-bestjoerlik en juridysk kaam it ek noch allegearre foar elkoar: nei de Kneppelfreed-reboelje fan 1951 kaam der erkenning, nei de FOKA-aksjes fan goed tweintich jier letter kaam der in aktyf taalbelied by de provinsje en yn de gemeenten. Der kamen FNP-wethâlders en sels in FNP-boargemaster. Net-Fryske boargemasters dy’t yn Fryslân beneamd waarden, wiene fuort ree om Frysk te learen, om’t se wol ynseagen dat dat wol fan pas komme soe yn har foar in grut part Frysktalige gemeenten. Jongste foarbylden binne Thea de Roos fan Gaasterlân-Sleat en de sneon troch de FNP yn ´t sintsje setten Ella Schadd fan Boarnsterhim. Hja binne stik foar stik te sprekken oer de lesjouwers fan de AFUK, dy’t it hieltyd drokker krije. Oant safier alle hulde.
Mar hoe lang duorret it ear’t it besef algemien is dat it Frysk as normaal sjoen en behannele wurdt, dat de FNP net langer prizen hoecht út te rikken en de Fryske beweging fearren yn de broek? Ik bin bang, oant Sint-Juttemis. Ik kin my libben yntinke dat guon har nocht hawwe om har rjocht hieltyd op ´e nij te befjochtsjen en de kop te stjitten tsjin muorren fan ûnwil en ûnbegryp. De macht fan de sterkste telt, net de macht fan de wiiste
De nijste soap spilet him ôf om de plysje hinne, mei Foeke Wagenaar as korpssjef en Geart Dales as korpsbehearder. Deputearre Bertus Mulder hat har wiisd op de ôfspraken, dy’t lang ferlyn mei it ryk makke binne, mar dêr laitsje de beide mannen om. Wagenaar giet de diskusje út ´e wei troch oer it minne Frysk fan de trochsnee Friezen op Omrop Fryslân te lekskoaien, Dales fiert in yntimidaasjepolityk dy’t syn wjergader net het en makket elke diskusje yn´t foar ûnmooglik troch der in hilaryske kwestje fan te meitsjen. Dan binne jo fersekere fan in soad meistanners. Hy ferliest út it each dat er gjin grutte-stedsboargemaster is foar wa’t it plattelân allinnich yn byld komt as er anneksearje kin. Hy is de earste boarger fan in plattelânsgemeente, de grutste ûnder syn gelikens, en as behearder fan it Frysk plysjekorps past it him alhiel net de oaren út de hichte te nei te kommen en it Frysk leech te lizzen. “Wy binne werom yn de tiid foar Kneppelfreed”, grommele Mulder. Moarn praat de Ried fan de Fryske Beweging oer de takomst. Munysje foar aksje by de rûs.
Skynhillich?
Oer nei in oare soap. Yn de krante fan tiisdei rôp ik yn in Hollânsktalich stikje Omrop Fryslân op om de Twintske searje ‘Van Jonge Leu en Oale Groond’ yn it Frysk te ûndertiteljen ynstee fan te folstean mei Hollânske ûndertitels. Dat kaam my op in grimmitige reaksje te stean fan Gosse Terpstra fan Eastermar, respektearre âld-bestjoerder fan Tytsjerksteradiel, waans oardiel ik heech haw. Ik lit it hjir folgje. “Jo stikje ´ Nederlandse ondertiteling gemakkelijkste weg’ rint oer fan skynhilligens! As der ien nijsmedium is yn Fryslân mei in goed en konsekwint (streek)talebelied, dan is dat wol Omrop Fryslân. Foaral it Frysk krijt in tige belangryk plak yn de útstjoerings. Dit yn tsjinstelling ta it belied fan in oar wichtich nijsmedium yn ús provinsje, de Leeuwarder Courant. Dat is in slop belied mei sa no en dan in haadartikel dat liket op in preek fan de foks. Sels jo eigen stikje is dêr in foarbyld fan. Jo sille ek wol tinke, as ik it yn it Frysk doch, lêst miskien mar 10 persint it (soks yn tsjinstelling mei de 60 persint sa as deputearre Mulder beweart). It meast dat my de lêste jierren fernuvere hat, is dat de LC/Friese Pers harren reklame by Omrop Fryslân yn it Nederlânsk docht. Ik soe my skamje! Begryp goed, soks wurket mei oan it feit dat oer sa’n fyftich jier it aktive Frysk net folle mear brûkt wurde sil.”
De klacht oer de reklame haw ik trochstjoerd oan de direksje. Wat it earste part fan syn krityk oanbelanget, haw ik Terpstra skreaun dat er ien wichtige sin yn myn stikje net achtslein hat, t.w. dat Omrop Fryslân foar it Frysk in bysûndere ferantwurdlikheid hat en dat provinsje en ryk finansjele middels beskikber stelle om dy wier te meitsjen. De Omrop is in publike omrop.
Neffens har redaksjestatút hat dizze krante ek as taak om de Fryske taal en kultuer te stypjen, mar krijt se dêr gjin oerheidsjild foar, oarsom, se stipet, tegearre mei de provinsje, de wyklikse F-Side fan de AFUK en oare Fryske útjeften en inisjativen.
De diskusje oer (mear) Frysk yn ´e krante, dêr’t ik foar bin en altyd foar pleite haw, spilet al sa lang ´t my heucht - no hast tritich jier. Salang’t der in frijplak foar reservearre wurdt, lykas dizze side, stroffelet nimmen deroer, om’t dizze Fryske stikken meast allinnich lêzen wurde troch ynteressearre lju, dy’t gjin muoite hawwe mei Frysklêzen. Mar sa gau’t it Frysk op oare plakken opdûkt, komme de beswieren en is it de fraach: wat is wiisheid?
Dan sykje jo de midlike wei en dogge jo, salang’t it ûnderwiis der net better yn foarsjocht [fetprint fan ús], konsesjes, de krante wol dochs yn ´t foarste plak dat it boadskip oerkomt by de lêzer. Wat dat oangiet, hat de Omrop it makliker mei it sprutsen wurd, om’t de measte harkers en sjoggers dat flot folgje kinne. Dat as de provinsje as subsydzjejouwer yn har kultuernota oanstiet op mear Frysktalich drama by Omrop Fryslân, soe ik net witte wêrom’t ik se net even kidelje mei, as se de stjoertiid folje wolle mei in yn it Hollânsk ûndertitele Twintske searje yn tritich ôfleverings.
PIETER DE GROOT
Boarne: Leeuwarder Courant (‘Dwers’), 13-01-2006WILLEM BOSMA, redacteur LC
De positie en het gebruik van het Fries staat in de schijnwerpers. Door hoe de politie er mee omgaat. Hoe zit het precies?
Op het eerste gezicht heeft iedereen sinds juli 1995 formeel het recht om Fries te praten en te schrijven in contacten met de politie in de provincie. De Algemene wet bestuursrecht werd toen uitgebreid met artikel 2.7.1., dat luidt: “Een ieder kan de Friese taal gebruiken in het verkeer met bestuursorganen, voor zover deze in de provincie Friesland zijn gevestigd”.
Dat is echter niet het hele verhaal. De bepaling geldt niet indien het bestuursorgaan heeft verzocht de Nederlandse taal te gebruiken op de grond, dat het gebruik van de Friese taal tot een onevenredige belasting van het bestuurlijk verkeer zou leiden” (AWB, artikel 2.7.2.).
Hoe moet deze clausule worden begrepen? De regering liet destijds per uitlegbrief weten dat het niet de bedoeling van de wetgever is, dat het recht op Fries spreken en schrijven wordt uitgehold door een veelvuldig beroep op de beperkende bepaling.
Het Europees Handvest voor regionale talen en minderheidsstalen werpt geen extra licht op de reikwijdte van het recht op Fries. Het uit 1992 stammende verdrag verplicht Nederland om mensen in Friesland in het Fries aan het woord te laten of te woord te staan “voor zover dit redelijkerwijs mogelijk is”.
Wat is redelijk? Blijkens de officiële toelichting bij het handvest mag de bijzin geen uitvlucht zijn om aan een serieuze uitvoering ervan te ontkomen. De bepaling is bedoeld voor gevallen waarin gelijkberechtiging van het Fries zware implicaties zou hebben op het vlak van geld, personeel en opleiding.
Wellicht wenst de politietop hiermee zijn oordeel te schragen dat het Fries verstaan door de politie weliswaar wenselijk is, maar niet strikt noodzakelijk. Maar in de toelichting staat ook, dat het Handvest Nederland verplicht om het benodigde geld te leveren en de vereiste maatregelen te nemen om Friessprekers wél het volle pond te geven.
Ondanks dat “kunnen” er omstandigheden zijn waarin een onverkorte verwezenlijking van de opdracht uit het handvest niet mogelijk is. Het “redelijkerwijs” biedt de overheid de mogelijkheid zulke speciale situaties te definiëren, aldus nog steeds de toelichting. Voor de politie, waarover minister Johan Remkes de scepter zwaait, is dat totnogtoe niet gebeurd.
Of de door korpsbeheerder Geert Dales en korpschef Foeke Wagenaar aangevoerde “grote arbeidsmobiliteit” en de door hen waargenomen rijkdom aan lokale varianten van het Fries gewicht in de schaal leggen, lijkt op voorhand niet waarschijnlijk.
Dat beheersing van het Fries geen kerntaak van de Friese politie is, speelt in de context van het handvest en het bestuursrecht geen rol. Het Nederlands is immers ook geen kerntaak.
Als dus een Friesspreker in deze provincie onverhoopt zijn neus stoot bij een verbalisant of een politieloket, heeft hij een klachtwaardige zaak. Tenzij de politie aannemelijk kan maken dat redelijkerwijs niet van haar verlang kon worden dat het Fries werd verstaan.
Wie weet hoe het bij de politie precies met de beheersing van het Fries gesteld is en hoe gemakkelijk of moeilijk in dezen in lacunes kan worden voorzien? Dales en Wagenaar weten het antwoord niet en zolang er bijna nooit wordt geklaagd, vinden ze het ook niet bijster relevant.
Die houding maakt hun positie in klachtzaken er niet direct sterker op. Waarschijnlijk geldt: hoe mondiger de Friestalige, hoe beter de politie de taal van lieverlede zal blijken te verstaan.
Boarne: Leeuwarder Courant, 13-01-2006Leeuwarden - PvdA gedeputeerde Bertus Mulder (taal en cultuur) acht de tijd rijp voor een taalwet, waarin de rechten van Friestaligen goed worden verankerd. Mulder vindt de aanleiding voor zijn pleidooi in de afhoudendheid van de Friese politietop, die de agenten niet wil voorschrijven dat ze Fries moeten kunnen of leren verstaan.
“Der is in Europeesk Hânfest troch Nederlân ratifisearre, dêr’t it ryk himsels ta it Frysk yn ferplichtet. De útwurking dêrfan jildt ek foar de plysje, mar dat is blykber net genôch. As dy der sa mei omgiet, as no bliken docht, kin it better yn ien kear foar it hiele maatskiplike ferkear yn in taalwet fêstlein wurde”, zegt de gedeputeerde.
Mulder noemt de discussie over het Fries bij de politie “achterlik”. Hij beticht korpsbeheerder Geert Dales en korpschef Foeke Wagenaar van “Spielerei mei fyftiger-jierrenstânpunten” door te doen alsof het voor de politie facultatief is om Friezen in hun taal aan te horen. De gedeputeerde verwacht dat de afhandeling van een klacht van een Boksumer over de weigering van een Friestalige aangifte van diefstal meer helderheid zal bieden over rechten en plichten. Daarnaast roept hij het regionaal college van de Friese burgemeesters op om een taalverordening voor de politie te maken.
“In protte gemeenten hawwe al sa’n stik, dat dy boargemasters kinne dêr wol mei helpe”, zegt Mulder. Ook het Berie foar it Frysk kan service verlenen.
Tenslotte wil Mulder de taalkwestie bij het jaarlijks overleg met minister Remkes (binnenlandse zaken), die ook het Fries in de portefeuille heeft. “Remkes moat Dales en Wagenaar oanfiterje, want it ryk hat him dêrta planút ferplichte.”
Boarne: Leeuwarder Courant, 13-01-2006Van onze verslaggever
LANGWEER - Elke politieman in Friesland moet het Fries kunnen verstaan. Verplicht. Agenten die het niet verstaan, moeten in een andere provincie gaan werken. Dat zegt burgemeester Bert Kuiper van Skarsterlân. “Net als op bijvoorbeeld een Fries gemeentehuis is het verstaan van de taal voor een agent zonder meer noodzakelijk. Punt uit.”, zegt Kuiper.
Als korpsbeheerder Geert Dales en korpschef Foeke Wagenaar er bij blijven dat het verstaan van het Fries slechts wenselijk is en niet noodzakelijk, moet het regionaal college het duo tot de orde roepen, vindt hij. In dat college hebben de burgemeesters van alle 31 Friese gemeenten zitting. “Het Fries ook nog eens ter discussie stellen, gaat echt te ver.” In dat college hebben de burgemeesters van alle 31 Friese gemeenten zitting.
Een taalwet moet aan alle onduidelijkheid een eind maken, vindt gedeputeerde Bertus Mulder. Hij ziet in de commotie over het Fries aanleiding voor zijn pleidooi. Mulder noemt deze discussie “achterlijk”. Hij beticht korpsbeheerder Dales en korpschef Wagenaar van “Spielerei mei fytiger-jierren-stânpunten” door te doen alsof het voor de politie facultatief is om Friezen in hun taal aan te horen.
Boarne: Leeuwarder Courant, 13-01-2006Ik miende altyd dat de polysje jo bêste kammeraat wie. Mar no wit ik dat net mear. De sjef fan de Fryske plysje, Foeke Wagenaar, wol hawwe dat it net wichtich is dat de polysjes Frysk fersteane. Boppedat soe it foar allochtoane polysjes te dreech wêze om Frysk te learen. Ik fyn dat domme opmerkings. Dom om’t se net wier binne en dom om’t it de kwestje dêr’t it hjir om giet, net ta in oplossing bringe. Wylst it eins hielendal gjin probleem hoecht te wêzen.
Alderearst is it sa dat op basis fan alderhanne nasjonale en ynternasjonale ôfspraken ek Fryske boargers mei harren taal terjochte kinne by harren oerheid. Bygelyks de Bestjoersôfspraak foar de Fryske taal en kultuer. It kolleezje fan deputearre steaten hat folslein gelyk dat hja de polysje wiist op har ferplichtings datoangeande. De polysje sil him ek oan de regels hâlde moatte. Nammerstemear om’t it sels ek in regelhanthavenjende organisaasje is.
Twad is it in út soarte betutteljende opmerking dat it foar allochtoane polysjes dreech is om it Frysk te learen. Hokker bewizen binne der dat it foar fan oarsprong allochtoane polysjes dreech is om Frysk te learen? Hoefolle ‘allochtoane’ Nederlanners binne net fan de twadde of tredde generaasje? As hja it Nederlânsk prate en skriuwe kinne op mavo-nivo (dat neffens my de opliedingseask is foar de polysjes), dan moatte hja dochs ek it Frysk binnen in ridlike perioade ferstean kinne?
Wêrom soe it dreger wêze foar in fan oarsprong Marokkaanske polysjeman dy’t berne is yn Rotterdam om it Frysk ferstean te learen, dan foar immen dy’t hikke en tein is yn Schin op Geul?
Blykber hat Wagenaar mar in lyts bytsje betrouwen yn it fermogen fan syn fan oarsprong allochtoane polysjeminsken. Boppedat yntrodusearret Wagenaar dêrmei yn dizze diskusje in tsjinstelling tusken ‘bûtenlanners’ en Frysktaligen dy’t net ûnderboud is en in hiel ferfelende draai oan de diskusje jout.
Tred is it sa dat jo net fan eltse polysje yn Nederlân easkje kinne dat er it Frysk machtich is. Likegoed kinne jo ek net fan eltse polysje yn Fryslân easkje dat hja allegear op Afûk-c-nivo it Frysk yn ´e macht hawwe. Mar wy kinne al op basis fan de bestjoersôfspraak easkje dat dy polysjes dy’t op in min ofte mear geregelde basis yn Fryslân wurkje en dêrby in publyksfunksje ferfolje, binne in bepaalde ridlike perioade yn elts gefal by steat binne om it Frysk te ferstean.
Mei ferdrach en goeie wil kinne jo in hiel ein komme wat it ferstean fan it Frysk oanbelanget. It is spitich dat Wagenaar net op ´e siik giet nei dy goeie wil by himsels en syn organisaasje, mar yn stee flechtet yn polarisearjende ferlechjes.
JOHANNES KRAMER,
foarsitter FNP-steatefraksje
Door Truus Duisterwinkel
LEEUWARDEN - Moeten alle medewerkers van de politie Fryslân de Friese taal kunnen verstaan? Fansels, vindt der provincie. Niet nodig, zegt de politietop. De kwestie wordt maandag behandeld bij de klachtencommissie van de politie.
Het taalconflict begon met een kievitsei. Burgemeester Johanneke Liemburg van Littenseradiel meldde vorig jaar op zondag 20 maart de vondst van het eerste ‘ljipaai’ in haar gemeente aan de politie in Bolsward. In het Fries.
“Ik versta u niet”, zei de politiemedewerkster die de telefoon opnam. “Ik tocht, jeetje, ik kin net iens Frysk prate tsjin myn eigen plysje.” De burgemeester is niet de enige die stuitte op politiemensen die de Friese taal niet verstaan.
Nadat in april zijn fiets gestolen was, wilde Gjalt Jelsma uit Boksum aangifte doen. Of dat ook in het Nederlands kon, vroeg een medewerker van de politie. Toen Jelsma vroeg of er geen medewerker was die het Fries op zijn minst kon verstaan, werd zelfs de hoorn op de haak gesmeten, zegt hij.
Jelsma en Liemburg trokken aan de bel bij gedeputeerde staten, nadat de burgemeester eerst al een brief aan de politie en minister Johan Remkes van binnenlandse zaken geschreven had. Die laatste liet weten dat de kwestie een regionale aangelegenheid is.
Volgens de minister is het aan de politie zelf om invulling te geven aan het Fries taalbeleid. “En dy docht dat net”, las Liemburg in de brief aan de politie. Terwijl het volgens de provincie wel moet. Burgers, overheden en instanties in Friesland moeten zich kunnen uiten in het Fries en in het Nederlands, schrijven gedeputeerde staten in een brief aan korpschef Foeke Wagenaar en korpsbeheerder Geert Dales.
“Het rijk bevordert dat ten behoeve van de Friese taal door het politiepersoneel in de provincie Fryslân maatregelen getroffen moeten worden. Daartoe krijgt het politiepersoneel cursussen Fries aangeboden”, staat in de Bestjoersôfspraak Fryske taal en kultuer 2001- 2010.*
Maar het actief bevorderen van het spreken van de Friese taal is geen kerntaak, liet de politie weten en bovendien zou het moeilijk worden om politiepersoneel te vinden als actieve en passieve beheersing van het Fries een functie-eis zou zijn.
In de brief bestrijden gedeputeerde staten de twee argumenten van de politiek. De provincie nodigt in de brief de politie uit om van gedachten te wisselen over het taalbeleid. ‘Net allinnich by ús, de gemeenten, soarch en ûnderwiis fine wy dat it Frysk in fansselssprekkend plak fertsjinnet, mar ek by jimme op it plysjeburo.” Of de politie op het voorstel ingaat, is niet bekend. De korpschef gaf gisteren geen commentaar.
Jelsma stapte naar de klachtencommissie van de politie en stuurde een brief naar de nationale Ombudsman. Maandag bespreekt de commissie de kwestie achter gesloten deuren.
Boarne: Leeuwarder Courant, 10-01-2006
Neiskrift FFU:
Sjoch ús kommentaar yn it Swartboek 2005, kasus 3: Frysk as it kin? Der leit in dúdlike relaasje tusken it plak en it sukses fan it Frysk yn it ûnderwiis en it Frysk as funksje-eask yn oare maatskiplike domeinen, dus ek by de polysje.
* “In de Bestuursafspraak Friese taal en cultuur 2001 zijn het Rijk en de provincie Fryslân overeengekomen dat het Rijk bevordert dat ten behoeve van de beheersing van de Friese taal door het politiepersoneel in de provincie Fryslân maatregelen getroffen worden. Het politiepersoneel krijgt cursussen Fries aangeboden om zijn passieve dan wel actieve kennis van de Friese taal te vergroten (BA 4.4)”.
Boarne: Europees Handvest voor regionale talen of talen van minderheden 1999-2001; Tweede rapportage inzake maatregelen welke Nederland heeft getroffen ten aanzien van de Friese taal en cultuur. Auke van der Goot (eindred.), Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Fryske Akademy, Den Haag/Leeuwarden 2003, s. 128.Omrop Fryslân schreef met ‘Baas boppe baas’ geschiedenis. De eerste Friestalige tv-soapserie hield liefst vier seizoenen stand. Het succes trok de aandacht van TV Oost, dat de serie vanaf november 2004 op het scherm bracht, met Nederlandse ondertiteling. Ook in Overijssel werd de serie een hit. Toen werd zelfs Hilversum wakker: op Nederland I was er nog een gaatje op de middag te vullen…
Wie als Fries naar een in het Nederlands ondertitelde uitzending kijkt, wordt hinderlijk afgeleid. Het overkwam me zondag ook weer bij de documentaire van Pieter Verhoeff over Tsjêbbe Hettinga. Je hoeft de ondertitels niet de lezen, maar onwillekeurig lees je toch mee, en dan begint het je op te vallen dat de ondertiteling maar een slap aftreksel is van de origineel gesproken tekst. De ‘sjeu’ is eraf.
Dat is niet alleen met het Fries zo. Het geldt voor elke taal, die van ondertitels wordt voorzien. Bovendien zijn ondertitelaars gedwongen hun vertaling zo kort mogelijk te houden, omdat de tekst onder in beeld synchroon moet lopen met het gesproken woord. Dat lukt lang niet altijd: vaak moet de ondertitelaar woorden weglaten en zich beperken tot het hoognodige. De kijker moet toch al zo snel lezen.
Iedereen zal dit beamen. Nu de vraag, waar ik heen wil: moet Omrop Fryslân de van TV Oost gekochte Twentse soapserie ‘Van Jonge Leu en Oale Groond’ in het Fries ondertitelen of volstaat de reeds bestaande Nederlandse vertaling? In de krant van gisteren zei Twentse Fries Goaitsen van der Vliet, die voor de soapserie de Nederlandse ondertiteling heeft gemaakt, dat het hem heel goed zou lukken, om er Friese ondertitels bij te maken. Omdat het Fries en het Twents veel gemeen hebben, onder andere het veelvuldig gebruik van understatements, zouden Friese ondertitels ‘in ferriking’ zijn, aldus Van der Vliet.
Je kunt het tot principe verheffen: Omrop Fryslân is een Friestalige omroep, die onder andere als opdracht heeft meer Fries tv-drama op de buis te brengen. Als hij dus anderstalige producties uitzendt, om het even of die Twents of Limburgs, Baskisch of Welsh, Engels of Duits, ja zelfs Nederlands zijn, dan horen deze in het Fries te worden ondertiteld. Daar lijkt geen speld tussen te krijgen. De Friese taal is een van de pijlers van de Omrop.
Directeur Pim Gaanderse meent toch een speld gevonden te hebben: iedereen in Friesland wordt geacht Fries te verstaan, maar velen hebben moeite met Fries lezen en als het dan ook nog snel moet, haken ze onmiddellijk af. Waarom zul je dus die extra (ook financiële) inspanning doen? Dan is zo’n serie weggegooid geld. Een plausibel klinkend verhaal, waar getuige de internetreacties half Friesland het mee eens is.
Toch kent de Omrop een bijzondere verantwoordelijkheid voor het Fries. Om die waar te kunnen maken, stellen provincie en rijk financiële middelen ter beschikking, zoals beide overheden in hun bestuursafspraak zijn overeengekomen. Deze verantwoordelijkheid houdt in dat het Fries voorrang krijgt boven het Nederlands, tenzij zwaarwegende redenen zich hiertegen verzetten. Die redenen komen voor in de nieuwssfeer (als informatie moet worden verkregen van mensen die het Fries niet verstaan) en bij calamiteiten (dan moet de omroep voor algemene rampenzender spelen) .
Op het gebied van drama en amusement zijn er daarentegen volop kansen om te proberen de Friezen van hun analfabetisme in eigen taal af te helpen. Grijp die kansen, zou ik zeggen. Kiezen voor het Nederlands is de makkelijkste weg. Nou ja, op één na dan: het is de ‘koartste klap’ om het maar meteen aan Hilversum over te laten, waar de Twentse soap, met Herman Finkers in de hoofdrol, straks toch ook een gaatje moet vullen. Let maar op!
Boarne: Pieter de Groot (‘Harje’), Leeuwarder Courant, 10-01-2006
Neiskrift FFU:JOURE - Kamerlid Joop Atsma (CDA) roept alle statenfracties op om Omrop Fryslân onder druk te zetten om de Twentse soap ‘Van Jonge Leu en Oale Groond’ in het Fries te laten ondertitelen. De omroep krijgt rijks- en provinciaal geld voor taalbevordering, aldus de CDA’er, en dan kunnen het werk of de kosten geen reden zijn om te volstaan met Nederlandstalige ondertitels.
Boarne: Leeuwarder Courant, 10-01-2006Migrantenjongeren die een balans weten te vinden tussen de culturen van het oude en het nieuwe land, zijn het beste af, blijkt uit een internationale studie. De eigen achtergrond verloochenen is vragen om moeilijkheden.
Een internationaal gezelschap psychologen (en enkele sociologen) onderzocht de afgelopen tien jaar het welbevinden en maatschappelijke succes van migrantenjongeren van uiteenlopende herkomst in verschillende landen. Niet eerder zijn bestaande inzichten, ontleend aan onderzoek per land en per migrantengroep, op zo ´n grote schaal grensoverschrijdend getoetst. Het ICSEY [de ‘Internationale Vergelijkende Studie van Etnoculturele Jongeren’] begon in 1996. Het eindverslag verschijnt eind maart in boekvorm onder de titel Immigrant Youth in Transition: Acculturation, Identity and Adaptation Across Nationale Contexts.
Wie de moeite neemt zich door de gortdroge statistische analyses heen te werken, vindt verrassende resultaten. De bevindingen ondergraven de steeds populairder opvatting dat nieuwkomers ‘zich maar moeten aanpassen’. Want migranten die zich willen assimileren - de dominante cultuur omhelzen en de eigen cultuur afzweren - vragen om moeilijkheden, zo blijkt nu. Zij die zich integreren - zich voegen in de nieuwe samenleving zonder de eigen identiteit op te geven - zijn het beste af.
Aan het onderzoek deden 7.997 jongeren mee van 13 tot 18 jaar uit 36 verschillende etnische groepen, zowel kinderen van migranten als van niet-migranten. Verder vulden 3.165 ouders vragenlijsten in. Al met al een schaal waarvan sociale wetenschappers watertanden en die generaliseringen rechtvaardigt.
De laatste halve eeuw meenden Amerikaanse sociologen dat migranten en hun kinderen slechts twee opties hadden: zich identificeren met hun oude of met hun nieuwe cultuur. In de VS kwam dat neer op wel of niet meedoen aan de American way of life. Maakten zij die keuze niet, dan zouden zij in de marge belanden. De ICSEY-onderzoekers verwerpen dit ééndimensionale model. Zij gaan ervan uit - en daarin volgen zij één van de initiatiefnemers tot het onderzoek, de Canadese psycholoog John W. Berry - dat migranten kiezen in twee dimensies: de intensiteit waarmee zij omgaan met leden van de dominante cultuur en de mate waarin zij vasthouden aan de eigen cultuur.
Assimilatie
De migrant, zegt Berry, kan vier verschillende houdingen aannemen. Kiest hij voor maximaal contact met de omringende samenleving en minimaal cultuurbehoud, dan ondergaat hij assimilatie. Wenst hij minimaal contact en maximaal cultuurbehoud, dan kiest hij voor collectieve afzondering. Wil hij én maximaal contact én optimaal cultuurbehoud, dan wil hij integratie. Kiest hij ten slotte voor minimaal contact en minimaal cultuurbehoud dan gaat hij de doodlopende weg van marginalisering.
Eén van de opvallendste uitkomsten is dat houding, gedrag en oordeel van jongeren over hun eigen identiteit op een fraaie manier ‘clusteren’. Het blijkt mogelijk in het proces van culturele aanpassing vier typen te benoemen met kenmerkende combinaties van houdingen, oriëntaties en gedrag. Dat zijn: het ‘integratietype’, het ‘etnische type’, het ‘nationale type’ en het ‘diffuse type’.
Middenmoot
1. Jongeren die zeggen dat ze eigenlijk the best of both worlds willen, laten dat ook blijken in hun identiteitsbeleving, het aangaan van relaties, het gebruik van taal en hun voorkeuren voor muziek en films. Zij bedienen zich zowel van de eigen als de nationale taal en beheersen die even goed. Zij scoren in de middenmoot als het gaat om waardering van familiebanden. Deze categorie, die het ‘integratietype’ wordt genoemd en die met 36,4 procent de internationale steekproef domineert, oriënteert zich sterk op de nieuwe samenleving, maar verloochent de eigen achtergrond niet.
2. Het ‘etnische type’ heeft een sterke voorkeur voor oriëntatie op de eigen groep en de eigen cultuur.
3. Het ‘nationale type’ oriënteert zich geheel op de nieuwe samenleving, ten koste van de eigen cultuur. Deze jongeren zeggen dat ze assimilatie voorstaan, ze noemen zichzelf, bijvoorbeeld, Amerikanen of Nederlanders en ze gebruiken Engels of Nederlands, maar niet de eigen taal. Ze hebben vooral contacten met ‘nationale’ jeugd, nauwelijks met jongeren uit de eigen groep, en laten zich weinig gelegen liggen aan familieverplichtingen.
4. Ten slotte is er het ‘diffuse type’. Dat zijn jongeren die de weg kwijt zijn in de eigen én in de nationale cultuur.
De vier typen scoren heel verschillend op de onderzoeksmaten voor welbevinden en aanpassing. Het integratietype zit het lekkerst in zijn vel en is het meest aangepast, zowel psychologisch (zelfvertrouwen, tevredenheid met het eigen leven) als maatschappelijk (schoolprestaties, sociaal gedrag). Het etnische type laat in alle migrantengroepen een grote mate van welbevinden zien, maar is minder aangepast. Het nationale type, waar de politiek zoveel mee opheeft, voelt zich niet lekker en gedraagt zich navenant. De vierde, ‘diffuse’ groep valt overal buiten, weet zichzelf niet te positioneren en is in verwarring. Dit type rapporteert veel discriminatie-ervaringen, maar onduidelijk is in hoeverre dit is gebaseerd op werkelijke ervaringen dan wel een projectie is op de boze samenleving.
Immigratieland Nederland
Nederland - 9,9 procent van de inwoners is elders geboren - scoort volgens ICSEY qua ‘diversity policy’ iets boven het gemiddelde. Van de onderzochte migranten behoort 39,1 procent tot het integratietype. Dat type is het sterkst vertegenwoordigd onder jonger Hindoestanen (51,9 procent) en het zwakst onder Turkse jongeren (30,0 procent).Van de laatsten behoort 53,9 procent tot het etnische type.
Turkse jongeren voelen zich in alle zes landen waar ze zijn onderzocht, beter en zijn ook beter aangepast als ze tot het etnische type behoren. Daarmee laat deze groep een afwijkend patroon zien.
Dirk Vlasblom
Boarne: NRC Handelsblad, 07/08-01-2006, ‘Wetenschap & Onderwijs’, s. 41 [part fan it artikel].Twentse soap zonder ‘lastige’ Friese ondertitels bij Omrop
LEEUWARDEN - De Twentse regiosoap ‘Van Jonge Leu en Oale Groond’ zal vanaf komend najaar te zien zijn bij Omrop Fryslân, verwacht directeur Pim Gaanderse. De serie, gemaakt voor TV Oost en met een hoofdrol voor Herman Finkers, zal niet in het Fries worden ondertiteld. “We gaan daar geen extra kosten voor maken. Veel Friezen vinden het lastig te lezen en bovendien is er al Nederlandse ondertiteling.” Het is voor het eerst dat de Omrop een dramaserie in een andere taal uitzendt. “Het zal geen gewoonte worden,” aldus Gaanderse, “maar dit zijn bijzondere producties. Bovendien was TV Oost de eerste buiten Friesland die ‘Baas boppe Baas’ uitzond.” [LC, 06-01-2006]
Strijd om Friese ondertiteling bij Twentse tv-serie
Het uitblijven van Friese ondertiteling bij de Twentse soap ‘Van Jonge Leu en Oale Groond’ op Omrop Fryslân TV wekt her en der flinke wrevel. Voorzitter Douwe Hoekstra van de Freonen fan Omrop Fryslân spreekt van ‘in prinsipekwestje’.
Gisteren liet Omrop-directeur Pim Gaanderse weten dat de serie niet in het Fries wordt ondertiteld. “Hjir bin ik net bliid mei”, zegt Douwe Hoekstra van de Freonen fan Omrop Fryslân. “By it oankeapjen fan hokker searje dan ek heart dat dy Frysk ûndertitele wurdt.” Hoekstra wil het onderwerp in de eerstvolgende vergadering van de vereniging aan de orde stellen. “Dit soe net iens in diskusje wêze moatte.”
Henk Sikkema, voorzitter van de programmaraad en van de raad van commissarissen van de Omrop schaart zich vierkant achter Gaanderse. “Zo nu en dan moet je ook pragmatisch zijn. En veel Friezen kunnen nu eenmaal niet goed lezen, zeker niet in de snelheid van zo’n dramaserie.” Sikkema vreest dan ook dat Friese ondertiteling de kijkdichtheid niet ten goede zal komen. “Het moet wel voor iedereen bereikbaar blijven, maar dat neemt niet weg dat we voor de rest een echt Friestalig medium willen blijven.”
Gedeputeerde Mulder stelt dat meer dan 60 procent van de Friezen de eigen taal wel degelijk kan lezen. De Omrop-website is ook niet voor niets Friestalig, aldus de gedeputeerde. Ook Sybren Posthumus, voorzitter van Eftrije, de Frysk-kulturele feriening, vindt dat eerst maar eens proefondervindelijk vastgesteld moet worden of Friezen geen ondertiteling in hun eigen taal willen lezen.
Hoewel Mulder zich niet met inhoudelijke keuzes wil bemoeien, wijst hij er op dat de Omrop juist extra subsidie krijgt om zich sterk te maken voor de tweede landstaal. “Dizze Twintske searje is net wat wy foar eagen hawwe. It is earder wat foar in lanlike stjoerder.”
Het programma RegioNed, met reportages van verschillende regionale omroepen, is de gedeputeerde - gezien de beperkte zendtijd en de gemaakte afspreken - al langer een doorn in het oog. Ook daarin delft het Fries het onderspit. ”Fryske sjoggers sitte net te wachtsjen op stikjes fan Omroep Brabant. It talich aspekt is hiel wichtich foar de identiteit fan de Omrop.”
De voorzitter van de Ried fan de Fryske Beweging, Jaap van der Bij, denkt dat het hier niet bij blijft. “Ik bin bang dat dit it begjin is en dat der aanst eltse kear wol in ferlechje is om gjin Frysk te brûken.” [LC, 07-01-2006]
Boarne: Leeuwarder Courant, 06/07-01-2006
Neiskrift FFU: