Aktueel, 19-04-2005

dinsdag, 19 april 2005, Analyse

‘De eenheidsstaat' is niet heilig'

Kerst Huisman maakt in zijn ‘Friese canon' te veel slachtoffers van de Friezen, stelde Douwe Kooistra op deze pagina. Onzin, reageert Kerst Huisman. Het gaat om het ontwikkelen van een kritische houding tegenover de staat.

KERST HUISMAN

Het staat historicus Douwe Kooistra te prijzen, dat hij zo uitgebreid commentaar heeft gegeven op mijn ontwerp voor een Friese geschiedeniscanon (Friesch Dagblad, 7 april) . Ik zeg uitdrukkelijk: ontwerp, want meer is het niet. Ik vind dat wij als historici, publicisten en onderwijsmensen in Fryslân al discussiërend zouden moeten komen tot een canon, die door de meesten in grote trekken gedragen kan worden. Dat zou kunnen, door met meer discussiebijdragen te komen die wellicht aan het eind gebundeld zouden kunnen worden. Waarna we nog een leuk symposium zouden kunnen houden. Het is ook verheugend, dat Douwe Kooistra de noodzaak van een Friese geschiedeniscanon niet bestrijdt. Hij heeft alleen kritiek op enkele onderdelen, en daar wil ik dadelijk wat meer over opmerken. Maar eerst - ook al omdat Kooistra daar niet op in is gegaan - nog even iets over de achtergronden. Er zijn twee redenen om nu te komen met een Friese geschiedeniscanon. De eerste reden is het bestaan van het zogenaamde Europees Handvest voor Kleine Talen. In dat handvest staat als vereiste, dat er aan Friese scholen ook aandacht dient te worden besteed aan de Friese geschiedenis. De tweede reden is de thans vooral in de randstedelijke kranten gevoerde discussie over de Nederlandse geschiedeniscanon. Te vrezen valt, dat die Nederlandse canon - gezien de tot dusverre gepubliceerde discussiebijdragen - een volstrekt ‘Hollandse' zaak wordt, met alleen wezenlijk aandacht voor de geschiedenis van Klein-Nederland in de driehoek Alkmaar-Amersfoort-Hoek van Holland.

De Friese geschiedenis bevat genoeg ‘eigen' momenten om ook een ‘eigen' visie op die geschiedenis, naast de Nederlandse en deels onafhankelijk van de Nederlandse, mogelijk te maken. Daarop wil ik nu niet meer ingaan. Op de website van de Feriening Frysk Ûnderwiis, waar mijn ontwerp wordt weergegeven en in het jongste nummer van het tijdschrift Fryslân , waar ik ook over de noodzaak van de Friese geschiedeniscanon heb geschreven, staat er genoeg over te lezen.

Douwe Kooistra verbaast zich er wat over, dat ik naast het verlies van de politieke zelfstandigheid van Friesland ook enkele voorbeelden noem van mislukte Friese staatsvorming. Hij vindt dit ongepast. Toch behoort dit er juist bij, omdat het juist een belangrijke verklaring vormt voor het voortbestaan van de Friese identiteit nu. En als er rondom die Friese identiteit een eigen geschiedenisonderwijs moet komen, zoals het Europees Handvest wil, dan is het ook nodig, om een verklaring te geven.

In de tweede plaats is het in de geschiedenis soms leuk, gebruik te maken van zogenoemde als-redeneringen: Wat zou er zijn gebeurd als? Een mooi twintigste eeuws voorbeeld is het essay van Sebastian Haffner over de vraag wat er gebeurd zou zijn als Hitler de Sovjet-Unie NIET had aangevallen. Uit de Friese geschiedenis zou je het voorbeeld van de Slag bij Boksum van 1586 kunnen noemen, met als vraag: Wat zou er zijn gebeurd, als na de Friese nederlaag bij Boksum de dooi NIET was ingevallen? Zou Friesland verloren zijn gegaan voor de opstand tregen Spanje? Had Holland open gelegen voor een invasie vanuit het noordoosten? Was de prille Republiek van de Verenigde Provincies dan ten onder gegaan? Het voorbeeld van Boksum dient er mede toe duidelijk te maken dat anders dan de Nederlandse canon die nu in de maak is wil, de Friese geschiedenis er - ook in Nederlands verband - wel degelijk toe doet. Zo is ook de vraag naar het mislukken van de Friese staatsvorming in het begin van de zestiende eeuw van belang.

Zelfstandigheid

Maar het lijkt wel alsof we van Douwe Kooistra maar liefst zo weinig mogelijk over die Friese zelfstandigheid moeten praten. We moeten eigenlijk, zo lijkt het wel, de feitelijk gegroeide situatie voor lief nemen, zonder ons af te vragen, of het wellicht ook anders had kunnen gaan, ook als het dient ter verklaring van zaken nu die iedereen kan waarnemen. Bij zo'n zienszwijze behoort ook vooral geen kritische benadering van de Nederlandse eenheidsstaat. In het boek Fryslâns ferline van Douwe Kooistra en Harm Oldenhof valt op waar het de negentiende eeuw betreft, de beide schrijvers vooral in constaterende en vaststellende zin over de gebeurtenissen schrijven, zonder analyse van de oorzaken van het een en ander. De dingen overkwamen Friesland, door het blinde toeval of zoiets, zo lijkt het wel. Er is geen oog voor het feit, dat dit zeker ook te maken heeft gehad met het verlies van de Friese autonomie en het - als gevolg van een staatsgreep - ontstaan van de Nederlandse eenheidsstaat.

Ik geef enkele voorbeelden. De conclusie op pagina 264 van Fryslâns ferline luidt: ‘Tagelyk makke Nederlân in modernisearringsproses troch. Ekonomysk rekke Fryslân dêrtroch efterop.' Op pagina 274 staat: ‘De fernijing fan de Nederlânske hannel yn de 19de ieu spile him ôf yn Hollân. De Sudersee kaam bûten de seefeartrûten te lizzen. Rotterdam ûntjoech him as skeakel tusken it Roergebiet en de wrâld, wylst Amsterdam in direkte ferbining mei de Noardsee krige troch it Noardseekanaal. De havenfunksje fan Harns hie dêrfan te lijen. De Iselmar bleau oer foar de fiskers.' Dat is mij gewoon veel te kort door de bocht.

De in het citaat geschetste situatie werd in wezen pas werkelijkheid na 1870. Amsterdam lag daarvóór decennia lang voor Pampus en het bereiken van de Rotterdamse haven was ook een groot probleem, zozeer zelfs, dat de Engelsen Harlingen zagen als de belangrijkste schakel tussen hun land en hun koloniën. Maar dan moest er wel eerst een spoorlijn komen van Harlingen naar het Duitse spoorwegnet, dat weer verbonden was met Zuid-Europa, van waar de oversteek kon worden gemaakt naar het Midden-Oosten. De Engelsen waren daar voor, in Noord- Nederland werden vanaf 1840 allerhande initiatieven ontplooid, maar de centrale rijksoverheid werkte niet mee. Het Nederlandse rijksbeleid was vanaf het begin van het Koninkrijk gericht op herstel van de oude positie van Holland als stapelmarkt voor de wereld. Daarvoor, en alleen daarvoor, werden jarenlang rijkssturing en rijksgeld ingezet.

Het zou al heel gek zijn als er geen enkel verband zou bestaan tussen de economische toestand van Friesland in de negentiende eeuw en het verlies van de gewestelijke zelfstandigheid in 1798. Dat verlies van die autonomie en het daarbij behorende symbool, de ‘eigen' stadhouder, veroorzaakte een uittocht van grootgrondbezitters, waardoor het in Friesland verdiende geld voortaan elders werd uitgegeven. Natuurlijk zijn er ook algemene conjuncturele ooorzaken geweest, maar het is volstrekt onhistorisch om de economische achteruitgang van Friesland in de negentiende eeuw helemaal los van te zien van het verlies van de gewestelijke autonomie en het opgaan in de centralistische eenheidsstaat.

Slachtofferschap

Dat is niet een zaak van het bewust maken van Fries slachtofferschap, maar het ontwikkelen van kritische zin jegens het (ook in sommige milieus in Fryslân) zozeer aangehangen idee van de heiligheid van de Nederlandse eenheidsstaat. Het rijk wordt door sommigen haast als een sacrosancte categorie gezien, wijs, neutraal en boven de partijen staand. Sommigen kleuren dat Nederlandbeeld zelfs godsdienstig in: ‘God, Nederland en Oranje'.

In werkelijkheid is die staat een compromis van tegengestelde belangen, waarbij de sterke belangen de doorslag gaven. Die belangen werkten heel vaak objectief tegen de Friese (noordelijke) belangen in. Het kan van belang zijn, van jonge mensen geen kritiekloze volgers van de staatsideologie te maken, dat maakt hun alleen maar tot meelopers, maar kritische burgers die zich naast het positieve dat de moderne staat heeft meegebracht, ook de kwade kanten van diezelfde staat realiseren.

Het is overigens niet alleen een Fries-historisch probleem, maar ook een actueel politiek-filosofisch gegeven. We zijn allen wel overtuigd van de goede kanten van de staat. Maar het kan juist in het licht van de actuele ontwikkelingen in Europa geen kwaad, jonge mensen in het onderwijs bewust te maken van de kwaadaardige kanten van staatkundige centralisatie. De voorbije eeuw maakt erg wantrouwig, wat het fenomeen ‘staat' betreft. Abram de Swaan heeft in zijn Huizingalezing in Leiden in 2003 de moderne staat de grootste mensendoder in de geschiedenis genoemd. Volgens een redelijk zorgvuldige schatting hebben gecentraliseerde staten in de twintigste eeuw de dood van 170 miljoen ongewapende onderdanen op hun geweten. Bovenaan staan nazi-Duitsland, communistisch China en de USSR, en de meeste andere staten staan een stuk lager op de lijst, maar zelf democratische staten, waaronder Nederland, gaan niet vrijuit. Ook de Nederlandse overheid heeft (bij het handhaven van de orde bijvoorbeeld) de dood van onschuldige burgers veroorzaakt.

Kerst Huisman is historicus